Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:6979

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
11-11-2021
Zaaknummer
WR 20/032
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Geen betrekking op de behandelend rechter

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OOST-BRABANT

Wrakingskamer

Zaaknummer: WR 20/032

Beslissing van 24 december 2020

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek ex artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)

[verzoeker] , te [woonplaats] ,

hierna te noemen: verzoeker,

1 Procesverloop

Bij beschikking van 17 juli 2020 (met zaaknummer 8566141 EJ VERZ 20-253) heeft

mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden, rechter in deze rechtbank, beslissingen genomen in een arbeidszaak tussen verzoeker en zijn (inmiddels voormalige) werkgever.

Verzoeker is op 16 september 2020 gedagvaard. In die dagvaarding, die door Gerechtsdeurwaarders Flanderijn (hierna: Flanderijn) is betekend aan verzoeker, is gevorderd – kort gezegd – dat de huurovereenkomst waarbij verzoeker partij is (huurder) wordt ontbonden, verzoeker het door hem gehuurde ontruimt en verlaat en de achterstallige huur betaalt. Deze huurzaak is geregistreerd onder zaaknummer 8779774 \ CV EXPL 20-4768.

Verzoeker heeft op de rolzitting van donderdagochtend 1 oktober 2020 ten overstaan van rolrechter mr. Geurtsen-van Eeden gereageerd op de tegen hem ingestelde vorderingen (conclusie van antwoord).

Bij tussenvonnis van 15 oktober 2020 heeft mr. Geurtsen-van Eeden een comparitie van partijen bevolen en bepaald dat die comparitie plaatsvindt op 16 november 2020. Daarbij is aangegeven dat de behandelend rechter mr. M.H. Kobussen is.

Verzoeker heeft bij e-mail van 30 oktober 2020 een wrakingsverzoek ingediend.

2 De beoordeling

2.1

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.

Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.

2.2

Op grond van artikel 9.1, aanhef en onder d, van het thans geldende wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant kan de wrakingskamer een wrakingsverzoek wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid zonder behandeling ter zitting aanstonds afwijzen indien het verzoek geen betrekking heeft op de met de behandeling van de zaak belaste rechter.

2.3

De griffie van de wrakingskamer heeft naar aanleiding van het door verzoeker ingediende wrakingsverzoek verzoeker bij e-mail van 30 oktober 2020 gevraagd tegen welke rechter het wrakingsverzoek is gericht en op welke gronden het wrakingsverzoek berust. In reactie hierop heeft verzoeker bij e-mail van 13 november 2020 de griffie laten weten dat zijn wrakingsverzoek is gericht tegen mr. Geurtsen-van Eeden. Hij heeft verder aangegeven: “Edelachtbare mr. M.H. Kobussen is mij vooralsnog onbekend. Alsook de zaak. Kunt u mij vertellen waar die over gaat?”. De griffie van de wrakingskamer heeft verzoeker bij e-mail van 22 november 2020 laten weten dat het de wrakingskamer nog altijd niet duidelijk is in welke zaak het verzoek is ingediend, in de arbeidszaak of in de huurzaak. In reactie hierop heeft verzoeker de griffie laten weten dat “het wrakingsverzoek is inzake de zaak met Flanderijn”. Hieruit heeft de wrakingskamer begrepen dat het wrakingsverzoek betrekking heeft op de (door Flanderijn ingeleide) huurzaak. Dit heeft de griffie verzoeker ook laten weten in de brief van 27 november 2020 (op 27 november 2020 per e-mail verzonden aan verzoeker). In die brief heeft de griffie verzoeker er verder op gewezen dat hij in zijn e-mail van 13 november 2020 heeft aangegeven dat zijn wrakingsverzoek is gericht tegen mr. Geurtsen-van Eeden, maar dat deze rechter niet de behandelend rechter in de huurzaak is en geen verdere bemoeienis met de huurzaak heeft. De huurzaak wordt behandeld door mr. M.H. Kobussen. De griffie heeft verzoeker daarom verzocht om de griffie uiterlijk 4 december 2020 mee te delen of dit wellicht voor hem aanleiding is om het wrakingsverzoek in te trekken. Verzoeker heeft niet gereageerd op de brief van 27 november 2020. Het moet er daarom voor worden gehouden dat verzoeker zijn wrakingsverzoek handhaaft en dat het wrakingsverzoek is gericht tegen mr. Geurtsen-van Eeden.

2.4

Uit het voorgaande blijkt dat het wrakingsverzoek geen betrekking heeft op mr. M.H. Kobussen, de rechter die met de behandeling van de huurzaak belast is. Om die reden kan verzoeker niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling (artikel 39 lid 1 Rv) is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

3 Beslissing

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af wegens kennelijke

niet-ontvankelijkheid.

Deze beslissing is gegeven op 24 december 2020 door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, mr. G.J. Roeterdink en mr. C.A. Mandemakers, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier.

Nu de voorzitter daartoe buiten staat is, zal een lid deze beslissing mede ondertekenen.

griffier lid

Tegen deze beslissing staat geen voorziening open (Artikel 39 lid 5 Sv).