Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:6937

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
01/993223-20; 01/993312-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor:

1: het witwassen van ruim 100.000,-;

2: het voorhanden hebben van een doorgeladen vuurwapen;

3: het aanwezig hebben van drie gedeeltelijk aangelegde jammers.

Opgelegd wordt naast een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van voorarrest ook een geldboete van EUR 10.000,- subsidiair 85 dagen hechtenis.

De verboden goederen worden onttrokken aan het verkeer.

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegewezen. Veroordeelde moet alsnog 609 dagen gevangenisstraf ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummers: 01/993223-20 en 01/993312-20 (ter terechtzitting gevoegd)
V.I. zaaknummer: 99-000394-50

Datum uitspraak: 19 november 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum] ,

wonende te [adres 1] ,

thans gedetineerd te: P.I. Middelburg.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 juni 2020, 18 augustus 2020 en 5 november 2020.

Op de ter terechtzitting van 5 november 2020 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 13 mei 2020 en 16 september 2020.

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 01/993223-20 ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 02 maart 2020 te Eindhoven en/of Amsterdam en/of Zaandam, gemeente Zaanstad, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten een contant geldbedrag van EUR 99.900,- (IBN-codes [nummer 1] en [nummer 2] ) of daaromtrent en/of een contant geldbedrag van EUR 1.000,- (IBN-code [nummer 1] ) of daaromtrent, in elk geval enig(e) contant(e) geldbedrag(en), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, en/of van dit/deze voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) dat dat/deze voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

2. hij op of omstreeks 02 maart 2020 te Eindhoven, althans in Nederland, een (vuur)wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (merk Taurus 80, kaliber .38 Special) (IBN-code [nummer 2] ), en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een aantal (5) kogelpatronen (kaliber .38 Special) (IBN-code [nummer 2] ), voorhanden heeft gehad.

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 01/993312-20 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 02 maart 2020 te Eindhoven, althans in Nederland, opzettelijk (een) radioappara(a)t(en), te weten drie, althans een of meer, jammers (IBN-codes [nummer 2] , [nummer 2] en/of [nummer 2] ) heeft aangelegd en/of geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig heeft gehad en/of heeft gebruikt, terwijl voor het gebruik ervan aan de houder van dat/die radioappara(a)t(en) geen vergunning(en) voor het gebruik van frequentieruimte was/waren verleend op grond van hoofstuk 3 van de Telecommunicatiewet.

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

De zaak met v.i. zaaknummer 99-000394-50 is aangebracht bij vordering van 6 mei 2020. Deze vordering heeft betrekking op de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van 609 dagen van de gevangenisstraf van 5 jaar, opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 6 maart 2017. De veroordeelde is op 16 augustus 2018 voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Bronnen.

T.a.v. parketnummer 01/993223-20, feit 1:

Een dossier van de Nationale Politie, Landelijke Eenheid, Onderzoek “ [naam] ”, met dossiernummer: [nummer 3] , zaaksdossier 01 witwassen, afgesloten d.d. 7 juli 2020, aantal doorgenummerde bladzijden: 224. Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden. De hieruit afkomstige bewijsmiddelen zijn telkens verkort en zakelijk weergegeven.

T.a.v. parketnummer 01/993223-20, feit 2:

  1. de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 5 november 2020;

  2. een dossier van de Nationale Politie, Landelijke Eenheid, Onderzoek “ [naam] ”, met dossiernummer: [nummer 3] , zaaksdossier 02 Wapen en chemicaliën, afgesloten d.d. 15 juni 2020, aantal doorgenummerde bladzijden: 35. Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden. De hieruit afkomstige bewijsmiddelen zijn telkens verkort en zakelijk weergegeven.

T.a.v. parketnummer 01/993312-20:

  1. de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 5 november 2020;

  2. een dossier van de Nationale Politie, Landelijke Eenheid, Onderzoek “ [naam] ”, met dossiernummer: [nummer 3] , zaakdossier 05 Jammers, afgesloten d.d. 6 juli 2020, aantal doorgenummerde bladzijden: 36. Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden. De hieruit afkomstige bewijsmiddelen zijn telkens verkort en zakelijk weergegeven.

Inleiding.

Onderhavig onderzoek is eind februari 2020 gestart naar aanleiding van een melding dat de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] zich bezig houdt met de handel in synthetische drugs en het witwassen van de opbrengsten daarvan. Een aantal dagen na het aansluiten van een telefoontap op dit telefoonnummer wordt er op 1 maart 2020 een gesprek opgevangen over een afspraak op 2 maart 2020 in Amsterdam. Uit observaties op
2 maart 2020 bij station Amsterdam Sloterdijk volgt vervolgens dat er tussen personen een zwarte tas wordt overgedragen. Een soortgelijke tas wordt een aantal uren later in Zaandam aangetroffen. In de tas blijkt onder meer een geldbedrag van in totaal € 100.900,- te zitten.

Aan verdachte is onder feit 1 het witwassen van dit geldbedrag ten laste gelegd. Verdachte heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde beroepen op zijn zwijgrecht.

Op 2 maart 2020 heeft er een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden in de woning van verdachte aan de [adres 2] te Eindhoven. Hierbij werden een doorgeladen vuurwapen en drie jammers aangetroffen en in beslag genomen. Aan verdachte is onder feit 2 ten laste gelegd het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie. Onder parketnummer 01/993312-20 is aan verdachte ten laste gelegd het opzettelijk aangelegd aanwezig hebben van drie jammers. Verdachte heeft ten aanzien van het voorhanden hebben van de revolver en de drie jammers een bekennende verklaring afgelegd.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van alle drie de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 01/993223-20. De verdediging heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de stemherkenningen niet bruikbaar zijn voor het bewijs, dat de in beslag genomen geldbedragen niet bij verdachte zijn aangetroffen en dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte dezelfde tas vast heeft gehad die later bij medeverdachte [medeverdachte 1] is aangetroffen. De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 01/993223-20 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft zich ten aanzien van het ten laste gelegde feit met parketnummer 01/993312-20 op het standpunt gesteld dat het voorhanden hebben van drie jammers slechts strafbaar is indien deze zijn aangelegd of worden gebruikt zonder de daartoe vereiste vergunning. Ter onderbouwing van dit verweer beroept de verdediging zich op een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:4153. In onderhavige zaak is volgens de verdediging niet gebleken van aangelegde jammers of het gebruik van jammers zonder vergunning.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal in het navolgende per ten laste gelegd feit de bewijsmiddelen en de door de verdediging aangevoerde verweren en het oordeel van de rechtbank hierover bespreken.

Redengevende bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bewijsbijlage die van dit vonnis deel uitmaakt. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 01/993223-20 volstaat de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen in de bewijsbijlage.

De bewijsoverwegingen.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 01/993223-20:

Betrouwbaarheid van de stemherkenningen.

De verdediging heeft bewijsuitsluiting bepleit van de stemherkenningen van verdachte vanwege onvoldoende betrouwbaarheid. De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat er geen deugdelijke methode van stemherkenning is gehanteerd, in de tapgesprekken geen namen worden genoemd en er geen sprake is van verankering in meerdere en andersoortige bewijsmiddelen.

De rechtbank stelt voorop dat voor het kunnen herkennen van een stem geen bijzondere kennis of kunde nodig is en dat hetgeen iemand over het herkennen van een stem verklaart mededelingen betreffen over hun eigen waarneming en ondervinding. Wel is bij de waardering van de bewijskracht van stemherkenningen behoedzaamheid op zijn plaats. Een factor die bij de waardering van de betrouwbaarheid van zulke herkenningen een rol kan spelen is de vraag of, en zo ja, in hoeverre stemherkenningen verankering vinden in andere bewijsmiddelen.

De rechtbank komt op basis van de tapgesprekken, observaties en stemherkenningen tot de conclusie dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] gebruik hebben gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en medeverdachte [medeverdachte 1] van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Uit het proces-verbaal van stemherkenning, dat is opgemaakt door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , volgt dat de stem van medeverdachte [medeverdachte 1] wordt herkend als de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] (dossierpagina 6).

Uit het proces-verbaal van stemherkenning dat door verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] , [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] is opgemaakt, volgt verder dat twee verbalisanten hebben aangegeven dat de stem van de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] in het tapgesprek met sessienummer 2 op 1 maart 2020 heel erg lijkt op de stem van verdachte.
In het daaropvolgende tapgesprek met sessienummer 63, dat op 2 maart 2020 heeft plaatsgevonden, wordt medeverdachte [medeverdachte 1] door verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] als spreker aangemerkt van ditzelfde telefoonnummer. De verbalisanten hebben aangegeven dat zij op 28 april 2020 het tapgesprek met sessienummer 63 hebben teruggeluisterd en dat zij de stem van medeverdachte [medeverdachte 1] met grote zekerheid herkennen als de persoon die gebruik maakt van telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Dat verbalisant [verbalisant] op 4 maart 2020 heeft aangegeven dat de stem van de persoon die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] in sessie 63 heel erg lijkt op de stem van verdachte, en dus niet medeverdachte [medeverdachte 1] , doet geen wezenlijke afbreuk aan de latere herkenning van de stem als die van medeverdachte [medeverdachte 1] en evenmin aan de herkenning van de stem van verdachte in het tapgesprek met sessienummer 97. De kwalificatie “lijkt heel erg op” heeft in zich dat enige ruimte wordt genomen om er later op terug te komen omdat zij minder vergaand is dan de kwalificatie “wordt herkend als”. In het tapgesprek met sessienummer 97 – op de stemherkenning daarvan zal de rechtbank hierna nog nader ingaan - is de stem herkend als die van verdachte. De latere herkenning van de stem van medeverdachte [medeverdachte 1] in het tapgesprek met sessienummer 63 heeft plaatsgevonden nadat verbalisanten Van den [verbalisant] en [verbalisant] medeverdachte [medeverdachte 1] op 22 april 2020 gedurende 45 minuten als getuige hebben gehoord, waarna zij op 28 april 2020 de tapgesprekken nogmaals hebben beluisterd en hierna tot de sterkere conclusie zijn gekomen dat de stem van de persoon die in sessie 63 gebruik maakt van telefoonnummer [telefoonnummer 1] met grote mate van zekerheid wordt herkend als die van medeverdachte [medeverdachte 1] .

Uit de locatiegegevens van telefoonnummer [telefoonnummer 1] volgt verder dat telefoonnummer [telefoonnummer 1] op 2 maart 2020 om 11:30 uur aanstraalt in Eindhoven en om 13:46 uur aankomt op de [adres 3] in Amsterdam, nabij station Amsterdam Sloterdijk. Deze gegevens komen overeen met hetgeen uit tapgesprek 63 naar voren komt. In dit gesprek wordt immers door de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] , waarvan de rechtbank heeft vastgesteld dat dit medeverdachte [medeverdachte 1] is, om 13:46:19 uur aangegeven dat hij bij de voorkant van station Amsterdam Sloterdijk is. Door de gebruiker van het tegennummer [telefoonnummer 2] , waarvan is gebleken dat dit telefoonnummer toebehoort aan medeverdachte [medeverdachte 1] , wordt aangegeven dat hij over twintig tot dertig minuten zal arriveren. Uit de locatiegegevens volgt dat het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte 1] om 13:46 uur aanstraalt op de locatie [adres 4] in Zaandam en om 14:17 uur aankomt op de [adres 3] in Amsterdam, nabij station Amsterdam Sloterdijk. Uit de tapgesprekken volgt verder dat er om 14:17:45 uur wederom een telefoongesprek plaatsvindt tussen beide telefoonnummers en dat er door de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] wordt aangegeven dat hij zijn vriend geeft, die naar buiten loopt. Door het observatieteam wordt om 14:19 uur waargenomen dat verdachte aan komt lopen vanuit de richting van de hoofdingang van station Amsterdam Sloterdijk. De rechtbank leidt hieruit af dat het niet anders kan zijn dan dat medeverdachte [medeverdachte 1] op 2 maart 2020 om 13:46:19 uur (sessie 63) en 14:17:45 uur (sessie 95) gebruik heeft gemaakt van telefoonnummer [telefoonnummer 1] .

De rechtbank stelt verder vast dat uit het proces-verbaal van stemherkenning (dossierpagina 16) volgt dat drie van de vier verbalisanten met betrekking tot de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] in het tapgesprek met sessienummer 97 (2 maart 2020 om 14:18:43 uur) hebben aangegeven de stem van verdachte te hebben herkend dan wel dat zij hebben aangegeven dat deze stem heel erg lijkt op de stem van verdachte. Bij deze herkenning betrekt de rechtbank in het bijzonder dat er in het tapgesprek met sessienummer 97 door de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] wordt gezegd ‘ik uh … loop richting taxi’. Hetgeen in dit tapgesprek naar voren komt, wordt bevestigd doordat verdachte door het observatieteam wordt herkend op het moment dat hij met een op een telefoon gelijkend voorwerp in de richting van de blauwe Toyota loopt. Gelet hierop gaat de rechtbank er dan ook van uit dat de telefoon met telefoonnummer [telefoonnummer 1] is overgegeven van medeverdachte [medeverdachte 1] aan verdachte en dat zij aldus beide gebruik hebben gemaakt van dit telefoonnummer.

Tot slot overweegt de rechtbank dat tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte in een keukenkastje een telefoon met een simkaart voorzien van IMSI-nummer [nummer 4] is aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat dit IMSI-nummer toebehoort aan telefoonnummer [telefoonnummer 1] , waarvan de rechtbank heeft vastgesteld dat dit telefoonnummer door medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte is gebruikt. In de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] is daarnaast een simkaart aangetroffen met IMSI-nummer [nummer 5] . Later is gebleken dat deze simkaart hoort bij het aan medeverdachte [medeverdachte 1] toegeschreven telefoonnummer [telefoonnummer 2] .

De rechtbank constateert, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dat de juistheid van de stemherkenningen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] , wordt verankerd en versterkt door de inhoud van meerdere en andersoortige bewijsmiddelen, waaronder de observaties en locatie- en telefoongegevens. De rechtbank ziet op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen enkele aanleiding om aan de juistheid van de identificatie van verdachte als gespreksdeelnemer te twijfelen. Dit alles brengt de rechtbank dan ook tot de slotsom dat de stemherkenning als voldoende betrouwbaar voor het bewijs kan worden gebruikt.

De overige door de verdediging gevoerde verweren ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 01/993223-20 merkt de rechtbank aan als bewijsverweren. Deze verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Witwassen.

De rechtbank stelt voorop dat niet is komen vast te staan of de aangetroffen geldbedragen uit eigen misdrijf afkomstig zijn. Witwassen kan volgens vaste rechtspraak onder die omstandigheden toch bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Daarbij moeten zes stappen worden doorlopen. Allereerst moet worden vastgesteld of er feiten en omstandigheden zijn waaruit een vermoeden van witwassen kan worden afgeleid. Voor het vaststellen van een dergelijk vermoeden kunnen witwasindicatoren worden gebruikt. Wanneer sprake is van een vermoeden van witwassen mag van een verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Indien en voor zover de verklaring van verdachte daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van verdachte blijkende, herkomst van het geld. Uit de resultaten van het onderzoek van het Openbaar Ministerie zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het contante geldbedrag waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

De rechtbank overweegt het volgende.

Feiten en omstandigheden

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, in het bijzonder gelet op de observaties en de tapgesprekken, volgt dat er op 2 maart 2020 door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] een tas met daarin contante geldbedragen van € 99.900,- en € 1.000,- is overgedragen aan medeverdachte [medeverdachte 1] . Vlak voor deze overdracht hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] een drietal telefoongesprekken gevoerd met medeverdachte [medeverdachte 1] om de exacte locatie voor de overdracht van de tas met geld te bepalen, waarna verdachte op enig moment de tas met geld vanuit de Ford Transit bus aan medeverdachte [medeverdachte 1] overdraagt bij station Amsterdam Sloterdijk.

Vermoeden van witwassen

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft hiermee de geldbedragen onder bedenkelijke omstandigheden in ontvangst genomen van medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte. Als indicator voor witwassen is het een feit van algemene bekendheid dat het voorhanden hebben van zoveel contant geld in een auto grote risico's meebrengt en bovendien hoogst ongebruikelijk is in het geval dat het geld op legale wijze is verkregen (ECLI:NL:GHLEE:2011:BR5801). Uit onderzoek is gebleken dat zowel verdachte als medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] een dergelijk bedrag in contanten, gelet op hun inkomsten, niet voorhanden kunnen hebben. Onder deze omstandigheden, in het bijzonder gelet op de omvang van het geldbedrag, de wijze van vervoeren en de manier van overdragen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van voldoende aanleiding om een vermoeden van witwassen te rechtvaardigen. Dat betekent dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor een legale herkomst van voormelde geldbedragen.

Verklaringen van verdachte en de medeverdachten

De rechtbank stelt vast dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zich bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 5 november 2020 hebben beroepen op hun zwijgrecht. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft zich aanvankelijk ook beroepen op zijn zwijgrecht. Pas op 3 september 2020 heeft medeverdachte [medeverdachte 1] ten overstaan van de politie verklaard dat hij een tas voor een vriend in ontvangst heeft genomen en dat hij niet wist dat er geld in de tas zat. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat over de herkomst van de geldbedragen geen min of meer concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaringen zijn afgelegd.

Conclusie

Het aldus door verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat de ten laste gelegde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Ten aanzien van het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 01/993312-20:

Aan de verdachte wordt verweten dat hij drie jammers heeft aangelegd, gebruikt of geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig heeft gehad, zonder dat daarvoor een vergunning was verleend. Door de verdediging is aangevoerd dat het aanwezig hebben van de, in de woning van verdachte, aangetroffen jammers niet strafbaar is, tenzij deze aangelegd zijn dan wel zonder vergunning worden gebruikt. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt het volgende.

Uit de memorie van toelichting bij artikel 10.15 van de Telecommunicatiewet blijkt dat het ‘aangelegd aanwezig hebben’ ruim kan worden geïnterpreteerd. Daarbij moet gedacht worden aan de situatie waarbij in de omgeving van het apparaat een geschikte antenne aanwezig is of andere hulpmiddelen die noodzakelijk zijn om het apparaat met een betrekkelijk simpele handeling in gebruik te nemen. De intentie van de houder is er dan op gericht om het apparaat te gebruiken. Er kan alleen dan geen sprake zijn van ‘aangelegd aanwezig hebben’ als het apparaat bijvoorbeeld verpakt is of uit andere omstandigheden blijkt dat de intentie van het gebruik niet aanwezig is.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier volgt dat de jammers niet waren verpakt en in een lade van een dressoir in de woonkamer en in een tas in een trapkast in de hal lagen. De apparaten hoefden alleen maar op het stroomnet of in de auto te worden aangesloten, waarna ze klaar waren voor gebruik. Van omstandigheden waaruit blijkt dat de verdachte niet de intentie had om het apparaat te gebruiken, is niet gebleken. In combinatie met de andere bij verdachte aangetroffen voorwerpen, waaronder een doorgeladen vuurwapen en een jerrycan met 25 liter van een vloeistof waarmee MDMA kan worden vervaardigd, lijkt de intentie van verdachte erop gericht te zijn geweest om het apparaat te gebruiken. Het is algemeen bekend dat jammers worden gebruikt in het criminele circuit. Ten slotte blijkt uit technisch onderzoek dat de jammers zijn gebouwd en ontworpen om doelgericht frequenties, die door andere toepassingen worden gebruikt, te verstoren. De verplichte CE-markering was niet aangebracht. Voor dit soort apparaten wordt volgens de deskundige nooit een vergunning verleend. De rechtbank concludeert uit het vorenstaande dat verdachte de apparaten opzettelijk gedeeltelijk aangelegd aanwezig had.

De bewezenverklaring.

Op grond van het vorenstaande, in onderling (tijds)verband en in samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

Ten aanzien van de tenlastelegging met parketnummer 01/993223-20:

1.

op 02 maart 2020 te Amsterdam en Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen, voorwerpen, te weten een contant geldbedrag van EUR 99.900,- en een contant geldbedrag van EUR 1.000,- voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl verdachte en verdachtes mededaders wisten dat deze voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

2.

op 02 maart 2020 te Eindhoven een vuurwapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (merk Taurus 80, kaliber .38 Special), en munitie, te weten 5 kogelpatronen (kaliber .38 Special,) voorhanden heeft gehad;

Ten aanzien van de tenlastelegging met parketnummer 01/993312-20:

op 02 maart 2020 te Eindhoven opzettelijk radioapparaten, te weten drie jammers gedeeltelijk aangelegd aanwezig heeft gehad, terwijl voor het gebruik ervan aan de houder van die radioapparaten geen vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte waren verleend op grond van hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden en een geldboete van € 10.000,-. Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen heeft de officier van justitie aangegeven dat de personenauto retour kan, dat de revolver, patronen,
3 jammers en het zakje pillen aan het verkeer dienen te worden onttrokken en dat de telefoon verbeurd moet worden verklaard. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie maakt kenbaar voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

Het standpunt van de verdediging.

Kijkend naar de LOVS-oriëntatiepunten heeft de verdediging aangevoerd dat aan verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest moet worden opgelegd. De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de in beslag genomen voorwerpen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen van in totaal

€ 100.900,-. Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de (criminele) herkomst van gelden wordt verhuld en daarmee aan het zicht van de opsporingsautoriteiten wordt onttrokken. Door de vermenging van illegaal geld met legale geldstromen wordt de integriteit van het financieel en economisch bestel ernstig schade toegebracht.

Ook heeft verdachte een doorgeladen vuurwapen voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen verhoogt het risico op een levensbedreigend geweldsdelict. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens.

Ten slotte heeft verdachte drie jammers gedeeltelijk aangelegd aanwezig gehad, terwijl voor deze apparaten geen vergunningen waren verleend. Jammers zijn bestemd om onder andere GSM- en UMTS-verkeer mee te verstoren. Het verstoren van communicatie kan tot gevaarlijke situaties leiden. Ook is algemeen bekend dat dergelijke jammers vaak gebruikt worden bij criminele activiteiten.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank voor wat betreft de jammers acht geslagen op wat door andere gerechten in soortgelijke gevallen wordt opgelegd. Wat betreft het witwassen en het voorhanden hebben van het doorgeladen vuurwapen heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Het oriëntatiepunt voor het witwassen van een bedrag tussen de € 70.000,- en € 125.000,- betreft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 tot 9 maanden of een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het voorhanden hebben van een vuurwapen in de zin van artikel 26 lid 1, categorie III, van de Wet wapens en munitie en munitie betreft het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden.

Kijkend naar de persoon van verdachte houdt de rechtbank ten nadele van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder ter zake van een soortgelijk feit is veroordeeld tot een forse taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf. Dit is weliswaar langer dan 5 jaar geleden, maar kennelijk heeft deze veroordeling hem er niet van weerhouden zich opnieuw met dergelijke strafbare feiten bezig te houden.

De rechtbank houdt er ten nadele van verdachte rekening mee dat verdachte het misdrijf witwassen heeft gepleegd tezamen met anderen en dat de wijze waarop, namelijk het in de publieke ruimte overdragen van een tas met geld, duidt op een georganiseerd verband.

Daarnaast houdt de rechtbank ten nadele van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte de onderhavige strafbare feiten heeft gepleegd tijdens de voorwaardelijke invrijheidstelling van een eerdere veroordeling, te weten de veroordeling van de rechtbank Oost-Brabant op 6 maart 2017.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, dient op de gevangenisstraf in mindering te worden gebracht.

Daarnaast is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat een geldboete ter hoogte van € 10.000,- subsidiair 85 dagen hechtenis passend en geboden is, om de verdachte te doordringen van de ernst van de bewezenverklaarde feiten en omdat verdachte de feiten heeft gepleegd met het oogmerk om er financieel beter van te worden.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen, te weten een revolver, vijf kogelpatronen, drie jammers en een zakje met witte ronde pillen, vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en/of van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerp, te weten een mobiele telefoon van het merk Samsung, aan verdachte, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van het in beslag genomen goed.

Gelet op het bepaalde in artikel 353 van het Wetboek van Strafvordering zal de rechtbank beslissen dat de in beslag genomen, niet teruggegeven personenauto van het merk Mercedes dient te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, nu op grond van de inhoud van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet onomstotelijk kan worden vastgesteld welke persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Motivering van de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling met V.I. zaaknummer 99-000394-50.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank komt tot volledige toewijzing van de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling, te weten voor de duur van 609 dagen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft bepleit dat de vordering moet worden afgewezen, omdat de vordering niet onverwijld is ingediend, zoals artikel 15i van het Wetboek van Strafrecht vereist.

Het oordeel van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering.

Door de verdediging is aangevoerd dat de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling niet onverwijld is ingediend en dat de vordering derhalve dient te worden afgewezen. De rechtbank overweegt dat onverwijld in de zin van artikel 15i van het Wetboek van Strafrecht geen vastomlijnd begrip is en dat de invulling van het begrip sterk afhankelijk is van de processuele context. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient de redelijkheid bij de beoordeling leidend te zijn. De rechtbank stelt vast dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling door het Openbaar Ministerie is ingediend op 6 mei 2020, ongeveer twee maanden na de aanhouding van verdachte op

2 maart 2020. In het kader van het politieonderzoek, dat ruim vier maanden heeft geduurd en waarin de rol van verdachte en (eventuele) medeverdachten diende te worden onderzocht, oordeelt de rechtbank dat naar redelijkheid niet zonder meer kan worden gezegd dat de periode van twee maanden in casu niet onverwijld was. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat door de periode van twee maanden tekort is gedaan aan enig rechtens te respecteren belang van verdachte. Door de verdediging is slechts naar voren gebracht dat de periode van twee maanden niet onverwijld is en de vordering derhalve dient te worden afgewezen. Nu artikel 15i van het Wetboek van Strafrecht geen nadere eisen stelt omtrent het begrip onverwijld en niet is gebleken dat verdachte door de periode van twee maanden op enigerlei wijze in zijn belangen is geschaad, is de rechtbank van oordeel dat de vordering voldoet aan de wettelijke eisen. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn verder geen andere omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

De rechtbank stelt vast dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. In hetgeen ter terechtzitting van 5 november 2020 aan de orde is gekomen en in de persoon van de veroordeelde ziet de rechtbank geen aanleiding om niet tot volledige herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling over te gaan. De rechtbank ziet ook geen reden om slechts gedeeltelijk tot herroeping over te gaan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

23, 24c, 36b, 36c, 47, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

26, 55 van de Wet wapens en munitie;

13a van de Opiumwet.

1, 2, 6 van de Wet op de economische delicten;

10.15

van de Telecommunicatiewet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. 01/993223-20 feit 1:medeplegen van witwassen.

t.a.v. 01/993223-20 feit 2:handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. t.a.v. 01/993312-20:overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.15, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, opzettelijk begaan.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen en maatregelen:

t.a.v. 01/993223-20 feit 1 en feit 2 en 01/993312-20:Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Een geldboete van € 10.000,- subsidiair 85 dagen hechtenis.

Beslissing met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen d.d. 8 oktober 2020 vermelde personenauto, merk Mercedes Benz, met goednummer [nummer 6] .

Gelast de teruggave aan verdachte van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen d.d. 8 oktober 2020 vermelde mobiele telefoon, merk Samsung, met goednummer [nummer 7] .

Gelast de onttrekking aan het verkeer van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen d.d. 8 oktober 2020 vermelde voorwerpen, te weten:

  • -

    1 revolver, merk Taurus 80 .38 special, met goednummer [nummer 8] ;

  • -

    5 kogelpatronen behorend bij bovenvermelde revolver, met goednummer [nummer 9] ;

  • -

    1 radiorichtingzoeker (jammer) inclusief autolader, met goednummer [nummer 2] ;

  • -

    1 radiorichtingzoeker (jammer), met goednummer [nummer 2] ;

  • -

    1 radiorichtingzoeker (jammer), met goednummer [nummer 2] ;

  • -

    1 plastic zakje met witte ronde pillen, met goednummer [nummer 10] .

De officier van justitie maakt kenbaar voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling met V.I-zaaknummer 99-000394-50.

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe. Gelast dat de vrijheidsstraf die als gevolg van de toepassing van de regeling voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog moet worden ondergaan, te weten voor de duur van 609 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.C.P.M. Valckx, voorzitter,

mr. I.S. Peskens en mr. C.J. Sangers- de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van mr. M.A.J. van der Heijden en mr. N.A. Schipper, griffiers,

en is uitgesproken op 19 november 2020.