Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:610

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-02-2020
Datum publicatie
06-02-2020
Zaaknummer
01/879412-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedreiging van de case-manager in de PI Vught en medeplegen van (kort gezegd) beïnvloeding van een getuige (artikel 285a Wetboek van Strafrecht).

Voorwaardelijk opzet-overweging.

De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 5 maanden.

De officier van justitie heeft naast een gevangenisstraf van 3 maanden ook de maatregel van TBS gevorderd. De rechtbank ziet van oplegging van TBS af.

Veroordeelde dient tevens immateriele schade te vergoeden aan het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879412-18

Datum uitspraak: 06 februari 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres verdachte] ,

thans gedetineerd te: Justitieel Complex Zaanstad.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 maart 2019 en 23 januari 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 februari 2019.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 25 maart 2019 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij

in of omstreeks de periode van 1 december 2017 tot en met 16 januari 2018 te Vught, althans in Nederland

[naam slachtoffer] (casemanager binnen de PI Vught) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling

door tegen een of meer personen (te weten: [getuige 1] en/of [betrokkene 1] ) (en met 'haar' doelend op die [naam slachtoffer] ) te zeggen:

"als ik eenmaal vrij ben ga ik haar opwachten en/of in mijn kofferbak leggen om haar ergens te vermoorden" en/of "ik ga haar knieën kapot slaan met een knuppel en/of haar dan in de kofferbak leggen"en/of "ik doe het voor 100%", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking

van welke bedreiging(en) die [naam slachtoffer] (via genoemde [getuige 1] ) kennis heeft genomen;

2.

primair

hij

in of omstreeks de periode van 17 januari 2018 tot en met 8 oktober 2018 te

Vught, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift en/of afbeelding

zich jegens [getuige 1] en/of [betrokkene 1] heeft/hebben geuit,

kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid te verklaren of geweten ten

overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen

te beïnvloeden

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist/wisten of

ernstige reden had/hadden te vermoeden dat die verklaring zou worden

afgelegd

immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader

- [betrokkene 2] gebeld en/of gevraagd of deze het nummer van voornoemde [getuige 1]

[getuige 1] heeft en/of gezegd dat die [getuige 1] een verklaring tegen hem heeft

afgelegd en/of (vervolgens)

- nadat [betrokkene 2] aangaf dat ‘als dat zo is hij de verklaring acuut gaat

intrekken’ gezegd: ja dat wilde ik vragen of je met hem even een gesprekje

kan houden’ en/of

nadat [betrokkene 2] zei ‘dat doe ik. daar kun je vergif op in nemen, hij legt

geen verklaring af, want dan is hij bij mij aan het verkeerde adres’ heeft

gezegd:’er is aangifte en alles gedaan en ik hoop dat je even een gesprekje

met hem aangaat’

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij

in of omstreeks de periode van 17 januari 2018 tot en met 8 oktober 2018 te

Vught, althans in Nederland

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift en/of afbeelding

zich (door tussenkomst van [betrokkene 2] ) jegens [getuige 1] te (doen) uiten,

kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid te verklaren of geweten ten

overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te

beïnvloeden

terwijl verdachte wist of ernstige reden had/hadden te vermoeden dat die

verklaring zou worden afgelegd

met dat opzet

- [betrokkene 2] heeft gebeld en/of heeft gevraagd of deze het nummer van

voornoemde [getuige 1] had en/of heeft gezegd dat die [getuige 1] een

verklaring tegen hem heeft afgelegd en/of (vervolgens)

nadat [betrokkene 2] aangaf dat ‘als dat zo is hij de verklaring acuut gaat

intrekken’ heeft gezegd: ‘ja dat wilde ik vragen of je met hem even een gesprekje

kan houden’ en/of

- nadat [betrokkene 2] zei ‘dat doe ik, daar kun je vergif op in nemen, hij legt

geen verklaring af, want dan is hij bij mij aan het verkeerde adres’ heeft

gezegd: ‘er is aangifte en alles gedaan en ik hoop dat je even een gesprekje

met hem aangaat’

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij

in of omstreeks de periode van 17 januari 2018 tot en met 8 oktober 2018 te

Vught, althans in Nederland

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[betrokkene 2] te bewegen opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift en/of

afbeelding zich jegens [getuige 1] te uiten, kennelijk om diens vrijheid om

naar waarheid te verklaren of geweten ten overstaan van een rechter of

ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden

terwijl verdachte en die [betrokkene 2] wisten of ernstige reden had/hadden te

vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, door met dat opzet

in twee, althans een telefoon gesprek(ken) en/of per brief en/of kaart aan die

[betrokkene 2] na te noemen inlichting te verschaffen, te weten , door

te zeggen tegen die [betrokkene 2] dat die [getuige 1] een verklaring tegen hem heeft

afgelegd en/of (vervolgens)

nadat [betrokkene 2] aangaf dat ‘als dat zo is hij de verklaring acuut gaat

intrekken’ te zeggen: ‘ja dat wilde ik vragen of je met hem even een gesprekje

kan houden’ en/of

- nadat [betrokkene 2] zei ‘dat doe ik, daar kun je vergif op in nemen, hij legt

geen verklaring af, want dan is hij bij mij aan het verkeerde adres’ te zeggen: ‘er

is aangifte en alles gedaan en ik hoop dat je even een gesprekje

met hem aangaat’ en/of

-aan [betrokkene 2] te vragen of die zijn kaartje heeft gehad en/of als [betrokkene 2] vraagt

hoe de naam op papier staat te antwoorden , mijn naam is [naam verdachte] en die andere

is [betrokkene 1] en [getuige 1]

omdat het voor hem ( [naam verdachte] ) gunstig zou zijn als hij ( [betrokkene 2] ) die getuige ertoe

zou kunnen bewegen om bij gelegenheid van bedoeld getuigenverhoor zijn

getuigenis zou intrekken en/of wijzigen ten gunste van verdachte

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

Met betrekking tot feit 2 heeft de verdediging de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging bepleit en wel op twee gronden:

  1. medeverdachte [betrokkene 2] , die het directe contact zou hebben met de getuige [getuige 1] , is niet vervolgd zodat met twee maten wordt gemeten en er strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

  2. de officier van justitie heeft oneigenlijke druk op [betrokkene 2] uitgeoefend door tegen diens advocaat mr. Schadd te zeggen dat [betrokkene 2] geen verdachte is van feit 2 maar dat hij dat, afhankelijk van hetgeen hij verklaart over het bewuste telefoongesprek, wel kan worden.

Ad 1) De rechtbank verwerpt het verweer.

Dat [betrokkene 2] niet is gedagvaard houdt niet in dat verdachte ten onrechte is gedagvaard. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Daargelaten of aan de voorwaarden is voldaan voor het vrij uitzonderlijke geval dat op grond van het gelijkheidsbeginsel de officier niet in de vervolging ontvankelijk is, gaat het verweer reeds niet op bij gebreke van de vereiste mate van gelijkheid van de verwijtbaarheid van het onderhavige feit.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in de vervolging kan worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Ad 2) De rechtbank verwerpt ook dit verweer.

Blijkens het proces-verbaal van verhoor getuige door de rechter-commissaris is op 7 juni 2019 J. [betrokkene 2] voor de rechter-commissaris verschenen om te worden gehoord. Hij verklaarde direct dat hij zich op advies van mr. Schadd op zijn verschoningsrecht zal beroepen.

De officier van justitie heeft vervolgens toegelicht dat zij contact heeft gehad met mr. Schadd en heeft medegedeeld dat de getuige nog geen verdachte is op dit moment, maar dat het afhankelijk van de antwoorden die hij op de vragen zal geven mogelijk is dat hij wel verdachte wordt.

De rechter-commissaris heeft mr. Schadd aanstonds gebeld en de raadsman bevestigde deze gang van zaken en zijn advies.

[betrokkene 2] heeft op de vraag van de raadsvrouwe van verdachte of hij eerder bij de rechter-commissaris naar waarheid heeft verklaard, geantwoord dat hij zich op zijn verschoningsrecht beroept.

De rechtbank is van oordeel dat het verhoor van de getuige [betrokkene 2] , die ook medeverdachte was, volgens de regels van strafvordering is verlopen en dat niet gebleken is van beïnvloeding van [betrokkene 2] door de officier van justitie, laat staan dat dit op een ongeoorloofde wijze zou zijn gebeurd.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht beide feiten (feit 2 in de primaire variant) wettig en overtuigend bewezen.

De officier van justitie heeft daartoe in een schriftelijk opgemaakt requisitoir bewijsmiddelen aangehaald.

In verband met feit 1 acht de officier van justitie voorwaardelijk opzet aan de orde: verdachte heeft (kort gezegd) de aanmerkelijke kans aanvaard dat de bedreiging, geuit ten overstaan van de mede-gedetineerden [getuige 1] en [betrokkene 1] , bij aangeefster bekend zou worden.

Het standpunt van de verdediging.

Algemeen:

De verdediging heeft geconcludeerd dat de verklaringen van [getuige 1] onbetrouwbaar zijn.

Met betrekking tot feit 1:

De verdediging heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat geen overtuigend bewijs aanwezig is voor het verwijt dat verdachte bedreigingen jegens aangeefster heeft geuit via [getuige 1] of [betrokkene 1] .

De verdediging is voorts van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de omstandigheid dat de bedreigingen aangeefster ter ore zouden komen.

Met betrekking tot feit 2:

Zo verdachte al contact wilde leggen met [getuige 1] , ging dat over diens mogelijk belastende verklaringen/opmerkingen in verband met het verzamelen van adressen en kentekens waaraan verdachte zich in de PI schuldig zou hebben gemaakt.

Bovendien is het niet verdachte, maar [betrokkene 2] die het initiatief nam om [getuige 1] te contacteren over het intrekken van diens verklaring.

Tot slot is aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat [betrokkene 2] daadwerkelijk contact heeft gehad met [getuige 1] in de ten laste gelegde periode.

Het oordeel van de rechtbank. 1

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen tot het bewijs.

1. Proces-verbaal van aangifte door [naam slachtoffer] de dato 30 januari 2018, p. 5-6, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik doe aangifte van bedreiging. Bij mij bestond de overtuiging dat verdachte zijn bedreiging werkelijk ten uitvoer zou leggen.
Ik ben werkzaam als casemanager bij de PI Vught, op [unit nummer] , afdeling Detentie en re-integratie. Op die afdeling verbleef verdachte [naam verdachte] . Ik was tot half december 2017 zijn casemanager.
Ik trok het niet langer meer omdat de contacten met hem erg persoonlijk en grillig werden.
Op 16 januari 2018 sprak ik gedetineerde [getuige 1] . (…) Hij wilde mij spreken omdat verdachte mij dood wilde hebben. (…) Verdachte zou gezegd hebben tegen [getuige 1] dat hij eerst mijn knieën kapot zou schieten, dat hij mij zou gaan vermoorden en mij zou omleggen. Verdachte zou aan [getuige 1] gevraagd hebben wat voor een auto ik had en waar ik woonachtig was. Verdachte zou mij dood willen hebben en opwachten.

Verdachte wist dat ik eind november 2017 een huisbezoek bracht aan de partner van [getuige 1] en op die manier wilde hij achter mijn gegevens komen.

[getuige 1] deelde mij verder mede dat [naam verdachte] mij zou opwachten tussen het [straatnaam 1] te Den Bosch en de [straatnaam 2] .

[getuige 1] deelde mij mede dat wij het niet altijd eens waren met elkaar, maar dat hij dit niemand toewenste. Ik zag dat [getuige 1] daarbij geëmotioneerd was.

Gedetineerde [naam verdachte] zou gedetineerde [getuige 1] bewust opzoeken om verhalen over mij te vertellen. Gedetineerde [naam verdachte] zou al meerdere maanden verhalen over mij aan het vertellen zijn tegen andere gedetineerden. Volgens gedetineerde [getuige 1] zouden de bedreigingen richting mij steeds erger worden. Gedetineerde [naam verdachte] zou mij de schuld geven van alles wat fout gaat binnen zijn detentie. Volgens gedetineerde [getuige 1] zouden andere gedetineerden bang zijn voor gedetineerde [naam verdachte] omdat hij veel zou vertellen over zijn delict. Dit delict betreft de dubbele moord welke hij gepleegd heeft.

Ik voel me zeer bedreigd door de uitlatingen van gedetineerde [naam verdachte] . Ik weet waartoe hij in staat is en ik zie hem ervoor aan zijn dreigementen daadwerkelijk ten uitvoer zal leggen.

Ik weet van horen zeggen dat gedetineerde [naam verdachte] brieven naar buiten smokkelt.

Mocht dit zo zijn, wie weet wat er in die brieven staat over mij. Dit alles heeft enorme impact op mij.

(…)

Ik heb van gedetineerde [getuige 1] gehoord dat de wereld waarin gedetineerde [naam verdachte] inzit, heel klein is in Den Bosch. Dat is de reden waarom gedetineerde [getuige 1] zo bang is.

2) Proces-verbaal van verhoor van getuige door de rechter-commissaris op 16 april 2018, van getuige [getuige 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik zit sinds oktober/november 2017 in Vught, op de [afdeling] . Mevrouw [naam slachtoffer] was toen casemanager van onze unit. [naam verdachte] werd [alias] genoemd. [naam verdachte] is iemand die onder je huid kruipt. Hij maakt met iedereen ruzie, onder wie de casemanagers. Ik zag hem steeds op de werkzaam en hij bleef maar tekeer gaan over [naam slachtoffer] , die ook mijn casemanager was. Ik ben bang voor hem. Een mensenleven is hem niets waard. Hij vermoordt mensen zoals wij vliegen. Toch vond ik het mijn taak om mevrouw [naam slachtoffer] door te geven dat [naam verdachte] over haar zei en waar hij haar mee bedreigde. Hij zette mij onder druk om te weten te komen welke auto zij reed. Hij was er volop mee bezig om achter haar adres te komen. Hij heeft mij uitgebreid verteld dat hij eenmaal vrij was, hij haar zou gaan opwachten, in zijn kofferbak leggen om haar ergens te vermoorden. Hij had het hele verhaal al in zijn hoofd, hij zou haar knieën kapot slaan met een knuppel en haar dan in de kofferbak leggen. Hij zei tegen mij: “ [voornaam getuige 1] , ik doe het voor 100%”. Hij heeft mij ook uitgebreid de details verteld over eerdere moorden die hij heeft gepleegd. Ik vond het allemaal zo een ernstige vormen aannemen dat ik bang was dat hij [naam slachtoffer] zelfs binnen de muren van de gevangenis zou omleggen.

Ik ben alles gaan opschrijven om er een beetje mee om te kunnen gaan. Mijn brief heb ik ook aan mevrouw [naam slachtoffer] ter hand gesteld.

Hij heeft vaker gezegd tegen mij dat hij haar ging vermoorden, dat hij haar kapot ging schieten, dat hij haar ging omleggen. Hij keek mij dan strak aan en zei dat dan heel overtuigend, dagen achter elkaar. (…)

De doodsbedreigingen heeft hij geuit na de kerstdagen, in januari 2018.

3) Een geschrift, zijnde een handgeschreven brief van [voornaam getuige 1] (rechtbank begrijpt [getuige 1] ) aan [naam slachtoffer] (rechtbank begrijpt aangeefster [naam slachtoffer] ) van 16 januari (rechtbank begrijpt 2018), overgelegd door de officier van justitie ter terechtzitting van 25 maart 2019, voor zover inhoudende (taal- en schrijffouten door rechtbank hersteld):

Ik wil dat je zsm komt. Dit heeft niets te maken met mij maar met jou. (…) Ik kan veel horen maar zo gaan dingen te ver. Iemand praat over jou te doden en je te volgen en dat gaat voor mij te ver. Ik zit daar best mee en gun dit mijn grootste vijand niet.

4) Proces-verbaal van verhoor verdachte de dato 3 mei 2018, p. 68-73, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De laatste 18 maanden heb ik gevraagd om overplaatsing naar Zwolle om daar te faseren. Ik werd toen in basisregime geplaatst. In het gesprek dat ik had met mijn casemanager zei zij toen dat ik levenslang verdiend had. Zij hield in alles mijn fasering tegen. Ik heb meerdere keren aangegeven dat ik een andere casemanager wilde.

(…)

Vanuit de [naam instelling] ben ik teruggeplaatst naar de PI Vught. Door de behandelcoördinator en de casemanager werd mijn fasering tegengehouden. De naam van de casemanager is [vornaam slachtoffer] [naam slachtoffer] .

(...)

[voornaam getuige 1] [getuige 1] ken ik. (…)

Vraag: wat heeft u hen verteld over uw boosheid op [vornaam slachtoffer] /mevrouw [naam slachtoffer] ?

Antwoord: dat ik een beklagzaak tegen haar had lopen. [voornaam getuige 1] had dezelfde casemanager.

5) Proces-verbaal verhoor van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 23 januari 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De relatie tussen aangeefster en mij verliep niet soepel. Ik zag haar nooit, maar zij was altijd negatief over mij, terwijl andere instanties positief waren. Positieve rapporten werden door haar niet doorgestuurd. Ik vond dat zij niet op haar plaats zat in de functie die zij uitoefende.

6) Een geschrift, zijnde een uitwerking van een afgetapt telefoongesprek tussen verdachte en getuige [betrokkene 2] op 14 april 2018, 14:56:37 tot 14:59:35 uur (in de aanvullende stukken genummerd p. 65-66), gevoegd bij het aanvullende proces-verbaal van bevindingen de dato 26 juni 2018, voor zover inhoudende:

[naam verdachte] vraagt aan [betrokkene 2] of hij het nummer van [voornaam getuige 1] [getuige 1] heeft.

[naam verdachte] zegt dat hij gehoord heeft dat [voornaam getuige 1] een verklaring tegen hem heeft afgelegd en dat hij daarom in de BPG zit.

De man zegt dat [naam verdachte] hem maandag even moet bellen en als het zo is, hij de verklaring acuut gaat intrekken. [naam verdachte] zegt 'ja dat wilde ik vragen of je met hem even een gesprekje kan houden'. De man zegt 'dat doe ik, daar kun je vergif op in nemen’. De man zegt ‘hij legt geen verklaring af, want dan is hij bij mij aan het verkeerde adres'. [naam verdachte] zegt dat er aangifte en alles is gedaan en dat hij hoopt dat de man even een gesprekje met hem aangaat.

7) Proces-verbaal van verhoor van getuige door de rechter-commissaris op 7 juni 2019, van getuige [getuige 1] , voor zover inhoudende:

U, rechter-commissaris, vraagt mij of ik nog gesproken heb met [voornaam betrokkene 1] [betrokkene 2] . Ik heb hem gesproken toen ik nog vrij was en ik heb hem door de telefoon gesproken in detentie. (…) Hij heeft mij aangesproken over de € 5.000,- die betaald zouden zijn voor het afleggen van een verklaring over [naam verdachte] . Hij heeft tegen mij gezegd dat ik de verklaring in moest trekken. Ik was op dat moment bij iemand in Ospel. [betrokkene 2] was er ook.

8) Proces-verbaal van verhoor verdachte de dato 3 mei 2018, p. 69, voor zover inhoudende:

In de BPG heb ik nog gebeld met [voornaam betrokkene 1] (rechtbank begrijpt: [betrokkene 2] ).

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.

De rechtbank is op grond van voormelde bewijsmiddelen van oordeel dat is komen vast te staan dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het daadwerkelijk op de hoogte raken van wat als bedreiging is ten laste gelegd en het ontstaan van de vrees bij aangeefster dat zij het leven zou kunnen verliezen.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verdachte wist dat aangeefster ook de casemanager was van [getuige 1] en dat [getuige 1] op de hoogte was van de slechte relatie tussen verdachte en haar. Door de ernst en heftigheid van de gebruikte bewoordingen, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn eerdere veroordelingen voor levensdelicten, waarvan [getuige 1] op de hoogte was, en gegeven de omstandigheid van de verstoorde werkrelatie tussen verdachte en aangeefster [naam slachtoffer] , heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de bedreigingen die hij ten overstaan van [getuige 1] aan het adres van aangeefster deed door [getuige 1] ook daadwerkelijk aan haar zouden worden doorgegeven.

De rechtbank acht het telefoongesprek dat verdachte heeft gevoerd met [betrokkene 2] op 14 april 2018 niet alleen redengevend voor een bewezenverklaring van feit 2 maar ook voor een bewezenverklaring voor feit 1, in onderling verband en samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen.

Verdachte spreekt met [betrokkene 2] over “een verklaring” die [voornaam getuige 1] ( [getuige 1] ) tegen hem heeft afgelegd. Op grond van de inhoud van dat gesprek concludeert de rechtbank dat het niet anders kan dan dat verdachte de inhoud van die verklaring van [getuige 1] (inhoudende de bedreigingen die verdachte jegens [naam slachtoffer] zou hebben geuit) kende toen hij daaraan refereerde bij [betrokkene 2] , omdat hij de bedreigingen jegens [naam slachtoffer] ook daadwerkelijk tegenover [getuige 1] zelf heeft geuit.


Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaring van de getuige [getuige 1] betrouwbaar. Dat [getuige 1] een motief zou hebben om verdachte in een kwaad daglicht te stellen, is niet gebleken.

De bewijsverweren door de raadsvrouwe gevoerd, worden door de bewijsmiddelen weerlegd en laat de rechtbank thans onbesproken.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat van overtreding van artikel 285a Wetboek van Strafrecht sprake is wanneer is komen vast te staan dat de uiting kennelijk bedoeld was om de vrijheid van de persoon om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen, te beïnvloeden.

Niet is vereist dat vast komt te staan dat die kennelijke bedoeling ook tot een daadwerkelijke beïnvloeding heeft geleid.

Het delict kan bovendien voltooid zijn ongeacht de vraag of de verklaring uiteindelijk is afgelegd.

Uit de weergave van het telefoongesprek tussen verdachte en [betrokkene 2] blijkt dat de uitingen van verdachte erop gericht waren dat [getuige 1] zijn verklaring zou intrekken, hetgeen niet anders kan worden beoordeeld dan als het beïnvloeden van de vrijheid om te verklaren.
De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

in de periode van 1 december 2017 tot en met 16 januari 2018 te Vught

[naam slachtoffer] (casemanager binnen de PI Vught) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling

door tegen een persoon (te weten: [getuige 1] ) (en met 'haar' doelend

op die [naam slachtoffer] ) te zeggen:

"als ik eenmaal vrij ben ga ik haar opwachten en in mijn kofferbak leggen om haar ergens te vermoorden" en "ik ga haar knieën kapot slaan met een knuppel en haar dan in de kofferbak leggen" en "ik doe het voor 100%", van welke bedreigingen die [naam slachtoffer] (via genoemde [getuige 1] ) kennis heeft genomen;

2.

op 14 april 2018 in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk mondeling zich jegens [getuige 1] heeft geuit,

kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid te verklaren ten

overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen

te beïnvloeden terwijl verdachte en zijn mededader wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader

- [betrokkene 2] gebeld en gevraagd of deze het nummer van voornoemde [getuige 1]

[getuige 1] heeft en gezegd dat die [getuige 1] een verklaring tegen hem heeft

afgelegd en vervolgens

- nadat [betrokkene 2] aangaf dat ‘als dat zo is hij de verklaring acuut gaat

intrekken’ gezegd: ja dat wilde ik vragen of je met hem even een gesprekje

kan houden’ en nadat [betrokkene 2] zei ‘dat doe ik. daar kun je vergif op in nemen, hij legt

geen verklaring af, want dan is hij bij mij aan het verkeerde adres’ heeft

gezegd: ‘er is aangifte en alles gedaan en ik hoop dat je even een gesprekje

met hem aangaat’.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft oplegging gevorderd van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest en de maatregel van TBS met dwangverpleging, meer in het bijzonder de niet gemaximeerde variant.

De officier van justitie heeft met betrekking tot de gevorderde TBS-maatregel aangevoerd dat aan de formele vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan.

Kort gezegd: er is sprake van een forse stoornis ten tijde van het feit en het gevaar op herhaling is hoog. Artikel 37a lid 1 sub 1 Sr voorziet in geval van een bedreiging in oplegging van de TBS-maatregel.

De officier van justitie acht het strafblad van verdachte in combinatie met zijn gedrag binnen detentie en met onderhavige bedreiging redengevend voor de conclusie dat sprake is van een geweldsdelict in de zin van artikel 38e Sr zodat een ongemaximeerde TBS aan de orde kan zijn.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Namens verdachte is betoogd dat oplegging van de maatregel van TBS niet passend is in onderhavige zaak, mede gelet op de inhoud van de rapporten van de deskundigen voor wat betreft het herhalingsgevaar en de noodzaak tot behandeling.

Aangevoerd is tevens dat een TBS-maatregel contraproductief zal zijn, nu verdachte reeds tijdens zijn detentie aan zichzelf werkt om de scherpe kantjes te verwijderen en een TBS met dwangverpleging als effect zal hebben dat verdachte nergens meer aan mee zal werken.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige bedreiging jegens zijn toenmalige case-manager bij de PI Vught. Verdachte heeft daarmee een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, alsmede op het recht om haar werkzaamheden met en tussen gedetineerden zonder belemmering te kunnen verrichten. De bedreigingen hebben een grote indruk op haar gemaakt en hevige angstgevoelens bij haar teweeggebracht. Zij kampt volgens de schriftelijke motivering van haar schade nog altijd met psychische problemen.

Verdachte heeft ernstige uitlatingen jegens het slachtoffer gedaan tegenover een medegedetineerde en op de koop toe genomen dat deze bij het slachtoffer terecht zouden komen. Verdachte is veroordeeld voor levensdelicten. Van dat gegeven waren zowel het slachtoffer als zijn case-manager en zijn medegedetineerden op de hoogte. Dat heeft hem er echter niet van weerhouden zich terughoudend op te stellen in zijn uitlatingen. De uitlatingen waren weliswaar een uiting van boosheid, maar zijn naar het oordeel van de rechtbank niet gedaan uit impulsiviteit, maar op een door verdachte gekozen moment.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan strafbare beïnvloeding van een getuige als bedoeld in artikel 285a Sr. De strafbepaling van dit feit beoogt de vrijheid van alle burgers om onbelemmerd ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beschermen. Dat burgers in vrijheid een dergelijke verklaring af kunnen leggen, acht de rechtbank van cruciaal belang voor een goede rechtspleging. De rechtbank rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan dit feit.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de omstandigheid dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is te achten.

Ook houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte een lange gevangenisstraf uitzit en in beginsel eerst in 2021 vrij zal komen.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

De rechtbank zal, anders dan hetgeen de officier van justitie heeft gevorderd, niet de maatregel van TBS opleggen.

De psycholoog en de psychiater hebben in hun rapporten geen gefundeerd oordeel kunnen vellen over de manier waarop verdachte zal recidiveren (al dan niet met fysiek geweld) en over de termijn waarbinnen hij zal recidiveren (áls hij al recidiveert). De beide deskundigen hebben geen advies gegeven omtrent interventies die het recidivegevaar kunnen inperken.

De rechtbank sluit zich aan bij hetgeen de psycholoog heeft gerapporteerd namelijk dat, hoewel het recidivegevaar op vergelijkbaar verbaal agressief delictgedrag hoog is, het moeilijk te bepalen is in hoeverre verbaal agressief delictgedrag tot escalatie zal leiden in de vorm van tegen personen gericht fysiek gewelddadig gedrag. De rechtbank houdt daarbij rekening met de omstandigheid dat verdachte in detentie de afgelopen 13 jaar geen fysieke agressie heeft laten zien.

Gelet hierop en gelet op de wijze waarop verdachte in onderhavige zaak het slachtoffer heeft bedreigd, namelijk indirect en met voorwaardelijk opzet, is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van de TBS-maatregel niet proportioneel is.

De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen bij gebreke van gronden.

De vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij in haar geheel toewijsbaar.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft gepleit voor afwijzing van de gevorderde immateriële schade nu niet uit gedragskundige of medische rapportages blijkt dat sprake is van psychische schade en/of een specifiek ziektebeeld.

De verdediging heeft gepleit voor afwijzing van de gevorderde materiële schade nu de noodzaak van een levenslange beveiliging (middels camera’s) niet noodzakelijk is.

Beoordeling. Het verweer dat uit gedragskundige of medische rapportages dient te blijken dat sprake is van psychische schade en/of een specifiek ziektebeeld bij de benadeelde, mist juridische grondslag en zal worden verworpen.

Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;
b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;
(c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.)
Van de onder b.3 bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

De rechtbank acht in onderhavige zaak aannemelijk dat de benadeelde partij door de uitlatingen van de verdachte last en hinder heeft ondervonden in de vorm van gevoelens van onveiligheid, slaapproblemen en sneller opkomende angstgevoelens op de werkvloer, zoals vermeld in de vordering van de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft zich onder behandeling gesteld van een psycholoog en bedrijfsmaatschappelijk werk en wordt ook op dit moment nog behandeld.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten immateriële schadevergoeding ad € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de materiële schade, aangezien in zoverre geen sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade. De aanleg van een bewakingssysteem is ingegeven door (mogelijk) toekomstig gedrag van verdachte waarvoor de benadeelde partij vreest.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2018 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 36f, 47, 57, 285, 285a.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; feit 2: medeplegen van het opzettelijk beïnvloeden van de vrijheid van een persoon om naar waarheid een verklaring ten overstaan van een rechter of een ambtenaar af te leggen. verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en maatregel:

(ten aanzien van feit 1 en feit 2:)

een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht

(ten aanzien van feit 1:)

maatregel van schadevergoeding van EUR 1.000,-

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer] van een bedrag van EUR 1.000,00 (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 1.000,- immateriële schadevergoeding.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] , van een bedrag van EUR 1.000,- (zegge: duizend euro), te weten immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering (de materiële schade en de gevorderde immateriële schade, een bedrag van 1.000, te boven gaande ) niet-ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

De rechtbank heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met

ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is met ingang van 4 mei 2018 reeds

geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter,

mr. R.J. Bokhorst en mr. T.J. Roest Crollius, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,

en is uitgesproken op 6 februari 2020.

Mr. Roest Crollius is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, [naam basisteam] , genummerd P2100-2018013250, de dato 30 mei 2018 aantal pagina’s: 78. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.