Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:6957

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-02-2020
Datum publicatie
19-10-2021
Zaaknummer
WR 20/001
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Niet tijdig beslissen op verzet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Wrakingskamer

Zaaknummer: WR 20/001

Beschikking van 13 februari 2020

van de meervoudige wrakingskamer op het verzoek van

[verzoekster]

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

tegen

mr. F.M. Rijnbeek

in haar hoedanigheid van rechter in de rechtbank Oost-Brabant bij de behandeling van de zaak met zaaknummer SHE AWB 19/1968.

Partijen zullen hierna respectievelijk verzoekster en de rechter worden genoemd.

1 Procesverloop

1.1.

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van:

  • -

    het schriftelijke wrakingsverzoek van 20 januari 2020;

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek van 24 januari 2020;

  • -

    het dossier in de hoofdzaak.

1.2.

Het verzoek is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 6 februari 2020. Zowel verzoekster als de rechter heeft schriftelijk aangegeven niet ter zitting van de wrakingskamer te verschijnen.

2 Het verzoek en het verweer

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de procedure met zaaknummer SHE AWB 19/1968. Verzoekster heeft betoogd dat zich een omstandigheid voordoet die haar grond geeft te vrezen dat de rechter niet volgens de vigerende wetgeving handelt in de verzetprocedure met het hierboven genoemde zaaknummer en dat het haar daardoor aan onpartijdigheid ontbreekt. De rechter heeft in strijd met de vigerende wetgeving gehandeld door het ingestelde verzet van verzoekster niet binnen de gestelde termijn te behandelen en daarna zonder enige motivering over de termijnoverschrijding en het niet tijdig informeren daarover een zitting gepland voor de inhoudelijke behandeling van het verzet.

2.2.

De rechter heeft aangegeven niet in de wraking te berusten. Zij heeft in dat kader gesteld dat in wat [verzoekster] aanvoert naar haar mening geen feiten en/of omstandigheden zijn gelegen, die redenen opleveren voor (objectiveerbare) twijfel aan haar onpartijdigheid. De overschrijding van de in het procesreglement voor de behandeling van verzetzaken genoemde termijn biedt daarvoor geen grondslag.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.2.

Ingevolge artikel 8:15 Awb dient te worden beoordeeld of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechtelijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn functie moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter met betrekking tot een procespartij vooringenomen is, althans dat de dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang.

3.3.

Het procesreglement bestuursrecht rechtbanken (NIET-KEI-zaken) 2017 bepaalt in artikel 4.1 dat de bestuursrechter een verzet binnen dertien weken na ontvangst van het verzetschrift op zitting behandelt of binnen deze termijn zonder zitting uitspraak doet. Als deze termijn niet wordt gehaald dan schrijft het procesreglement voor dat partijen daarvan voor het verstrijken van deze termijn op de hoogte worden gesteld.

Het enkele niet tijdig beslissen op of op zitting behandelen van een verzetschrift en het niet doen van een voorafgaande mededeling van een termijnoverschrijving zijn geen uitzonderlijke omstandigheden die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter met betrekking tot een procespartij vooringenomen is, althans dat de dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Hieruit kan naar objectieve maatstaven bezien evenmin de schijn van partijdigheid worden afgeleid.

3.4.

Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat de bij verzoekster ontstane vrees voor vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen grond is voor wraking. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot wraking van mr. F.M. Rijnbeek in de zaak met zaaknummer SHE AWB 19/1968.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.W. Brunt, mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en mr. J.H. Wiggers en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

de griffier de rechter

Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.