Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:6159

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
07-01-2021
Zaaknummer
8405997 CV EXPL 20-1700
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak, cessieverbod, cessie van minderjarige aan ouders, staking eigen personeel geen buitengewone omstandigheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2021, afl. 2, p. 106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer : 8405997

Rolnummer : 20-1700

Uitspraak : 17 december 2020

Beschikking op grond van Verordening (EG) nr. 861/2007, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421

in de zaak van:

1 Probe ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim,

gevestigd te Breukelen,

2. [eiser sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser sub 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

gemachtigde: Probe ASP BV, h.o.d.n. Aviclaim (mr. R. Bos),

t e g e n :

de vennootschap naar buitenlands recht Ryanair DAC,

gevestigd te Swords, Co. Dublin, Ierland,

verweerster,

gemachtigde: mr. A.C.J. Houwers, Dirkzwager advocaten & notarissen N.V.

1 Het verloop van het geding

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

  1. het vorderingsformulier A van de verordening (EG) nr. 861/2007 met producties;

  2. het verweerschrift met producties;

  3. de conclusie van repliek, met producties;

  4. e conclusie van dupliek.

1.2.

Tot slot is een datum voor beschikking bepaald.

2 De feiten

Tussen partijen staat, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende vast.

a. [A] , [B] , [C] , [D] , [E] , [F] en eisers sub 2 en 3 hadden een vlucht geboekt voor 25 juli 2018 om 06:45 uur met vluchtnummer FR3542 van Ibiza Airport (Spanje), naar Eindhoven Airport.

b. Vlucht FR 3542 is geannuleerd.

3 Het geschil

3.1.

Eisers stellen het volgende. Aangezien vlucht FR 3542 is geannuleerd hebben zij op grond van Verordening 261/2004 (hierna de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ EU) inzake onder meer Sturgeon en Nelson recht op financiële compensatie van € 250,00.

[A] , [B] , [C] en [D] hebben hun vorderingsrecht overgedragen (gecedeerd) aan eiseres sub 1. Het vorderingsrecht van de minderjarige [E] is overgedragen aan haar vader eiser sub 2. Het vorderingsrecht van de minderjarige [F] is overgedragen aan haar moeder eiseres sub 3. Van de overdracht is mededeling gedaan aan verweerster.

Van een buitengewone omstandigheid was geen sprake.

3.2.

Op grond van het voorgaande vorderen eisers betaling van een hoofdsom van

€ 2.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente, de buitengerechtelijke kosten van

€ 300,00 en de proceskosten.

3.3.

Verweerster voert, samengevat, het volgende verweer.

Eiseres sub 1 moet niet ontvankelijk worden verklaard, omdat zij geen vordering op verweerster heeft. De passagiers hebben een vervoersovereenkomst met verweerster gesloten. Op die overeenkomst is (onder meer) artikel 15.4.2. van de Algemene Voorwaarden van verweerster van toepassing. Ingevolge dat artikel is het een passagier niet toegestaan zijn/haar vordering die voortvloeit uit of samenhangt met de overeenkomst over te dragen aan een derde. Hieronder valt ook een vordering tot financiële compensatie. De overdracht van de vordering is zowel goederenrechtelijk als verbintenisrechtelijk uitgesloten.

Subsidiair geldt, dat sprake is geweest van een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. Op 25 juli 2018 staakte (een deel van) het personeel. Deze staking is aan te merken als een buitengewone omstandigheid die niet inherent is aan de dagelijkse activiteiten van verweerster. Verweerster had geen controle over deze buitengewone omstandigheid. Annulering kon ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen worden.

Voor zover dit verweer niet wordt gevolgd wijst verweerster erop dat zij op grond van artikel 15.2 van haar algemene voorwaarden niet is gehouden om de proceskosten van eisers te voldoen. Op grond van dit artikel geldt dat vorderingen die voortvloeien uit de vervoersovereenkomst direct bij haar ingediend moeten worden zonder tussenkomst van een derde partij met inachtneming van een termijn van 28 dagen waarbinnen zij op de vordering kan reageren. Na deze 28 dagen kan een eiser vervolgens een derde inschakelen om de vordering te innen. Omdat eisers van deze mogelijkheid geen gebruik hebben gemaakt, moeten de gevorderde proceskosten worden afgewezen.

3.4.

Primair verzoekt verweerster daarom de vordering af te wijzen met veroordeling van eisers in de proceskosten en nakosten. Subsidiair dienen bij een toewijzing van de hoofdsom de gevorderde wettelijke rente en de vordering voor (overige) kosten te worden afgewezen.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt vast dat de vordering binnen het toepassingsbereik van de Europese procedure voor geringe vorderingen valt.

4.2.

Voorts wordt vastgesteld dat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het geschil. Meer specifiek is, gelet op het Rehder-arrest (ECLI:EU:C:2009:439, Hof van Justitie EG/EU, 09-07-2009, C-204/08), de kantonrechter te Eindhoven bevoegd, omdat de overeengekomen plaats van aankomst Eindhoven is.

4.3.

Met betrekking tot de minderjarige passagiers [E] en [F] kan verweerster zich in redelijkheid niet op het cessieverbod in artikel 15.4.2. van haar algemene voorwaarden beroepen. Door eisers is er immers bij repliek (randnummer 7) onweersproken op gewezen, dat artikel 15.4.1 van die voorwaarden bepaalt, dat een aan een minderjarige passagier toekomend recht op schadevergoeding door verweerster (ook) kan worden betaald aan de ouders. Niet weersproken is, dat eiser sub 2 de vader is van [E] en dat eiseres sub 3 de moeder is van [F] .

4.4.

Gelet op hetgeen eerder door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant is geoordeeld in de beschikking van 28 juni 2018 (ECLI:NL:RBOBR:2018:3169), te weten dat het cessieverbod zoals dit is vastgelegd in artikel 15.4.2 van de algemene voorwaarden niet is aan te merken als een oneerlijk of onredelijk bezwarend beding, komt de kantonrechter ook in dit geval tot de conclusie dat de cessie aan eiseres sub 1 niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. Eisers hebben weliswaar terecht aangevoerd dat luchtvaartpassagiers hun aanspraak op (financiële) compensatie niet ontlenen aan de vervoersovereenkomst met verweerster maar rechtstreeks aan de Verordening, maar dat doet aan de geldigheid van het cessieverbod niet af. Voor toepassing van de Verordening geldt de eis (zie art. 3 lid 2 en 5), dat sprake is van een vervoersovereenkomst. Door een in die overeenkomst opgenomen cessieverbod worden de rechten, die aan de passagiers uit hoofde van de Verordening toekomen, op geen enkele wijze beperkt. De vordering van eiseres sub 1 wordt daarom afgewezen.

4.5.

Vervolgens moet met betrekking tot de vorderingen van eisers sub 2 en 3 worden beoordeeld of verweerster terecht een beroep doet op artikel 5 lid 3 van de Verordening. Vooropgesteld wordt dat eisers sub 2 en 3 in het onderhavige geval, op grond van artikel 5 lid 1 sub c van de Verordening, in beginsel recht hebben op de in artikel 7 van de Verordening genoemde compensatie van (in dit geval) € 250,00 per passagier.

4.6.

De luchtvervoerder is niet verplicht de compensatie te betalen indien er sprake is van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening.

4.7.

Verweerster heeft enkel aangevoerd dat zij op het moment van staking in onderhandeling was met de vakbonden, maar hieruit volgt niet per definitie dat de staking voor verweerster niet voorzienbaar was en ook niet dat verweerster er daadwerkelijk geen invloed op had om de staking te voorkomen. Een staking van het eigen personeel ligt in beginsel in de risicosfeer van verweerster en bijzondere omstandigheden om van dit beginsel af te wijken zijn niet gesteld of gebleken. Dit betekent dat verweerster niet heeft aangetoond dat de annulering van vlucht FR3542 is veroorzaakt door een buitengewone omstandigheid. De uitspraken van andere Europese rechters waar verweerster naar heeft verwezen, leiden niet tot een ander oordeel. Deze uitspraken betreffen andere stakingen en de annulering van andere vluchten. Op grond van het zogeheten Krüsemann-arrest (ECLI:EU:C:2018:258) dient immers per geval te worden beoordeeld of sprake is van een bijzondere omstandigheid. Ook het beroep op artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie kan niet tot een ander oordeel leiden. Het beroep van verweerster op buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening kan dan ook niet slagen. De vordering van eisers sub 2 en 3 tot betaling van een compensatie van € 1.000,00 (€ 250,00 per passagier, vier passagiers) zal worden toegewezen.

4.8.

Tegen de gevorderde wettelijke rente is door verweerster geen afzonderlijk inhoudelijk verweer gevoerd, zodat deze ook zal worden toegewezen.

4.9.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat onvoldoende is gebleken dat de verrichte buitengerechtelijke incassowerkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.10.

Omdat partijen over en weer deels in het gelijk en ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten zodanig over hen verdeeld, dat ieder van hen de eigen kosten moet dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt verweerster om aan eisers sub 2 en 3 te betalen de som van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 25 juli 2018 tot aan de dag van voldoening;

verdeelt de proceskosten zodanig over partijen dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.J. Roeterdink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op donderdag 17 december 2020.