Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:619

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-01-2020
Datum publicatie
12-02-2020
Zaaknummer
C/01/354406 / KG ZA 20-8
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geen rechtens te respecteren belang bij toetreding tot huisartsengroep tbv waarneming. De huisartsengroep regelt niet de waarneming tijdens de avond-, nacht- en weekenduren. Daarvoor moet aansluiting worden gezocht bij de Centrale Huisartsenpost. De Centrale Huisartsenpost had het lidmaatschap van de huisarts X echter rechtsgeldig opgezegd vanwege disfunctioneren van huisarts X. De huisartsengroep wil huisarts X niet toelaten vanwege disfunctioneren. Het staat de huisartsengroep vrij al dan niet met huisarts X te contracteren. Nadelige consequenties van de weigering van de huisartsengroep om huisarts X tot de huisartsengroep toe te laten behoren voor rekening en risico van huisarts X te komen. Huisarts X wordt niet uitgesloten van de markt voor spoedeisende huisartsenzorg wanneer hem de toegang tot de huisartsengroep geweigerd wordt. Daarom geen strijd met het kartelverbod ex artikel 6 lid 1 Mw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/354406 / KG ZA 20-8

Vonnis in kort geding van 31 januari 2020

in de zaak van

1 [eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] ”,

gevestigd te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. C.W.M. Verberne te [woonplaats] ,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

gemachtigde mr. S. Dik te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden. Daar waar gedaagden afzonderlijk worden bedoeld, worden zij onderscheidenlijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 januari 2020 met producties, genummerd 1 tot en met 10;

  • -

    de brief van mr. Dik van 20 januari 2020 met producties, genummerd 1 tot en met 3;

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 21 januari 2020;

  • -

    de pleitnota van mr. Dik.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is sinds 1999 werkzaam als huisarts. Hij heeft sinds 2000 een eigen huisartsenpraktijk aan de [adres] . [eiser] exploiteert deze huisartsenpraktijk door tussenkomst van zijn B.V. en handelt onder de naam “ [eiseres] ”.

2.2.

[eiser] was middels een aansluitovereenkomst tot 1 januari 2015 aangesloten bij en lid van de coöperatie “ [A] ” (hierna: de [A] ). De [A] faciliteert en verricht via haar leden spoedeisende huisartsenzorg in avonden, nachten, weekenden en op feestdagen (de ANW-uren).

2.3.

Bij brief van 30 december 2014 heeft de [A] de aansluitovereenkomst met [eiser] opgezegd per 1 juli 2015. Deze opzegging is onderwerp geweest van een juridische procedure tussen [eiser] en de [A] . Bij arrest van 6 maart 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:890) heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch geoordeeld dat de [A] de aansluitovereenkomst met [eiser] rechtsgeldig heeft opgezegd (productie 1 van [gedaagden] )

2.4.

Tot voor kort was de heer [B] , huisarts, op zzp-basis werkzaam in de praktijk van [eiser] als diens vaste waarnemer. Inmiddels is de heer [B] niet meer in de praktijk van [eiser] werkzaam.

2.5.

Bij besluit van 8 oktober 2019 heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ ) een aanwijzing opgelegd (productie 2 bij de dagvaarding), inhoudende:

“De zorgaanbieder dient binnen een termijn van zes weken de zorg in de avond-, nacht- en weekenduren voor patiënten van [eiseres] formeel conform vigerende wet- en regelgeving en richtlijnen geregeld en geborgd te hebben.

De zorgaanbieder dient binnen zes weken zorg te dragen voor uitwisseling van patiëntgegevens met de waarnemende partij voor de te verwachten zorg in de avond, nacht en weekenden voor patiënten van [eiseres] , conform vigerende wet- en regelgeving en richtlijnen. De zorgaanbieder dient de bedoelde uitwisseling tevens adequaat te borgen.”

2.6.

Bij afzonderlijke brieven van 29 oktober 2019 heeft mr. Verberne namens [eiser] drie huisartsenpraktijken aangeschreven met het verzoek om te mogen aansluiten bij de [C] (huisartsengroep) waar de desbetreffende huisartsenpraktijk onderdeel van uitmaakt voor wat betreft de waarneming bij de [A] (voorheen de [A] genoemd) (productie 4, 5 en 6 bij de dagvaarding). Geen van de drie huisartsenpraktijken heeft aangegeven bereid te zijn om [eiser] in de betreffende [C] op te nemen.

2.7.

Bij brief van 25 november 2019 heeft de IGJ het voornemen geuit om aan [eiser] een last onder dwangsom op te leggen op grond van artikel 29, eerste lid van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg jo. artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat volgens de IGJ niet aan de op 8 oktober 2019 gegeven aanwijzing is voldaan (productie 3 bij de dagvaarding).

2.8.

Bij besluit van 5 december 2019 (productie 10 bij de dagvaarding) heeft de IGJ aan [eiser] daadwerkelijk een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende:

“De zorgaanbieder dient de zorg in de avond-, nacht- en weekenduren voor patiënten van [eiseres] formeel conform vigerende wet- en regelgeving en richtlijnen geregeld en geborgd te hebben.

De zorgaanbieder dient zorg te dragen voor uitwisseling van patiëntgegevens met de waarnemende partij voor de te verwachten zorg in de avond, nacht en weekenden voor patiënten van [eiseres] . De zorgaanbieder handelt daarin conform vigerende wet- en regelgeving en richtlijnen. De zorgaanbieder dient de bedoelde uitwisseling tevens adequaat te borgen.

Ik verbind aan deze last een dwangsom van € 1000,- voor iedere volledige week waarin u niet volledig aan de genoemde last heeft voldaan, waarbij het maximumbedrag aan mogelijk te verbeuren dwangsommen ten aanzien van de last in totaal €10.000,- is.

Voor deze last geldt een begunstigingstermijn van (twee) 2 weken, die aanvangt op de eerste dag na dagtekening van dit besluit. Dit betekent dat u gedurende deze (twee) 2 weken aan de last kunt voldoen zonder dat daadwerkelijk een dwangsom wordt verbeurd.”

2.9.

Bij brief van 23 december 2019 (productie 9 bij de dagvaarding) heeft mr. Dik onder andere namens [gedaagde 1] aan mr. Verberne bericht dat haar praktijk voor wat betreft de waarneming via een praktijk overstijgende [C] is aangesloten bij de [A] Oost-Brabant, die de aansluiting met [eiser] nu juist heeft opgezegd. In de brief staat verder onder meer vermeld:

“(…) Voor toetreding tot de betreffende [C] dient een aspirant-lid aangesloten te zijn bij de [A] Oost-Brabant. Deze heeft de aansluiting met uw cliënt nu juist echter opgezegd in verband met ernstig disfunctioneren.

Ten overvloede wijs ik u erop dat cliënten uiteraard niet kunnen beslissen over toelating tot de overstijgende [C] , een dergelijk verzoek moet aan alle betrokken partijen worden gericht. Het antwoord op een dergelijk verzoek laat zich echter raden nu (…) aansluiting bij de [A] Oost-Brabant een noodzakelijke voorwaarde voor toetreding is. (…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

pimair:

[gedaagden] te veroordelen om [eiser] toe te laten tot de [C] [woonplaatsen] voor wat betreft deelname aan de waarneemregeling bij de [A] en waarneming bij onvoorziene omstandigheden, althans tot een waarneemregeling die de voorzieningenrechter passend acht, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagden] in gebreke blijven aan dit bevel te voldoen;

subsidiair:

[gedaagden] te veroordelen om [eiser] toe te laten tot de waarneemregeling van de [C] [woonplaatsen] op basis van wederkerigheid en gelijkwaardigheid, althans tot een waarneemregeling die de voorzieningenrechter passend acht, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagden] in gebreke blijven aan dit bevel te voldoen;

meer subsidiair:

[gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de (proces)kosten en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten.

3.2.

[eiser] legt hieraan –kort weergegeven- het volgende ten grondslag.

3.2.1.

Als gevolg van de opzegging van de aansluitovereenkomst door de [A] , is de zorg voor de patiënten van [eiser] in de avond- nacht en weekenduren niet gewaarborgd. Om voor zijn patiënten aan de eis van 24/7 beschikbaarheid van huisartsgeneeskundige zorg te kunnen voldoen is het noodzakelijk dat [eiser] zich kan aansluiten bij een [C] (een huisartsengroep) zodat hij via de [C] kan worden opgenomen als praktijk op de lijst voor de [A] en opvang heeft voor het geval hij overdag ziek wordt.

3.2.2.

[gedaagden] vormen een ondernemingsvereniging in de zin van het mededingingsrecht nu de betrokken huisartsen(praktijken) als een onderneming in de zin van de Mededingsingswet (Mw) moeten worden aangemerkt. De weigering om [eiser] toe te laten tot de [C] heeft tot gevolg dat [eiser] zich niet op de relevante markt kan bevinden. Gelet hierop is de weigering van [gedaagden] om [eiser] te laten aansluiten bij de [C] in strijd met het kartelverbod van artikel 6 lid 1 Mw.

3.2.3.

Wanneer de weigering van [gedaagden] om [eiser] toe te laten tot de [C] stand houdt, zal dat onvermijdelijk leiden tot doorhaling van de registratie van [eiser] en sluiting van de praktijk, waardoor het personeel op straat komt te staan en ruim 2000 patiënten een andere huisarts moeten zoeken.

3.2.4.

Gelet op de verregaande consequenties van de door de [C] gestelde voorwaarde voor toetreding (te weten dat [eiser] moet zijn aangesloten bij de [A] ) wordt duidelijk dat de leden van de [C] de deelname van [eiser] aan de gemeenschappelijke markt in de regio doelbewust belemmeren.

3.2.5.

[gedaagden] handelen dan ook onrechtmatig jegens [eiser] . Daarbij is van belang dat het voor [eiser] feitelijk onmogelijk is om aan deze voorwaarde te voldoen, nu de [A] op haar beurt voor deelname van (de praktijk van) [eiser] aan de waarneemregeling op de [A] vereist dat de praktijk van [eiser] deelneemt aan de waarneemregeling van een [C] . Met de voorwaarde maakt de [C] het voor [eiser] feitelijk onmogelijk om op enig moment tot de waarneemregeling toe te treden.

3.3.

[gedaagden] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Omdat [eiser] in [land] woont rijst de vraag of de voorzieningenrechter rechtsmacht heeft. Omdat [gedaagden] in Nederland wonen, heeft de voorzieningenrechter op grond van artikel 4 EEX-Vo (herschikt) rechtsmacht. Omdat [eiser] betoogt dat [gedaagden] in strijd handelen met artikel 6 Mw is op grond van artikel 6 van de Rome-II verordening Nederlands recht van toepassing.

4.2.

[eiser] heeft een spoedeisend belang bij de door hem ingestelde vorderingen. [eiser] beschikt op dit moment immers niet over vervanging voor zijn patiënten in de avond- nacht- en weekenduren (de ANW-uren) en ook niet wanneer sprake is van onvoorziene omstandigheden waardoor [eiser] zijn werkzaamheden als huisarts tijdens de reguliere uren onverhoopt niet kan uitoefenen. [eiser] is hiervoor door de IGJ op de vingers getikt en dreigt zijn praktijk te moeten sluiten wanneer hij er niet in slaagt om de waarneming adequaat te regelen.

4.3.

[eiser] is echter niet-ontvankelijk terzake de door hem ingestelde vorderingen. Gelet op het feit dat de [C] een contractueel samenwerkingsverband is en geen rechtspersoon, had hij alle leden van de [C] moeten dagvaarden. [eiser] ’ doel is immers om met alle [C] -leden te contracteren. In artikel 3 van het reglement van de [C] , dat onderdeel uitmaakt van de samenwerkingsovereenkomst tussen de leden (hierna: het reglement), staat vermeld dat slechts kan worden besloten tot een definitief lidmaatschap middels goedkeuring door twee derde van het aantal leden en moet de overeenkomst worden ondertekend door alle leden van de [C] en het aspirant-lid waarmee het definitieve lidmaatschap bekrachtigd wordt. Het gedagvaarde bestuur, bestaande uit de voorzitter, secretaris en penningmeester, is als zodanig niet bevoegd om over toetreding te beslissen.

4.4.

Afgezien van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] geen rechtens te respecteren belang heeft bij toetreding tot de [C] .

Blijkens artikel 5 van het reglement, regelt de [C] immers alleen de waarneming van de leden tijdens de reguliere uren overdag en niet tijdens de avond-, nacht- en weekenduren.

Dit betekent dat [eiser] , zelfs wanneer hij zou worden toegelaten tot de [C] , daarmee nog niet de waarneming voor de avond-, nacht- en weekenddiensten heeft geregeld. Ingevolge artikel 5 lid 1 sub b van het reglement van de [C] behoren de leden voor waarneming tijdens de avond-, nacht-, en weekenddiensten te zijn aangesloten bij de [A] . [eiser] heeft aangegeven dat hij desnoods alleen bij de [C] “op het lijstje” wil om lid te kunnen worden van de [A] . Anders dan [eiser] stelt is voor lidmaatschap van de [A] echter niet vereist dat een huisarts is aangesloten bij een [C] . In rechtsoverweging 3.1 van het arrest van het hof staat vermeld dat de statuten van de [A] bepalen dat ook huisartsen die niet aangesloten zijn bij een [C] lid kunnen zijn van de [A] .

4.5.

Blijkens het arrest van het hof heeft de [A] het lidmaatschap en de aansluitovereenkomst met [eiser] nu juist rechtsgeldig opgezegd omdat vanwege disfunctioneren van [eiser] van de [A] niet langer kon worden gevergd dat zij het lidmaatschap en de aansluitovereenkomst zou laten voortduren, zodat op dat moment voldoende zwaarwegende redenen bestonden voor de opzegging. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de [A] , niettegenstaande de contractsopzegging in 2014, inmiddels weer bereid is om met [eiser] (via diens lidmaatschap van de [C] ) te contracteren. Dit ligt ook niet in de rede, nu [eiser] (desgevraagd) niet heeft aangegeven wat hij heeft gedaan om verbetering aan te brengen in zijn functioneren. Het tegendeel lijkt eerder het geval te zijn. Op de vraag van de voorzieningenrechter hoe [eiser] tijdens de zitting in deze zaak de waarneming heeft geregeld, antwoordde [eiser] dat hij zich heeft laten vervangen door een verpleegkundige. Dit nu is in strijd met de vigerende regelgeving, die voorschrijft dat de waarneming door een arts moet geschieden.

4.6.

Dat aan de weigering van de leden van de [C] om [eiser] tot de [C] toe te laten, eventueel verregaande nadelige consequenties zijn verbonden, is een omstandigheid die voor rekening en risico van [eiser] behoort te komen. [gedaagden] hebben aangegeven dat zij niet met [eiser] willen samenwerken omdat zij menen dat [eiser] disfunctioneert. Het staat hen vrij om niet te contracteren met [eiser] .

4.7.

Daarbij komt dat, anders dan [eiser] stelt, [eiser] niet wordt uitgesloten van de markt voor spoedeisende huisartsenzorg wanneer hem de toetreding tot de [C] geweigerd wordt. [eiser] heeft immers niet weersproken dat de relevante (beleids)regels en overeenkomsten ook in andere mogelijkheden voorzien om deze zorg te leveren, zoals door afspraken te maken met andere huisartsen over een waarneemregeling of door waarnemers in te huren. Gelet hierop is de weigering van [gedaagden] om [eiser] te laten aansluiten bij de [C] niet in strijd met het kartelverbod van artikel 6 lid 1 Mw.

4.8.

De slotsom is dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen. Als dit anders was geweest, dan hadden de vorderingen alsnog wegens het ontbreken van enig rechtens te respecteren belang moeten worden afgewezen.

4.9.

Nu [eiser] in zijn vorderingen jegens [gedaagden] niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal hij als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht € 304,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.284,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 980,00;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2020.