Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:6933

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
SHE 19/3062
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/3062

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de minister voor Rechtsbescherming, de minister

(gemachtigde: mr. M. Ibrahim).

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft de minister een aanvraag van eiser om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Bij besluit van 12 november 2019 (het bestreden besluit) heeft de minister het door eiser daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft op 25 maart 2020 een verweerschrift ingediend.

De zaak zou aanvankelijk behandeld worden op een fysieke zitting van 10 april 2020, maar vanwege uitbraak van het coronavirus heeft de rechtbank die zitting niet laten doorgaan.

Eiser heeft op 6 augustus 2020 een pleitnota ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 20 augustus 2020 door middel van een

Skype-beeldverbinding. Eiser heeft deelgenomen aan de zitting. Namens de minister heeft zijn gemachtigde deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

Relevante regelgeving en beleidsregels

1. De relevante regelgeving en beleidsregels zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2. VZA International te Waalwijk (hierna: VZA) verzorgt de medische repatriëring van zieken en gewonden van en naar het buitenland, per ambulance of per vliegtuig wereldwijd. Daarnaast verzorgt VZA planbare ambulancezorg binnen Nederland en levert zij (internationaal) taxivervoer en vervangend chauffeurs. Een vervangend chauffeur kan worden ingezet om een auto, camper of caravan op te halen uit binnen- of buitenland. De heenreis van de vervangend chauffeur geschiedt meestal per openbaar vervoer. Soms wordt met een taxi of ambulance meegereden. De vervangend chauffeur rijdt zelfstandig het voertuig naar de opgegeven bestemming en draagt aldaar het voertuig weer over aan de eigenaar. Eiser, geboren op [geboortedag] 1952, wil aan het werk als vervangend chauffeur bij VZA. Voor deze functie is een VOG vereist.

3. Op 12 juni 2019 heeft eiser een VOG aangevraagd. Bij brief van 25 juni 2019 heeft de minister eiser meegedeeld dat hij voornemens is de VOG te weigeren. Hierop heeft eiser bij brieven van 27 juni 2019 en 13 juli 2019 zijn zienswijze gegeven. Vervolgens heeft de minister het primaire besluit genomen dat hij bij het bestreden besluit heeft gehandhaafd.

De besluitvorming van de minister

4. De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser in de terugkijktermijn van 20 jaar in aanraking met justitie is gekomen. Bij vonnis van 27 november 2001 is eiser veroordeeld wegens het seksueel binnendringen van het lichaam van een wilsonbekwame, ontucht met misbruik van gezag, verkrachting en ontucht met misbruik van gezag, meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf van drie jaren en ontzetting uit het recht tot uitoefening van zijn (toenmalige) beroep van fysiotherapeut voor de duur van acht jaren.

Indien herhaald in de hoedanigheid van chauffeur bij VZA, bestaat een risico voor de veiligheid en het welzijn van personen die eiser vervoert. Daarmee is voldaan aan het objectieve criterium.

Toetsing aan het subjectieve criterium leidt er niet toe dat toch een VOG aan eiser verstrekt moet worden. Hiervoor is in dit soort zaken alleen dan plaats indien de weigering van de VOG evident disproportioneel (onevenredig) is. In dit geval vindt de minister dat niet zo. Hierbij heeft de minister betrokken dat de strafrechter, gelet op de opgelegde gevangenisstraf, eiser de door hem gepleegde zedendelicten zwaar heeft aangerekend. De minister heeft bij zijn afweging verder betrokken dat eiser de zedendelicten heeft begaan in de uitoefening van zijn (toenmalige) beroep van fysiotherapeut. De minister vindt dat van een professioneel hulpverlener, zoals eiser toen was, verwacht mag worden dat hij zich bewust is van de ernst en de consequenties van de door hem gepleegde zedendelicten. De minister heeft bij zijn afweging verder betrokken dat weliswaar sprake is van één justitieel gegeven, het vonnis van 27 november 2001, maar dat dit vonnis wel betrekking heeft op meerdere zedendelicten die zijn gepleegd over een periode van een aantal jaar. Dat de feiten dateren van 18 jaar geleden, kan niet in het voordeel van eiser spreken. De stelling van eiser dat hij van 2003 tot 2018 een glanzende carrière heeft gehad bij de provincie

Noord-Brabant, biedt onvoldoende aanleiding om te kunnen concluderen dat de kans op herhaling niet meer aanwezig is. In het overgelegde getuigschrift van de provincie staat alleen hoe lang eiser in dienst is geweest en wat zijn laatste functie inhield. De overgelegde verklaringen van oud-collega’s zijn niet ondertekend. Dat eiser samen met zijn partner in een vrijwilligersfunctie voor de [bedrijf] werkzaam is geweest, en dat deelnemers, het management en collega’s hem waardeerden, is niet onderbouwd. Evenmin heeft eiser zijn stelling onderbouwd dat in de Pro Justitia rapportages van 2001 geen gedragsstoornis is vastgesteld en dat er geen recidivegevaar is. Aan het aanbod van eiser om een RISC van Reclassering Nederland te ondergaan gaat de minister voorbij, omdat hij voldoende gegevens heeft om tot een gemotiveerd oordeel te komen.

Het beroep en de beoordeling hiervan

5. Op de zitting is komen vast te staan dat eiser niet bestrijdt dat is voldaan aan het objectieve criterium. Eiser betwist echter wel dat is voldaan aan het subjectieve criterium. Eiser vindt dat de weigering van de minister om hem een VOG te verstrekken evident onevenredig is, gelet op alle omstandigheden van het geval. De minister had hem daarom, ondanks de vaststelling van een objectief risico, een VOG moeten verstrekken. Eiser heeft er onder meer op gewezen dat hij in februari 2003, toen hij nog in detentie zat, is aangenomen bij de provincie Noord-Brabant en tot aan zijn pensionering een loopbaan heeft opgebouwd van medewerker tot leidinggevende. Hij verwijst daarbij naar de overgelegde verklaringen van collega’s. Ook is eiser van eind 2003 tot medio 2006 werkzaam geweest als sportverzorger bij [voetbalvereniging] . Uit de verklaringen van de toenmalige voorzitter blijkt een succesvolle en probleemloze periode. Sinds 2012 zijn eiser en zijn partner reisbegeleider bij de [bedrijf] . Dat gaat ook probleemloos. De minister gaat slechts uit van oude feiten. Eiser is veroordeeld voor zedendelicten die hij heeft gepleegd in de periode van juni 1989 tot eind 1995. Het gaat dus om zedendelicten die al bijna 25 jaar en langer geleden zijn gepleegd. Eiser heeft er verder op gewezen dat in het vonnis is overwogen dat hij geen persoonlijkheidsstoornis heeft. Er bestaat dus geen kans op recidive. Overigens heeft eiser aangeboden mee te werken aan een nieuw onderzoek naar recidivegevaar door de reclassering (een RISC-onderzoek). Eiser begrijpt niet waarom de minister niets met dit aanbod heeft gedaan.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. In paragraaf 3.3.2 van de Beleidsregels staat dat een verscherpt toetsingskader geldt indien de aanvrager van de VOG in de twintig jaren voorafgaand aan het moment van beoordeling ter zake van een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in deze beleidsregels in ieder geval éénmaal is veroordeeld tot een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf en/of (on)voorwaardelijke TBS. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 14 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:871) overwogen dat wat betreft het verscherpt toezichtskader mag worden uitgegaan van een terugkijkperiode van twintig jaar. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat, in aanmerking genomen de in de Beleidsregels vermelde belangen die onder meer zijn gelegen in het beschermen van een veilige omgeving voor personen in een afhankelijkheidsrelatie, in redelijkheid tot het vaststellen van deze terugkijktermijn kon worden gekomen. De Afdeling vindt een termijn van twintig jaar daarom niet willekeurig gekozen. Het is volgens de Afdeling echter niet zo dat de gehele terugkijktermijn moet zijn verstreken voordat tot afgifte van een VOG kan worden overgegaan. Het subjectieve criterium zoals neergelegd in de Beleidsregels gaat er immers van uit dat, indien binnen de terugkijktermijn een justitieel gegeven is aangetroffen, onder omstandigheden en gelet op de af te wegen belangen toch een VOG kan en moet worden verleend. Het moet dan gaan om omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de weigering van de VOG in dit geval evident disproportioneel is.

8. Op zich kan de minister worden toegegeven dat ten tijde van de beoordeling in het bestreden besluit er nog geen 20 jaren waren verstreken sinds het vonnis van 27 november 2001 en in zoverre de terugkijktermijn nog niet was verstreken. Ook staat vast dat de strafrechter, gelet op de opgelegde gevangenisstraf, eiser de door hem gepleegde zedendelicten zwaar heeft aangerekend. Eiser heeft de zedendelicten in de uitoefening van zijn (toenmalige) beroep van fysiotherapeut gepleegd over een lange reeks van jaren ten aanzien van meerdere vrouwelijke patiënten.

9. Desondanks kan de rechtbank de minister niet volgen in zijn motivering dat de weigering van de VOG in dit geval niet evident disproportioneel is.

10. Allereerst zijn er tussen de door de minister ten tijde van het bestreden besluit verrichte toetsing en het vonnis van 27 november 2001 nagenoeg 18 jaar verstreken. Ook wijst de rechtbank erop dat, zoals uit het strafvonnis blijkt, de zedendelicten waarvoor eiser is veroordeeld, bijna 25 jaar of nog langer geleden zijn gepleegd op het moment van die toetsing. Anders dan de minister kennelijk doet voorkomen, is het niet zo dat de gehele terugkijktermijn moet zijn verstreken voordat tot afgifte van een VOG kan worden overgegaan.

11. Bovendien valt niet in te zien dat er bij eiser nog een risico bestaat dat hij zedendelicten zal plegen als hij als vervangend chauffeur vrouwelijke personen gaat vervoeren, gelet op de hierna onder 12 en 13 vermelde omstandigheden.

12. Vast staat dat eiser van mei 2003 tot 1 januari 2018 werkzaam is geweest bij de provincie Noord-Brabant, zoals ook blijkt uit het overgelegde getuigschrift van [naam] , manager van de eenheid Informatiemanagement en ICT van de provincie

Noord-Brabant. Hierbij heeft eiser op de zitting de volgende onweersproken toelichting gegeven. Hij is begonnen als medewerker personeelszaken. Na enige tijd werd hij secretaris van een projectgroep die zich bezig hield met de ontwikkeling van een industrieterrein. Later is eiser aan de slag gegaan bij de afdeling ICT Beheer. Op enig moment is eiser teamleider ICT Beheer geworden. In die hoedanigheid heeft eiser leiding gegeven aan zo’n tien collega’s, ook aan vrouwen. Eiser heeft ook sturing gegeven aan andere ICT-ers. Eiser heeft gedurende 9 maanden op interim-basis gefungeerd als hoofd van de afdeling ICT Beheer. In die hoedanigheid heeft eiser leiding gegeven aan zo’n 50 collega’s, ook aan vrouwen. In zijn functie van teamleider en (interim) afdelingshoofd heeft eiser beoordelingsgesprekken gevoerd, één-op-één, ook met vrouwelijke collega’s. Eiser heeft verklaringen overgelegd van vrouwelijke oud-collega’s waarmee hij heeft samengewerkt. Die collega’s hebben zich positief uitgelaten over eiser. Oud-collega [naam] , projectleider ICT, heeft verklaard dat eiser vanaf het begin van hun samenwerking open en eerlijk is geweest over zijn verleden. [naam] heeft verder verklaard dat eiser zich naar haar of andere collega’s nooit ongepast heeft gedragen. [naam] heeft eiser onder meer getypeerd als integer. Een andere oud-collega, [naam] , heeft verklaard dat zij op de hoogte was van eisers verleden. Daarnaast heeft zij verklaard dat eiser altijd een luisterend oor had en een goede sparringpartner was die goede adviezen gaf, niet alleen over het werk, maar ook over privézaken. [naam] heeft verder verklaard dat zij zich bij eiser nooit ongemakkelijk heeft gevoeld. Ook een andere oud-collega, [naam] , heeft zich in positieve bewoordingen uitgelaten over eiser. De minister heeft op de zitting laten weten uit te gaan van de echtheid en inhoud van deze verklaringen. De minister heeft in zoverre zijn tegenwerping laten vallen dat de verklaringen niet zijn ondertekend.

13. Verder blijkt gelet op het verhandelde ter zitting dat de minister ook niet (meer) het volgende betwist. Eiser is sportverzorger geweest bij [voetbalvereniging] van 2003 tot 2006 en was destijds verantwoordelijk voor de sportmedische begeleiding van ook vrouwenteams. Zoals blijkt uit een overgelegde verklaring van [naam] , hoofdtrainer van [voetbalvereniging] in de periode 2002-2006, heeft [naam] nooit een klacht heeft ontvangen over verzorging en/of bejegening door eiser van leden van [voetbalvereniging] .

Verder is eiser, samen met zijn partner, sinds 2012 als vrijwilliger reisbegeleider bij [bedrijf] . Deelnemers aan de door [bedrijf] georganiseerde reizen en het management en collega’s van de [bedrijf] waarderen hem positief.

14. Voor zover de minister nog twijfels erover had dat eiser geen zedendelicten zal plegen, was het bij deze stand van zaken aan de minister om uit oogpunt van zorgvuldigheid Reclassering Nederland in te schakelen voor een onderzoek naar recidivegevaar bij eiser. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister op de zitting heeft laten weten dat in VOG-kwesties in voorkomende gevallen een dergelijk, zogeheten RISC-onderzoek wordt verricht.

15. De rechtbank vindt dat de minister het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig heeft voorbereid en dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is dus gegrond. De minister moet opnieuw op het bezwaar beslissen, met inachtneming van wat hiervoor is overwogen. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet meer toe aan een bespreking van de overige beroepsgronden van eiser.

16. Nu het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat de minister het door eiser betaalde griffierecht vergoedt. Er bestaat geen aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten. Er is namelijk niet gebleken dat eiser voor de behandeling van het beroep kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de minister met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar moet nemen;

  • -

    draagt de minister op het door eiser betaalde griffierecht van € 174 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D.M. Michael, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.R. Leegsma, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 5 november 2020.

rechter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 3:46

Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Artikel 7:12, eerste lid

De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. (…).

Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: de Wjsg)

Artikel 28

Een verklaring omtrent het gedrag is een verklaring van Onze Minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Artikel 35, eerste lid

Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Beleidsregels VOG-NP-RP 2018 (hierna: de Beleidsregels)

Paragraaf 3.2.

De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Het objectieve criterium bestaat uit de volgende elementen die hieronder nader worden uitgewerkt:

1. justitiële gegevens (strafbaar feit);

2. indien herhaald;

3. risico voor de samenleving en

4. een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid.

Paragraaf 3.2.3.

Bij de vaststelling van het risico voor de samenleving wordt een onderverdeling gemaakt in risico's voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties, proces, aansturen organisatie en personen. Met behulp van een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen worden de risico's nader uitgewerkt. Op basis hiervan kan worden beoordeeld of een justitieel gegeven als relevant moet worden beschouwd voor het doel van de aanvraag.

Paragraaf 3.3. Het subjectieve criterium

Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. (…).

Paragraaf 3.3.1. Omstandigheden van het geval

Het subjectieve criterium ziet op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn:

- de afdoening van de strafzaak;

- het tijdsverloop;

- de hoeveelheid antecedenten.

(…).

Paragraaf 3.3.2. Subjectief criterium – misdrijven tegen de zeden in combinatie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie of specifieke locatie

Bij misdrijven tegen de zeden als bedoeld in deze beleidsregels bestaat slechts zeer beperkte ruimte om op basis van het subjectieve criterium alsnog over te gaan tot de afgifte van een VOG wanneer sprake is van een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie en een belemmering wordt aangenomen voor een behoorlijke uitoefening van de taak of bezigheid. Dit geldt ook wanneer op grond van de locatie, vanwege de aanwezigheid van kwetsbare personen een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie wordt aangenomen. In de hieronder genoemde gevallen geldt een verscherpt toetsingskader waarin als uitgangspunt wordt genomen dat de VOG wordt geweigerd.

1. (…)

2. De aanvrager is in de twintig jaren voorafgaand aan het moment van beoordeling ter zake van een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in deze beleidsregels éénmaal veroordeeld tot:

− een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf,

− (on)voorwaardelijke TBS,

− (on)voorwaardelijke jeugddetentie,

− een (on)voorwaardelijke PIJ, plaatsing in een tuchtschool of APZ en/of

− een (on)voorwaardelijke taakstraf.

3. (…).

De VOG kan in deze gevallen enkel worden afgegeven indien de weigering van de VOG evident disproportioneel is. Of de weigering evident disproportioneel is, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.