Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:672

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-02-2020
Datum publicatie
19-02-2020
Zaaknummer
18/3148
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Indienen verweerschrift buiten termijn van artikel 8:42 Awb. In strijd met goede procesorde? Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-02-2020
V-N Vandaag 2020/413
FutD 2020-0558
V-N 2020/28.32.22
NLF 2020/0529 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/3148

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2020 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: A. Oosters),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.M.T. Klaassen).

Procesverloop

Bij beschikking van 28 februari 2018, vervat in een op die datum gedagtekend aanslagbiljet, heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] (hierna: het appartement), per waardepeildatum 1 januari 2017, voor het kalenderjaar 2018, vastgesteld op € 293.000. In dit geschrift is tevens de aanslag onroerende-zaakbelastingen (OZB) voor het kalenderjaar 2018 bekend gemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar van 2 november 2018 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder de waarde van de woning verlaagd naar € 275.000 en tevens de daarop gebaseerde aanslag dienovereenkomstig verminderd.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting is aangevangen op 19 september 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die vergezeld was van kantoorgenoot

[naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die vergezeld was van taxateur C. Kronenberg.

De rechtbank heeft de behandeling op de zitting geschorst.

Eiser heeft daarna twee keer een nadere schriftelijke reactie, gedateerd 24 september 2019 (met bijlagen) respectievelijk 16 december 2019, ingediend.

Verweerder heeft per brief gedateerd 18 december 2019, bij de rechtbank blijkens de poststempel ingekomen op 31 december 2019, gereageerd op eisers brief van
24 september 2019.

Het onderzoek op de zitting is voortgezet op 7 januari 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door kantoorgenoten van zijn gemachtigde ( [naam] en
). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die vergezeld was van taxateur W. Lemckert. Ten aanzien van de brief van verweerder gedateerd 18 december 2019, ingekomen op de zevende dag voor de zitting, althans voor zover de rechtbank dat kan zien, heeft de rechtbank op de zitting na bezwaar zijdens eiser bepaald dat deze buiten beschouwing wordt gelaten.

Overwegingen

Vooraf: het verweerschrift met bijlagen

1. Verweerder heeft een verweerschrift met bijlagen (waaronder een taxatierapport) ingediend. Dit verweerschrift met bijlagen is blijkens de poststempel bij de rechtbank ingekomen op 10 september 2019. Het verweerschrift met bijlagen is dus bij de rechtbank ingekomen op de negende dag voor de zitting.

2. Eisers gemachtigde heeft op de zitting van 19 september 2019 verzocht om het verweerschrift met bijlagen buiten beschouwing te laten op de grond dat het niet tijdig is ingediend. Daarbij is, samengevat, verwezen naar artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin voor zover nu van belang is bepaald: “Binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter en kan het een verweerschrift indienen.”. Eisers gemachtigde voert aan dat uit dit wetsartikel blijkt dat het verweerschrift binnen vier weken na indiening van het beroepschrift had moeten worden ingediend. Artikel 8:58 van de Awb is volgens eisers gemachtigde niet van toepassing; een verweerschrift is geen ‘nader stuk’ dat tot tien dagen voor de zitting kan worden ingediend. Op een vraag van de rechtbank deelde eisers gemachtigde mee dat hij is benadeeld in zijn procespositie, omdat hij niet meer had kunnen overleggen met zijn taxateur.

3. Op de zitting van 19 september 2019 heeft de rechtbank na een korte schorsing meegedeeld dat en waarom zij het verweerschrift met bijlagen toelaat. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op de zitting geschorst om eiser(s) (gemachtigde) in de gelegenheid te stellen het verweerschrift met bijlagen (nader) te bestuderen en desgewenst te bespreken met een taxateur.

4. In zijn brief van 24 september 2019 heeft eisers gemachtigde herhaald dat het verweerschrift met bijlagen buiten beschouwing zou moeten worden gelaten. De termijn genoemd in artikel 8:42 van de Awb betreft volgens eisers gemachtigde een termijn van openbare orde die de rechtbank moet respecteren.

5. In zijn brief van 16 december 2019 heeft eisers gemachtigde wederom vooropgesteld dat het verweerschrift met bijlagen buiten beschouwing zou moeten worden gelaten. Hij heeft er nog op gewezen dat pas op 30 juli 2019 een inpandige opname heeft plaatsgevonden en een taxatierapport is opgesteld. Dit terwijl op grond van artikel 8:42 van de Awb uiterlijk op 14 januari 2019 een verweerschrift had moeten worden ingediend, indien verweerder een verweerschrift wilde indienen. Volgens eisers gemachtigde heeft verweerder op die manier een groot processueel voordeel geboekt. Enkel voor het geval de rechtbank het verweerschrift met bijlagen niet buiten beschouwing laat, heeft eisers gemachtigde inhoudelijk op het verweerschrift gereageerd. De rechtbank zou in dat geval extreem zware (bewijs)eisen moeten stellen aan verweerders onderbouwing.

6. Verweerders gemachtigde heeft zich op het standpunt gesteld dat zij het verweerschrift al op 9 september 2019 bij de rechtbank heeft ingediend en een verweerschrift geen stuk is als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb, maar als bedoeld in artikel 8:58 van de Awb. Nu de behandeling tijdens de eerste zitting is aangehouden om eiser in de gelegenheid te stellen het verweerschrift met bijlagen (nader) te bestuderen en gezien het belang van waarheidsvinding, kan verweerder eisers opstelling niet goed plaatsen. Verweerders gemachtigde bestrijdt dat verweerder bewust de procesgang beoogd te frustreren; er was sprake van een capaciteitsgebrek die eerdere indiening verhinderde.

7. De rechtbank wijst eisers (herhaalde) verzoek om het verweerschrift met bijlagen buiten beschouwing te laten af. Zij overweegt daartoe, onder meer met verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 november 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:4748) als volgt.

8. Juist is dat verweerder zijn verweerschrift met bijlagen buiten de termijn van artikel 8:42 van de Awb heeft ingediend. Het verweerschrift is daarmee buiten de daarvoor geldende termijn ingediend. In zoverre is de rechtbank het met eiser eens.

9. Dat gegeven maakt echter naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat het verweerschrift met bijlagen moet worden geweigerd. De wet dwingt daar niet toe. Van een fatale termijn is geen sprake. Hier volgt de rechtbank eiser dus niet. Artikel 8:42 van de Awb heeft tot doel een behoorlijk verloop van de beroepsprocedure te waarborgen. Datzelfde geldt overigens voor artikel 8:58 van de Awb. Ook wanneer de indiening van het verweerschrift met bijlagen langs de lat van artikel 8:58 van de Awb wordt gelegd, moet worden geconcludeerd dat indiening buiten de termijn heeft plaatsgevonden. Ook hier dwingt dat echter niet tot het zonder meer buiten beschouwing laten van het verweerschrift met bijlagen.

10. De rechtbank toetst uiteindelijk aan de goede procesorde. De rechtbank zal een afweging moeten maken tussen enerzijds het belang bij het alsnog overleggen van, in dit geval, een verweerschrift met bijlagen en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang, het belang van hoor en wederhoor, etc.

11. In dit geval ziet de rechtbank onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding te oordelen dat de eisen van een goede procesorde maken dat het verweerschrift met bijlagen buiten beschouwing moet worden gelaten. Bij dat oordeel heeft de rechtbank de aard van de zaak betrokken (het betreft een reguliere, niet al gezien bijvoorbeeld het soort object complexe WOZ-zaak), het feit dat eiser wordt bijgestaan door een professionele gemachtigde, het niet een zeer omvangrijk en/of ingewikkeld verweerschrift met bijlagen betreft, het een voor de beoordeling relevant stuk betreft, het belang van het kunnen geven van een zo gefundeerd mogelijk inhoudelijk oordeel, het voorkomen van hoger beroep op formele grond en het feit dat de rechtbank de behandeling op de eerste zitting heeft aangehouden om te borgen dat eiser genoeg tijd heeft verweerders stukken te bestuderen en/of met zijn gemachtigde en/of een taxateur te overleggen. Tussen de eerste en de tweede zitting zijn enkele maanden verstreken. Eiser heeft dus tijd gehad om verweerders stukken te bestuderen en heeft daar uiteindelijk ook schriftelijk en mondeling op de tweede zitting op gereageerd. De rechtbank deelt niet de visie van eisers gemachtigde dat door de behandeling op de eerste zitting aan te houden nooit kan worden bewerkstelligd dat sprake is van een goede procesorde en/of gelijkwaardige procespositie. Wat de eisen van een goede procesorde in een concrete zaak behelzen, hangt mede af van de gang van zaken in die zaak. Waar uiteindelijk beide partijen goed de gelegenheid hebben gehad elkaars standpunt tot zich te nemen en daarop te reageren, is in dat opzicht sprake van een gelijkwaardige procespositie. De rechtbank deelt dan ook niet eisers standpunt dat de rechtbank geen oog heeft voor de gelijkwaardigheid van de procesposities van partijen. Dat verweerder willens en wetens het verweerschrift zo laat mogelijk heeft ingediend met het enkele doel processueel voordeel te behalen, zoals eisers gemachtigde betoogt, is de rechtbank overigens geenszins gebleken. Dat laat onverlet dat de handelwijze van verweerder in deze zaak niet efficiënt en om die reden ook onwenselijk te noemen is.

11. Het verweerschrift met bijlagen behoort dus tot de gedingstukken. Voor eisers betoog dat de gang van zaken moet leiden tot een verzwaarde bewijsplicht voor verweerder ziet de rechtbank rechtsgrondslag noch aanleiding.

Feiten

13. Eiser is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een appartement op de derde verdieping van een appartementengebouw in [plaats] , wijk [naam] , dat gebouwd is in 1997. Het appartement heeft een inhoud van circa 362 m³, een garage van circa 47 m³ en een balkon van circa 14 m².

Geschil en beoordeling

14. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2017.

15. Eiser bepleit (uiteindelijk) een waarde van € 252.000. Hij verwijst ter onderbouwing naar de aangepaste taxatiekaart die bij de brief van zijn gemachtigde van 16 december 2019 is overgelegd.

16. Verweerder verwijst ter onderbouwing van de vastgestelde waarde (€ 275.000) naar de getaxeerde waarde (€ 282.000), zoals opgenomen in het in beroep overgelegde taxatierapport van 30 juli 2019 van taxateur W. Lemckert.

17. Op verweerder rust de last te bewijzen dat de door hem in beroep verdedigde waarde niet te hoog is. De beantwoording van de vraag of verweerder aan deze bewijslast heeft voldaan, hangt mede af van wat door eiser is aangevoerd.

18. De rechtbank stelt vast dat op de zitting van 7 januari 2020 is gebleken dat partijen niet langer van mening verschillen over de objectkenmerken. De rechtbank gaat daarom met partijen uit van de juistheid van de door verweerder in zijn taxatierapport en waardematrix opgenomen objectkenmerken.

19. Verweerder heeft de door hem vastgestelde waarde in beroep onderbouwd met de volgende vergelijkingsobjecten: [adres] en [adres] en [nummer] , drie appartementen gelegen in [plaats] in de wijk [naam] . De vergelijkingsobjecten zijn verkocht (ruim) minder dan een jaar van de waardepeildatum en verweerder heeft de koopsommen geïndexeerd naar de waardepeildatum. Qua inhoud liggen het appartement en de vergelijkingsobjecten voldoende dicht bij elkaar om te kunnen worden gebruikt als vergelijkingsobject (362 m³ voor het appartement en 321 m³, 368 m³ respectievelijk 382 m³ voor de vergelijkingsobjecten). Voor de objectonderdelen garage en berging heeft verweerder vaste prijzen per m³ gehanteerd. De hiervoor gebruikte staffel is in het taxatierapport opgenomen. Wat de objectonderdelen betreft komen de vergelijkingsobjecten de rechtbank bruikbaar voor. Aan verweerders waardematrix kan worden ontleend dat verweerder verschillen ziet tussen het appartement en de vergelijkingsobjecten wat betreft objectonderdelen (die zijn gesplitst en apart gewaardeerd), grootte (waarvoor is gecorrigeerd) en wat betreft voorzieningen en (deels) kwaliteit (waarvoor is gecorrigeerd). Ter onderbouwing heeft verweerder een korte toelichting gegeven en stukken (verkoopdocumentatie) overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerders onderbouwing in zoverre niet op onjuiste uitgangspunten berust.

20. Het inhoudelijke geschil spitst zich toe op twee punten.

21. Het eerste punt betreft eisers betoog dat verweerder ten onrechte heeft verzuimd rekening te houden met het aandeel onderhoudsreserve in de Vereniging van Eigenaren (VvE) binnen de transacties van de vergelijkingsobjecten. Verweerders taxateur heeft op de zitting van 7 januari 2020 erkend dat hij in zijn bij het taxatierapport gevoegde waardematrix niet het aandeel onderhoudsreserve in de VvE uit de koopsommen heeft gehaald. Volgens verweerders taxateur hoeft dat ook niet. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat dit wel moet, heeft verweerders taxateur op de zitting van 7 januari 2020 een aangepaste waardematrix overgelegd, waarbij het aandeel onderhoudsreserve in de VvE wel uit de koopsommen is gehaald. Verweerder komt dan tot een lagere waarde (€ 278.830) voor eisers appartement dan de eerder getaxeerde waarde (€ 282.000), maar nog altijd hoger dan de vastgestelde waarde (€ 275.000).

22. De rechtbank is met eiser van oordeel dat bij toepassing van de vergelijkingsmethode de invloed van de aanwezigheid van de onderhoudsreserve in een VvE moet worden uitgeschakeld door het gedeelte van de koopsom dat aan die reserve kan worden toegerekend buiten beschouwing te laten. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van
8 september 1993 (ECLI:NL:HR:1993:ZC5446), bevestigd in ECLI:NL:HR:2010:BL7268. Ter illustratie verwijst de rechtbank nog naar het arrest van gerechtshof Den Haag van
30 oktober 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:2863). In zoverre heeft verweerders taxateur dan ook aanvankelijk een onjuiste maatstaf aangelegd. In zijn op de zitting van 7 januari 2020 overgelegde waardematrix heeft verweerders taxateur echter wel de juiste maatstaf aangelegd. Met hantering van de juiste maatstaf op dit punt ziet de rechtbank gezien de waardematrix nog geen aanleiding te oordelen dat verweerder niet aannemelijk zou hebben gemaakt dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.

23. Het tweede punt betreft verweerders waardering van de parkeerplaatsen bij de vergelijkingsobjecten [adres] en [nummer] . Verweerder heeft de parkeerplaatsen getaxeerd op elk € 7.200. Volgens eiser is dit veel te laag. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij een zijdens zijn gemachtigde opgesteld overzicht overgelegd, waarin volgens eiser veertien verkopen van parkeerplaatsen in [plaats] in de periode van 21 mei 2014 tot en met 22 mei 2019 worden weergegeven. De genoemde bedragen variëren van € 11.000 tot € 29.000, na indexatie van € 12.000 tot € 35.000. Hierover heeft verweerders taxateur op de zitting van 7 januari 2020 gezegd dat hij na lang zoeken twee verkoopcijfers heeft gevonden van parkeerplaatsen uit dezelfde wijk als eisers appartement: één uit 2012 (€ 11.500) en één uit 2013 (€ 8.500). Het betrof twee vrij verkoopbare parkeerplaatsen. Volgens verweerder zijn de parkeerplaatsen behorende bij de vergelijkingsobjecten [adres] en [nummer] niet vrij verkoopbaar, waardoor verweerders taxateur terecht van een lagere waarde is uitgegaan. Tot slot voert verweerders taxateur aan, dat zelfs als verweerder een waarde van € 13.000 per stuk aan de parkeerplaatsen zou toekennen, de waarde voor eisers appartement dan uitkomt op € 275.288, dus nog altijd hoger dan de vastgestelde waarde.

24. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd, mede in het licht van de toelichting van verweerders taxateur, onvoldoende grond om te twijfelen aan verweerders onderbouwing. De rechtbank beschikt niet over onderliggende gegevens ter zake de transacties die eiser heeft genoemd. Op de zitting is namens eiser verklaard dat de genoemde gegevens uit het systeem komen dat gebruikt wordt door makelaars. Die toelichting acht de rechtbank niet toereikend. Het is de rechtbank niet duidelijk of en zo ja waarom de door eiser genoemde transacties vergelijkbaar en dus bruikbaar zijn in het kader van de taxatie van de parkeerplaatsen bij twee van de drie door verweerder gebruikte vergelijkingsobjecten. Verweerder heeft bijvoorbeeld terecht opgemerkt dat het ertoe doet of een parkeerplaats in het centrum van [plaats] is gelegen of aan de rand van [plaats] . Ook volgt uit eisers betoog niet direct dat als hij zou worden gevolgd in zijn standpunt dat de parkeerplaatsen te laag zijn gewaardeerd, verweerder dus de eindwaarde voor eisers appartement te hoog heeft vastgesteld.

24. Voor zover eisers gemachtigde in zijn reactie van 16 december 2019 over verweerders onderbouwing heeft opgemerkt dat er verder een heleboel taxatietechnische aannames zitten die te bediscussiëren zijn, geldt dat deze niet nader geconcretiseerde opmerking de rechtbank geen aanleiding geeft te twijfelen aan verweerders onderbouwing.

26. Voorgaande overwegingen leiden de rechtbank tot de conclusie dat verweerder met het door hem overgelegde taxatierapport met bijlagen in de op hem rustende bewijslast is geslaagd. De rechtbank is om die reden van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de voor het appartement per waardepeildatum 1 januari 2017 vastgestelde waarde van € 275.000 niet te hoog is.

27. Eiser heeft de door hem bepleite waarde van € 252.000 onderbouwd aan de hand van de aangepaste taxatiekaart zoals overgelegd bij de brief van zijn gemachtigde van
16 december 2019. Eiser heeft als vergelijkingsobjecten gebruikt [adres] en [adres] en [nummer] , drie appartementen gelegen in [plaats] in de wijk [naam] . De vergelijkingsobjecten zijn verkocht minder dan een jaar van de waardepeildatum en eisers taxateur heeft de koopsommen geïndexeerd naar de waardepeildatum. Eisers taxateur heeft vervolgens, zo is op de zitting verklaard, het aandeel onderhoudsreserve in de VvE uit de koopsommen gehaald en het resterende bedrag toegerekend aan de objectonderdelen. De objectonderdelen zijn uitgesplitst en inzichtelijk is welke waarde aan de diverse objectonderdelen is toegekend. In zoverre berust eisers waardeonderbouwing niet op onjuiste uitgangspunten. De rechtbank is echter met verweerder van oordeel dat eiser met zijn taxatiekaart niet voldoende inzicht heeft geboden in zijn waardeopbouw, gelet op het volgende.

28. Eisers taxateur hanteert in zijn taxatiekaart de zogenoemde KOLDU-scores en scores voor ligging. Deze scores kennen een schaal die loopt van 1 tot en met 9. Een punt verschil in de KOLDU-score leidt tot een correctie van 3% op de m³-prijs en een punt verschil in de ligging tot een correctie van 10%. Een dergelijk fijnmazig systeem van correcties veronderstelt dat de taxateur nauwkeurig deze correcties kan bepalen. Eiser heeft echter geen voldoende concrete toelichting verschaft en/of gegevens overgelegd van de vergelijkingsobjecten en ook geen inzicht geboden in de wijze waarop de KOLDU-scores precies worden bepaald. Het verstrekken van dat inzicht had wel in de rede gelegen, omdat deze scores mede bepalend zijn voor de waarde die eiser bepleit. Dit betekent dat eiser, op wie de bewijslast rust van de door hem voorgestane waarde, met zijn taxatiekaart naar het oordeel van de rechtbank zijn bepleite waarde niet aannemelijk heeft gemaakt.

29. Het beroep is ongegrond.

30. De rechtbank ziet in de gang van zaken aanleiding voor een gedeeltelijke proceskostenveroordeling. Aan de zijde van eiser is sprake van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De kosten gemaakt voor de zitting van
7 januari 2020 komen voor vergoeding in aanmerking (€ 525). Het betreft kosten die eiser in verband met de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs extra heeft moeten maken als gevolg van het handelen van verweerder. De zaak is inhoudelijk pas op de zitting van
7 januari 2020 besproken.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 525.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Boekhorst, rechter, in aanwezigheid van
mr. drs. H.M.G. Duijsters, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op
10 februari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te [plaats] . Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.