Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:6282

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
C/01/355606 / FA RK 20-604
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank gaat in op de wijze van procederen in deze zaak en vindt de proceshouding kwalijk.

Moeder is kennelijk al op enig moment na indiening van het verzoekschrift duidelijk dat een regeling in der minne tot de mogelijkheden zou moeten behoren. Voor zover dat haar niet duidelijk was, had vader dat in ieder geval na de indiening van het verweerschrift duidelijk kunnen en moeten zijn.

Desondanks hebben de advocaten van partijen ervoor gekozen om het op een mondelinge behandeling aan te laten komen, in plaats van de zaak onderling te regelen. Waarom die keuze is gemaakt, is ook tijdens de mondelinge behandeling niet duidelijk geworden.

Beide advocaten zijn werkzaam in het arrondissement Oost-Brabant en weten derhalve (of zouden moeten weten) dat de rechtbank te kampen heeft met behoorlijke achterstanden. Door ervoor te kiezen deze zaak niet onderling te regelen - wat evident eenvoudig mogelijk was en waartoe advocaten op grond van gedragsregel 5 in beginsel ook gehouden zijn - maar het te laten aankomen op de mondelinge behandeling houden de advocaten zo schaarse zittingscapaciteit bezet. Andere rechtzoekenden moeten nu langer wachten op een mondelinge behandeling terwijl de noodzaak voor een mondelinge behandeling in deze zaak ontbrak als de zaak op voorhand zou zijn geregeld.

Zeker in deze tijd, waarin de Coronacrisis zorgt voor nog meer achterstanden, hebben de rechtspraak en de advocatuur een gezamenlijke verantwoordelijkheid, ook zaaksoverstijgend, om ervoor te zorgen dat alle rechtzoekenden zo goed en snel als mogelijk geholpen worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/60
Prg. 2021/44 met annotatie van P.J.M. Ros
RFR 2021/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/355606 / FA RK 20-604

Uitspraak : 14 december 2020

Beschikking over gezag en zorgregeling in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. [X] ,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. [Y] ,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de vader en de moeder.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • -

    het verzoekschrift van de vader, ontvangen op de griffie op 30 januari 2020;

  • -

    het verweerschrift van de moeder.

1.2.

De zaak is mondeling behandeld op 17 november 2020. Verschenen zijn partijen en hun advocaten, alsook [naam] namens de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben met elkaar samengewoond. De relatie van partijen is in [maand/jaar] verbroken.

2.2.

Uit de inmiddels verbroken relatie tussen partijen zijn de navolgende minderjarigen geboren:

  • -

    [minderjarige A] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

  • -

    [minderjarige B] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .

2.3.

De vader heeft [minderjarige A] en [minderjarige B] erkend.

2.4.

De moeder heeft het gezag over [minderjarige A] en [minderjarige B] en bij haar hebben zij ook het hoofdverblijf.

2.5.

De vader en de moeder hebben een ouderschapsplan ondertekend.

3. Het verzoek en het verweer

3.1.

De vader verzoekt op de gronden en op de wijze als in het verzoekschrift omschreven om hem ook te belasten met het ouderlijk gezag. Verder verzoekt hij om een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen, waarbij vader contact heeft met de kinderen:

  • -

    een weekend per veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 18:30 uur;

  • -

    twee middagen door de week, in onderling overleg te bepalen, voor zover de werkzaamheden van vader en zijn woonplaats het toelaten;

  • -

    de helft van de vakanties, voor zover de werkzaamheden van vader het toelaten;

  • -

    de helft van de feestdagen.

3.2.

De moeder voert hiertegen op de gronden en op de wijze als in het verweerschrift omschreven verweer.

4 De beoordeling

Gezag

4.1.

Vader voert aan dat er geen reden is om zijn verzoek over het gezag af te wijzen. Moeder voert geen verweer tegen het verzoek. Zij geeft aan dat zij vader al te kennen heeft gegeven dat zij dit onderling wil regelen en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen aangegeven dat zij zelf het gezamenlijk gezag zullen gaan regelen. Vader heeft het verzoek om hem ook met het gezag te belasten vervolgens ingetrokken, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.

Zorgregeling

4.2.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft vader zijn verzoeken over de zorgregeling gewijzigd. Hij verzoekt nu nog te bepalen dat hij contact heeft met de kinderen gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 17:30 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen. Daarmee is hij tegemoet gekomen aan de bezwaren van moeder. Zij is het er ook mee eens dat de momenteel volgens het ouderschapsplan geldende zorgregeling wordt gewijzigd conform het verzoek van vader. Omdat niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich daartegen verzet, zal het verzoek van vader worden toegewezen als hierna onder “de beslissing” is weergegeven.

4.3.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling verder aangegeven dat zij, als vader daartoe weer de (financiële) mogelijkheden heeft, zullen bezien of het mogelijk is om het contact ook weer door de week te laten plaatsvinden.

Proces(kosten)

4.4.

Over de wijze van procederen en de proceskosten overweegt de rechtbank nog het volgende.

4.5.

Vader is deze procedure gestart met de verzoeken als hiervoor onder “het verzoek en het verweer” vermeld. In het verweerschrift dat moeder op 30 september 2020 heeft ingediend, heeft zij aangegeven in te stemmen met het gezamenlijk gezag en uit zij relatief beperkte bezwaren tegen het oorspronkelijke verzoek. Tijdens de mondelinge behandeling heeft vader besloten zijn verzoek tot gezamenlijk gezag in te trekken omdat hij dit samen met moeder gaat regelen. Ook komt hij volledig aan de bezwaren van moeder tegen de aanvankelijk verzochte zorgregeling tegemoet.

4.6.

Gelet op het verloop van deze procedure was het moeder kennelijk al op enig moment na indiening van het verzoekschrift duidelijk dat een regeling in der minne tot de mogelijkheden zou moeten behoren. Voor zover dat haar niet duidelijk was, had vader dat in ieder geval na de indiening van het verweerschrift duidelijk kunnen en moeten zijn.

Desondanks hebben de advocaten van partijen ervoor gekozen om het op een mondelinge behandeling aan te laten komen, in plaats van de zaak onderling te regelen. Waarom die keuze is gemaakt, is ook tijdens de mondelinge behandeling niet duidelijk geworden.

Daar komt nog bij dat, aan het eind van de mondelinge behandeling bleek dat er al een ouderschapsplan is tussen ouders waarin de door vader verzochte regeling staat vermeld. Vaders resterende verzoek leidt alleen tot een beperkte wijziging en concretisering van de bestaande zorgregeling.

4.7.

De rechtbank vindt deze proceshouding kwalijk. Los van de tijd die de mondelinge behandeling vergt van de rechter, de griffier, de medewerker van de raad, de advocaten van partijen en partijen zelf, zijn daar ook behoorlijke kosten voor de samenleving mee gemoeid.

Daarnaast is ook sprake van een ander ongewenst neveneffect. Beide advocaten zijn werkzaam in het arrondissement Oost-Brabant en weten derhalve (of zouden, mede gelet op het aanvangsmoment van deze procedure, moeten weten) dat de rechtbank te kampen heeft met behoorlijke achterstanden. Door ervoor te kiezen deze zaak niet onderling te regelen - wat evident eenvoudig mogelijk was en waartoe advocaten op grond van gedragsregel 5 in beginsel ook gehouden zijn - maar het te laten aankomen op de mondelinge behandeling houden de advocaten zo schaarse zittingscapaciteit bezet. Andere rechtzoekenden moeten nu langer wachten op een mondelinge behandeling terwijl de noodzaak voor een mondelinge behandeling in deze zaak ontbrak als de zaak op voorhand zou zijn geregeld. Zeker in deze tijd, waarin de Coronacrisis zorgt voor nog meer achterstanden, hebben de rechtspraak en de advocatuur een gezamenlijke verantwoordelijkheid, ook zaaksoverstijgend, om ervoor te zorgen dat alle rechtzoekenden zo goed en snel als mogelijk geholpen worden. In dat kader is het helpend als advocaten tijdig het overleg zoeken, in ieder geval ruimschoots voordat een zaak voor een mondelinge behandeling wordt gepland, maar ook in de aanloop naar een mondelinge behandeling. Wanneer op enig moment een mondelinge behandeling niet meer nodig is vanwege een bereikte overeenstemming is dat niet alleen prettig voor de partijen maar kunnen andere rechtzoekenden eerder worden geholpen en wordt het voor de rechtbank eenvoudiger achterstanden in te lopen. De rechtbank doet dan ook een dringend beroep op de advocatuur om in overleg te blijven met elkaar, in elk stadium van het geding, om een minnelijke regeling te beproeven en de rechtbank bij het bereiken daarvan zo spoedig mogelijk te informeren.

4.8.

De rechtbank zal, zoals gebruikelijk, de proceskosten compenseren.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijzigt het ouderschapsplan van partijen voor wat betreft de zorgregeling en bepaalt dat vader contact heeft met de kinderen gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 17:30 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen

5.2.

verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af;

5.4.

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. van der Weij, rechter, tevens kinderrechter,

en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 14 december 2020.

Conc: WJvd(O

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op
andere wijze bekend is geworden.