Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:6261

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-12-2020
Datum publicatie
28-12-2020
Zaaknummer
20/1871, 19/2005
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking wegens niet gebruik.

Een reeks van uitspraken over de afwijzing van verzoeken om intrekking van een omgevingsvergunning (milieu) of OBM vanwege het niet gebruik maken van de vergunning. De rechtbank maakt een beoordelingskader. Voor de onderbouwing van een verzoek om intrekking kan de milieuvereniging volstaan met een verwijzing naar meitellingen. Hiermee wordt een begin van bewijs geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/1871 (was SHE 19/2005)

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2020 in de zaak tussen

Stichting Groen Kempenland, te Netersel, eiseres

(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden, (gemachtigde: mr. C.W.M. van Alphen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam] , te [vestigingsplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2018 (het primaire besluit), gedeeltelijk gewijzigd bij besluiten van 7 februari 2019, heeft verweerder besloten een zevental verzoeken van eiseres om intrekking van omgevingsvergunningen van zeven afzonderlijke veehouderijen (waaronder die van derde-partij) alsmede een verzoek om over te gaan tot handhavend optreden niet in behandeling te nemen omdat eiseres volgens verweerder niet kon worden aangemerkt als belanghebbende bij de verzoeken.

Bij besluit van 2 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en besloten € 1.840,00 te betalen vanwege het niet tijdig nemen van het besluit op de bezwaren en de verzoeken om intrekking alsnog afgewezen.

Eiseres heeft tegen het (gewijzigde) bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 19/2005. Bij beslissing van 7 juli 2020 heeft de rechtbank bepaald dat voor elke derde-partij een afzonderlijke zaak wordt aangelegd. De zaak voor wat betreft de veehouderij van de derde-partij is vervolgens geregistreerd onder zaaknummer SHE 20/1871.

Bij nader besluit van 31 augustus 2020 heeft verweerder het bestreden besluit gewijzigd. Het aanhangige beroep tegen het bestreden besluit heeft op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op het nadere besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Hierop heeft eiseres schriftelijk gereageerd.

De zaak is behandeld op 22 september 2020. Eiseres is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De derde-partij is niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

  • -

    Ten behoeve van de inrichting aan [adres] te [vestigingsplaats] is op 2 juli 2003 een vergunning op basis van de Wet milieubeheer verleend voor 200 geiten, 200 kippen, 30 konijnen en 30 paarden en rundvee. Deze vergunning is gedeeltelijk ingetrokken bij besluit van 13 maart 2012, voor wat betreft het houden van 30 schapen en 5 stuks rundvee.

  • -

    Op 2 oktober 2018 heeft een controle plaatsgevonden en zijn er 3 paarden, 1 pony,

6 geiten, 2 schapen en ongeveer 30 kippen aangetroffen. Bij een controle in augustus 2020 waren de volgende dieraantallen aanwezig: 3 paarden, 1 pony,

6 geiten, 2 schapen en ongeveer 30 kippen.

  • -

    Sinds 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit op het agrarische bedrijf van toepassing en is de omgevingsvergunning van rechtswege vervallen. De op dat moment geldende omgevingsvergunning van 13 maart 2012 is gelijkgesteld met een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (verder: OBM), als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Voor het houden van meer dan 51 geiten is een OBM vereist ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, in samenhang met artikel 2.2a, eerste lid, onder d, van het Besluit omgevingsrecht.

  • -

    Op 26 oktober 2018 heeft eiseres een verzoek om intrekking van de OBM ingediend omdat er volgens de jaaropgaves bij RVO geen dieren meer worden gehouden.

2. Verweerder stelt zich in het nadere besluit op het standpunt dat er geen omgevingsvergunning meer is en dat er dus niets meer valt in te trekken.

3. De rechtbank overweegt ambtshalve het volgende. Artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk kan intrekken, voor zover gedurende drie jaar, dan wel indien de vergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a onderscheidenlijk b of g, gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Deze bevoegdheid is ook van toepassing op de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo. Verweerder lijkt te miskennen dat een OBM wel was vereist voor het houden van 200 geiten. Omdat een OBM was vereist, is de, voor 1 januari 2013, geldende omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een inrichting, gelijkgesteld met de vereiste OBM. Dat betekent dat het nadere besluit onvoldoende is gemotiveerd.

4. Niet in geschil is dat gedurende een periode van drie jaar geen dieren zijn gehouden op het adres (behoudens de in de controles aangetroffen aantallen dieren). Verweerder was dus bevoegd de OBM in te trekken. In het midden kan blijven of eiseres met de meitellingen voldoende heeft onderbouwd dat er geen dieren zijn gehouden. Ook in het midden kan blijven of sprake is van een gedeeltelijke benutting van de vergunning. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit niet onderkend. Het bestreden besluit is daarom ook onvoldoende gemotiveerd.

5. Het beroep tegen het bestreden besluit en tegen het nadere besluit is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het nadere besluit, voor zover deze besluiten betrekking hebben op de inrichting aan [adres] te [vestigingsplaats] . Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,00 (1 punt voor het verschijnen ter zitting). De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiseres één keer beroep heeft ingesteld tegen de meerdere zaken die daarna zijn gesplitst en dat verweerder in een andere zaak (SHE 20/1874) al is opgedragen het griffierecht terug te betalen. In deze zaak is verweerder ook veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het beroepschrift.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit en het nadere besluit voor zover deze besluiten betrekking hebben op de inrichting aan [adres] te [vestigingsplaats] ;

  • -

    draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
    € 525,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. M.M. Kaajan, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 18 december 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Artikel 2.33, tweede lid onder a, van de Wabo

Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover gedurende drie jaar, dan wel indien de vergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a onderscheidenlijk b of g, gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;