Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:774

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-01-2020
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
C-01-344311 - HA ZA 19-207
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bodemprocedure na deelgeschil letselschade. Eiseres vordert schadevergoeding naar aanleiding van een auto-ongeluk. In het deelgeschil heeft de rechtbank al beslist welk uitgangspunt gehanteerd moet worden bij de berekening van de schade van eiseres. Daarmee is uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist op een geschilpunt tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding. Dat de deelgeschilrechter zijn beslissing heeft genomen op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag is gesteld noch gebleken. De rechtbank is daarom in deze bodemprocedure aan die bindende eindbeslissing gebonden (vgl. artikel 1019cc Rv). De rechtbank komt niet nu al toe aan het concreet begroten van de schade volgens het door de deelgeschilrechter gegeven uitgangspunt. Partijen verschillen van mening over de hoogte van de schade en hebben ieder hun standpunt onderbouwd met partij-deskundigenrapporten. De rechtbank kan niet op voorhand één van deze partij-deskundigen als onbegrijpelijk of ongegrond passeren. Het benoemen van een rechtbank-deskundige ligt dan voor de hand. Mogelijk is eerste bewijslevering nodig. Eiseres heeft echter uitdrukkelijk gesteld dat zij in eerste aanleg niet in de gelegenheid wil worden gesteld om bewijs aan te brengen. Eiseres vraagt om een eindvonnis. De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0174
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/344311 / HA ZA 19-207

Vonnis van 22 januari 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. G.J.L.F.M. Schakenraad te Eindhoven,

tegen

de naamloze vennootschap

NV UNIVÉ SCHADE,

gevestigd te Assen,

gedaagde,

advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Univé genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 juni 2019;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 5 december 2019 en de daarin genoemde

nagekomen productie van Univé.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

In deze zaak speelt het volgende. Op 21 februari 1997 is [eiseres] een ernstig auto-ongeluk overkomen. [eiseres] is aangereden door een verzekerde van Univé. Als gevolg van het ongeval heeft [eiseres] meervoudig letsel opgelopen. Univé heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. Partijen zijn na het ongeval met elkaar in overleg getreden over de afwikkeling van de schade van [eiseres] . Voor een deel van de schadeposten hebben partijen vervolgens op 2 mei 2007 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Tussen partijen is nu nog in geschil de schadepost die samenhangt met het verlies van arbeidsvermogen. Ten tijde van het ongeval voerde [eiseres] met haar echtgenoot een melkveehouderij-bedrijf en door het ongeval is [eiseres] (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt geraakt. Deze schadepost is onderwerp geweest van een deelgeschilprocedure tussen partijen. De deelgeschilrechter heeft bij beschikking van 18 mei 2017 de verzoeken van [eiseres] die samenhangen met het verlies van arbeidsvermogen afgewezen.

De schadepost verlies van arbeidsvermogen is het onderwerp van deze procedure.

2.2.

Partijen verschillen van mening over de uitgangspunten die moeten worden gehanteerd bij de berekening van het verlies van arbeidsvermogen.

[eiseres] betoogt ten eerste, kort gezegd, dat bij de berekening van de schade moet worden gekeken naar het vol maken van een haalbaar en verkrijgbaar melkquotum. Volgens Univé moet de schade echter worden berekend aan de hand van het verlies in uren van de arbeidsinbreng van [eiseres] .

[eiseres] stelt verder dat bij de begroting van haar schade als uitgangspunten moeten worden meegenomen:

  • -

    dat [eiseres] en haar echtgenoot al vóór het ongeval groei in het melkquotum en dus in het koeienaantal - naar 70-80 stuks - beoogden;

  • -

    dat [eiseres] en haar echtgenoot na het ongeval een melkrobot hebben aangeschaft in verband met de re-integratie van [eiseres] in het melkveehouderijbedrijf;

  • -

    dat zonder ongeval het houden van 70-80 melkkoeien mogelijk is in dezelfde personele formatie bestaande uit [eiseres] en haar echtgenoot, zonder dat aanvullende arbeidskrachten zouden hoeven worden ingehuurd.

Univé heeft al deze aanvullende uitgangspunten betwist.

2.3.

[eiseres] heeft [X] (hierna: [X] ) een begroting van haar schade laten opstellen voor de volgende vier scenario’s (rapport van 4 december 2018):

I. Er zou in de situatie zonder ongeval geen uitbreiding naar 70-80 koeien hebben plaatsgevonden en er zou niet zijn geïnvesteerd in een melkrobot. In dit geval bedraagt de schade volgens [X] € 1.558.883,69.

II. Zonder ongeval zou zijn uitgebreid naar 70-80 koeien en er zou een melkrobot zijn aangeschaft. De schade bedraagt in deze situatie volgens [X] € 1.783.654,62.

III. Zonder ongeval zou niet zijn uitgebreid naar 70-80 koeien, maar er zou wel een melkrobot zijn aangeschaft. De schade bedraagt in deze situatie € 1.226.372,28;

IV. Ten slotte een scenario waarin wordt geabstraheerd van een uitbreiding van het aantal koeien en de aanschaf van een melkrobot. In dit scenario wordt gekeken naar het resultaat ten tijde van het ongeval, waarop in mindering wordt gebracht de feitelijke kosten van het personeel en de feitelijke kosten van het loonwerk. De schade in dit scenario bedraagt volgens [X] € 514.901,88.

2.4.

Op grond hiervan vordert [eiseres] na wijziging van eis, samengevat:

1. betaling ter zake de post verlies arbeidsvermogen van het bedrag van:

a) primair € 1.558.883,69 (-/- € 200.000,- betaald voorschot) volgens het hiervoor geschetste scenario I;

b) subsidiair € 1.783.654,62 (-/- € 200.000,- betaald voorschot) volgens scenario II;

c) meer subsidiair € 1.226.372,28 (-/- € 200.000,- betaald voorschot) volgens scenario III;

2. bij niet aanstondse toewijsbaarheid van een vordering onder 1 onder a, b of c:

a) benoeming van een branchedeskundige die zijn oordeel geeft over de in de dagvaarding geformuleerde uitgangspunten en/of

b) benoeming van een rekenkundige, die zijn oordeel geeft over de juistheid van de uitkomst van het meest recente rapport van [X] van 6 december 2018;

3. meer subsidiair betaling van € 514.901,88 volgens het hiervoor geschetste scenario IV;

4. betaling van wettelijke rente vanaf 2 weken na de datum van het aanbieden van het rapport aan Univé middels verzoek deelgeschil van 14 december 2016, althans vanaf de kapitalisatiedatum 1 januari 2017 over het toe te wijzen bedrag gerekend althans vanaf de dag van de dagvaarding;

5. betaling van:

1) het bedrag van € 15.391,20 aan buitengerechtelijke kosten als bedoeld in randnummer 64 van de dagvaarding én;

2) het bedrag van € 1.539,88, zijnde de gevorderde ontbrekende buitengerechtelijke kosten voor [X] vóór rekest deelgeschil én:

3) het bedrag van € 10.155,84 wegens de kosten van [X] voor het opstellen en het behandelen van het rekest deelgeschil en een nieuwe rapportage;

6. betaling van de proceskosten, te vermeerderen met rente en nakosten.

2.5.

Univé voert in deze procedure, samengevat, het volgende verweer.

De deelgeschilrechter heeft de door [eiseres] bepleite uitgangspunten afgewezen. Daarmee heeft de deelgeschilrechter uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist in de zin van artikel 1019cc lid 1 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv). De bodemrechter is daaraan gebonden. De door [X] geschetste scenario’s I, II en III zijn op die uitgangspunten gebaseerd en kunnen dus in eerste aanleg niet tot toewijzing van de vorderingen leiden.

In deze procedure resteert daarom nog enkel de beoordeling van scenario IV. De schade wordt daarbij berekend aan de hand van - kort gezegd - het verlies aan arbeidsuren van [eiseres] . Volgens Univé heeft zij met de bevoorschotting van [eiseres] tot een bedrag van € 200.000,- de schade ruim vergoed. Ter onderbouwing wijst Univé naar de conclusies van de door haar benaderde deskundige [Y] (hierna: [Y] ; rapporten van 1 maart 2016, 6 maart 2017 en 26 maart 2019).

Ook verweert Univé zich tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.

2.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Aan de orde is allereerst de vraag of bij de begroting van de schadepost verlies van arbeidsvermogen moet worden uitgegaan van het realiseren van een bepaald melkquotum (zoals [eiseres] stelt) of van - kort gezegd - het verlies aan arbeidsuren van [eiseres] (zoals Univé stelt). Deze vraag lag ook besloten in vorderingen van [eiseres] in de deelgeschilprocedure die partijen hebben gevoerd. De rechtbank heeft in de deelgeschilprocedure in haar beschikking van 18 mei 2017 op dat punt overwogen:

4.5. […] Met Univé neemt de rechtbank tot uitgangspunt voor de berekening van het verlies arbeidsvermogen de vergelijking van het aantal uren en de aard van de werkzaamheden dat [eiseres] nu in de feitelijk situatie kan verrichten en het aantal uren en de aard van de werkzaamheden dat [eiseres] in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben verricht. Voor zover [eiseres] door het ongeval in het aantal uren of de aard van de werkzaamheden beperkt is, kunnen daarvoor vervangende arbeidskrachten worden ingehuurd. De daarmee samenhangende arbeidskosten zijn dan aan te merken als schade. De gestelde beoogde verhoging van het melkquotum, kan daarom niet op de door [eiseres] voorgestane wijze in de berekening van haar verlies aan arbeidsvermogen worden meegenomen. […]

3.2.

De deelgeschilrechter heeft hiermee het standpunt van Univé gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de deelgeschilrechter hiermee uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist op een geschilpunt tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding. Uit artikel 1019cc lid 1 Rv volgt dan, dat de rechtbank daaraan in deze procedure ten principale op dezelfde wijze is gebonden als wanneer de beslissing zou zijn opgenomen in een tussenvonnis in die procedure. Daarmee is aangeknoopt bij de leer van de bindende eindbeslissing. De rechtbank kan daarvan in beginsel niet terugkomen, tenzij er inmiddels nadere gegevens voorhanden zijn waaruit blijkt dat de beslissing niet juist is geweest. Volgens vaste rechtspraak kan daarvan sprake zijn, indien de beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. In zo’n geval zou de rechtbank bevoegd zijn om over te gaan tot heroverweging van de door de deelgeschilrechter genomen eindbeslissing, om zo te voorkomen dat zij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.

Dat de deelgeschilrechter zijn beslissing heeft genomen op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag is echter gesteld noch gebleken. De rechtbank is daarom aan het hiervoor geciteerde oordeel van de deelgeschilrechter gebonden. Voor de begroting van de schadepost verlies van arbeidsvermogen moet in deze zaak daarom in beginsel een vergelijking worden gemaakt van enerzijds de uren en (de aard van) de werkzaamheden die [eiseres] na het ongeval feitelijk nog kan verrichten met anderzijds de uren en werkzaamheden die zij in de hypothetische situatie zonder ongeval zou kunnen verrichten. De schade van [eiseres] bedraagt dan de kosten voor het inhuren van vervangende arbeidskrachten. Hiermee wordt [eiseres] qua uren en werkzaamheden gebracht in een situatie zoals die zonder het ongeval zou zijn. Mogelijk kunnen aanvullend als schade worden aangemerkt de kosten rond de aanschaf van de melkrobot, als ervan moet worden uitgegaan dat [eiseres] juist daarmee weer een arbeidsbijdrage in het melkveebedrijf kan leveren.

Het vol maken van een bepaald melkquotum speelt bij deze wijze van schadebegroting echter geen rol.

3.3.

De rechtbank stelt vast dat het vol maken van een melkquotum wel het uitgangspunt is geweest in de door [X] gemaakte berekeningen voor de scenario’s I, II en III (hiervoor genoemd onder 2.3). De vorderingen van [eiseres] die op die scenario’s zijn gebaseerd, komen dan niet voor toewijzing in aanmerking. De primaire en (meer) subsidiaire vorderingen onder 1 worden daarom afgewezen. Ook de vordering van [eiseres] onder 2 neemt tot uitgangspunt een berekening van het verlies van arbeidsvermogen op grond van het vol maken van een melkquotum en wordt daarom afgewezen.

3.4.

De vordering van [eiseres] onder 3 is gebaseerd op het vierde scenario dat [eiseres] door [X] heeft laten doorrekenen. In dat scenario is [eiseres] niet uitgegaan van het melkquotum, maar van het urenverlies. Partijen verschillen van mening welke schade dat urenverlies precies oplevert. [eiseres] komt op een schadebedrag en vordering van € 514.901,88. Univé stelt dat het verlies van arbeidsvermogen moet worden begroot op een bedrag van € 96.872,75.

Beide partijen hebben hun standpunt en de genoemde bedragen onderbouwd met (partij-) deskundigenrapporten. [eiseres] verwijst naar de conclusies van [X] en Univé naar die van [Y] . In hun rapporten en brieven reageren [X] en [Y] ook gemotiveerd op elkaars standpunten en conclusies. De rechtbank kan niet op voorhand de visie van één van deze partij-deskundigen als onbegrijpelijk of ongegrond ter zijde schuiven. Op grond van de inhoud van die rapporten en de stellingen van partijen komt de rechtbank daarom niet nu al toe aan het concreet begroten van de schade van [eiseres] . Daarvoor is in ieder geval nader deskundigenonderzoek noodzakelijk, dat moet worden uitgevoerd door een door de rechtbank te benoemen deskundige. Voordat de rechtbank aan het gelasten van een deskundigenonderzoek zou toekomen, dient bovendien mogelijk eerst bewijslevering plaats te vinden ten aanzien van de overige uitgangspunten die [eiseres] in de schadeberekening meegenomen wil zien. Univé heeft immers voldoende gemotiveerd betwist de stellingen van [eiseres] met betrekking tot de beoogde uitbreiding naar 70-80 koeien en de daarvoor benodigde arbeidskrachten en de aanschaf van de melkrobot.

Ter zitting heeft [eiseres] echter uitdrukkelijk gesteld, dat zij in deze eerste aanleg niet in de gelegenheid wil worden gesteld om nader bewijs aan te brengen. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat het verlies van arbeidsvermogen moet worden gebaseerd op het verlies aan uren van [eiseres] , vraagt [eiseres] de rechtbank om direct een eindvonnis te wijzen. Tegen deze achtergrond komt de rechtbank niet toe aan het gelasten van een deskundigenonderzoek en/of het verstrekken van een bewijsopdracht aan [eiseres] met betrekking tot de daarbij te hanteren uitgangspunten.

3.5.

In de gegeven omstandigheden kan de rechtbank niet overgaan tot het concreet begroten van de schade op het door [eiseres] gevorderde bedrag, noch op enig ander bedrag. De vorderingen onder 3 en 4 komen dan niet voor toewijzing in aanmerking. Zonder nadere toelichting, die [eiseres] niet heeft gegeven, is dan ook de vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten en de (overige) kosten van [X] (de vordering onder 5) niet toewijsbaar.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Univé worden begroot op:

- explootkosten € 0,00

- griffierecht 4.030,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 7.712,00 (2,0 punten × tarief € 3.856,00)

Totaal € 11.742,00

4 De beslissing

De rechtbank,

4.1.

wijst de vorderingen af;

4.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Univé tot op heden begroot op € 11.742,00;

4.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang, mr. M. van den Brink en mr. M.J.M.A. van der Put en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2020.