Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:6096

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-12-2020
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
19/2680
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/2680

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. L.A. Versteegh),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Nieuwenhuizen).

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 maart 2019 ingetrokken en bepaald dat eiser met ingang van 1 mei 2019 een bedrag van € 102,56 per maand moet betalen om een bijstandsschuld af te lossen.

Bij besluit van 2 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De zitting heeft door middel van een Skype-beeldverbinding plaatsgevonden op 6 november 2020. De gemachtigde van eiser en gemachtigde van verweerder hebben deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

Relevante feiten en omstandigheden

  1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft van 18 september 2017 tot en met 1 maart 2018 een uitkering op grond van de Pw ontvangen. De uitkering is per 2 maart 2018 beëindigd omdat het recht op uitkering niet langer was vast te stellen doordat eiser meerdere keren, zonder bericht, niet was verschenen op afspraken met zijn werkconsulent. Naar aanleiding van dat beëindigingsbesluit heeft eiser contact opgenomen met verweerder en aangegeven dat hij vanwege familieomstandigheden bij zijn zus in het buitenland zit. Er is toen met eiser een afspraak gemaakt voor een nieuwe intake, maar die heeft eiser afgezegd omdat hij een nieuwe baan had gevonden.

  2. Op 8 februari 2019 heeft eiser zich weer gemeld bij verweerder om een uitkering op grond van de Pw aan te vragen. Op 14 februari 2019 heeft er een intakegesprek plaatsgevonden. Eiser heeft zich weer gemeld omdat hij bijna geen inkomsten meer had uit werk. Hij heeft een tijd zwart gewerkt bij pizzeria [naam 1] , de pizzeria van een vriend, in [vestigingsplaats 1] . Eiser zou zijn loon contant hebben uitbetaald gekregen en die bedragen zelf op zijn rekening hebben gestort om de vaste lasten te kunnen betalen. Omdat de pizzeria niet de vereiste vergunningen had en moest sluiten, heeft eiser sinds december 2018 daar geen inkomsten meer van. Verder heeft eiser tijdens het intakegesprek verklaard dat hij zwart werkt bij een pizzeria in [vestigingsplaats 2] en daarmee € 60,- per week verdient. Naar aanleiding van deze nieuwe aanvraag heeft verweerder Suwinet geraadpleegd. Uit dat onderzoek is gebleken dat eiser van 1 januari 2016 tot en met 1 juli 2018 het bedrijf ‘FDM Auto’s’ op naam heeft gehad en dat hij in de periode van 26 maart 2011 tot en met 30 mei 2016 verschillende auto’s op naam heeft gehad die naar het buitenland zijn geëxporteerd.

  3. Naar aanleiding van de nieuwe aanvraag en de bevindingen in Suwinet, heeft verweerder bankafschriften van eisers betaalrekening over de periode 1 november 2018 tot heden en het laatste afschrift van zijn spaarrekening opgevraagd. Omdat die bankafschriften eisers verklaringen dat hij tot half december 2018 inkomsten heeft gehad van het bedrijf van zijn vriend en dat hij zwart is gaan werken bij de pizzeria in [vestigingsplaats 2] onderbouwen, heeft verweerder besloten om met ingang van 8 februari 2019 aan eiser een uitkering op grond van de Pw naar de norm van een alleenstaande toe te kennen.

  4. Op 12 april 2019 heeft eiser uit eigen beweging een e-mail naar verweerder gestuurd met daarin bankafschriften over de periode 9 maart 2019 tot en met 7 april 2019. Uit de door eiser overgelegde bankafschriften is gebleken dat er op 15 maart 2019 een storting van € 150,-, op 18 maart 2019 een storting van € 200,- en op 29 maart 2019 een storting van

€ 80,- heeft plaatsgevonden. Verder is uit de bankafschriften gebleken dat er op 15 maart 2019, op 18 maart 2019 en op 1 april 2019 een bedrag van

€ 100,- is overgemaakt naar een Duitse rekening die op naam staat van eiser. Gelet hierop heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een gesprek op 18 april 2019 en aan hem gevraagd om een kopie van de bewijsstukken omtrent zijn inkomsten, een kopie van de bankafschriften of internetprint van zijn Nederlandse betaalrekening en zijn Duitse rekening over de periode 1 maart 2019 tot heden mee te nemen naar het gesprek.

5. Eiser is op 18 april 2019 naar het gesprek gekomen en heeft verschillende bankafschriften overgelegd. Op de bankafschriften van de Duitse rekening is zichtbaar dat eiser verschillende bedragen heeft overgemaakt naar derden. Eiser heeft daarover verklaard dat het een prepaid rekening betreft en dat het gaat om financiële handelingen op Facebook en via Skrill, een digitale methode om geld over te maken met behulp van een e-mailadres. Tijdens het gesprek heeft eiser verklaard dat hij geld uitleent aan anderen en dat de stortingen op zijn bankafschriften in de maand maart geen inkomsten zijn uit werk, maar geleend geld om zijn vaste lasten te kunnen voldoen. Om dat laatste te onderbouwen heeft eiser een verklaring overgelegd van de heer [naam 2] van 18 april 2019.

6. Naar aanleiding van het gesprek op 18 april 2019 zijn er bij verweerder grote twijfels ontstaan over de bijstandsbehoeftigheid van eiser. De reden daarvoor is dat in het verleden op dezelfde manier geld is gestort en eiser toen heeft verklaard dat het inkomsten uit zwart werk zijn terwijl het nu geleend geld zou betreffen. Daarnaast blijkt uit de verklaring van de heer [naam 2] niet dat er een terugbetalingsverplichting is vastgelegd, is bij verweerder bekend dat de eigenaar van de pizzeria in [vestigingsplaats 2] ook een meneer [naam 2] betreft en heeft eiser verklaard dat hij in de maand maart wel in de pizzeria aanwezig was maar daar niet heeft gewerkt. Gelet op de grote twijfels die bij verweerder zijn ontstaan, heeft verweerder op 18 april 2019 besloten om het recht op uitkering van eiser tijdelijk stop te zetten en aan eiser gevraagd om een kopie van bewijsstukken van zijn inkomsten en een kopie van zijn bankafschriften of een internetprint over de periode 1 maart 2019 tot heden van al zijn rekeningen in te leveren. Eiser heeft hier niet (volledig) aan voldaan.


Het standpunt van verweerder

7. In het primaire besluit heeft verweerder de uitkering van eiser per 1 maart 2019 ingetrokken en bepaald dat eiser met ingang van 1 mei 2019 een bedrag van € 102,56 per maand moet betalen om een bijstandsschuld af te lossen. De reden hiervoor is dat eiser de gevraagde gegevens niet dan wel niet volledig heeft ingeleverd zodat niet kan worden vastgesteld of eiser bijstandsbehoeftig is. Er hebben in maart 2019 diverse stortingen plaatsgevonden op de betaalrekening van eiser en eiser heeft daarover volgens verweerder geen goede verklaring gegeven. Daarnaast zijn er op een niet door eiser opgegeven rekening diverse onduidelijke transacties te zien en heeft eiser nagelaten om gegevens in te leveren over de financiële transacties op zijn rekeningen in de periode 1 maart tot 9 maart 2019. Hierdoor is er volgens verweerder teveel onduidelijkheid over de omvang van eisers werkzaamheden en zijn inkomsten zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. In het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser de inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat hij geen melding heeft gemaakt van zijn Duitse rekening en de verschillende transacties en stortingen die hebben plaatsgevonden. Vanwege de onduidelijkheden over de transacties en stortingen op de rekeningen van eiser kan volgens verweerder het recht op bijstand vanaf 1 maart 2019 niet, ook niet schattenderwijs, worden vastgesteld.
Het standpunt van eiser

8. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Eiser stelt dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden en dat de overgelegde gegevens voldoende zijn om het recht op bijstand vast te stellen. Het is onduidelijk welke stukken hij nog meer had moeten verstrekken. Eiser heeft sinds 4 juni 2019 een baan gevonden en voorziet nu zelf in zijn levensonderhoud. Het is echter wel van belang dat hij over de maanden waarop hij recht heeft gehad op een uitkering die alsnog krijgt toegekend en dat hij de terugvordering van € 1.200,- niet hoeft te betalen. Verder voert eiser aan dat verweerder een belangenafweging dient te maken van zijn belangen en die van verweerder. Het ging om het volledige inkomen van eiser en eiser heeft er redelijkerwijs op mogen vertrouwen dat zijn uitkering, die hem kort daarvoor was toegekend, niet zomaar kon worden beëindigd. Eiser heeft volledige openheid van zaken gegeven. Het enkel ontvangen van twee stortingen waar een schriftelijke verklaring voor is gegeven is geen grondslag om de uitkering te beëindigen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138, stelt eiser verder dat er minder strenge regels van toepassing zijn als het gaat om leningen die voorafgaand aan de uitkering zijn aangegaan. Voorts voert eiser aan dat hij meermaals heeft uitgelegd dat zijn Duitse rekening, waarop de betalingen aan Facebook en Skrill plaatsvinden, een prepaid creditcard betreft. Het is onmogelijk om een negatief saldo te krijgen op een prepaid creditcard. De kaart is gekoppeld aan de bankrekening van eiser. Door het indienen van de bankafschriften is die kaart inzichtelijk gemaakt. Het is geen aparte rekening waar je gebruik van kan maken zonder dat je er zelf geld op stort. Eiser heeft ook verklaard dat hij via de prepaid creditcard slechts één keer een bedrag van € 200,- aan een vriend heeft uitgeleend.

Het oordeel van de rechtbank

9. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw doet een belanghebbende op verzoek of uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

10. Kasstortingen en bijschrijvingen zijn feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:342) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel namelijk aangemerkt als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw en zijn daardoor van invloed op het recht op bijstand of de hoogte daarvan. Als die betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de bijstandontvanger kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, worden die betalingen aangemerkt als inkomsten.

11. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor eiser belastend besluit, zodat het op de weg van verweerder ligt om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat verweerder in beginsel aannemelijk dient te maken dat is voldaan aan de voorwaarden om de bijstandsuitkering van eiser in te trekken.

12. De te beoordelen periode loopt in het geval van intrekking van bijstand vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het besluit tot intrekking. In dit geval dient de rechtbank daarom de periode van 1 maart 2019, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 23 april 2019, de datum van het primaire besluit tot intrekking van de bijstand van eiser, te beoordelen.

13. De rechtbank overweegt allereerst dat het verzoek van eiser in beroep om het bezwaarschrift als herhaald en ingelast te beschouwen, onvoldoende is om te spreken van een beroepsgrond waar de rechtbank op dient in te gaan. Verweerder is in het bestreden besluit ingegaan op de bezwaren van eiser en eiser heeft in beroep met deze herhaling en inlassing niet concreet aangeven waarom de reactie van verweerder daarop volgens hem niet voldoende is. De rechtbank zal zich daarom alleen richten op wat eiser in beroep concreet heeft aangevoerd.

14. De rechtbank stelt vast dat uit de door eiser overgelegde bankafschriften blijk dat er op 15 maart 2019 een bedrag van € 150,- is gestort op eisers rekening (in Nederland) en dat een bedrag van € 100,- is overgemaakt naar zijn Duitse rekening, dat op 18 maart 2019 een bedrag van € 200,- is gestort en een bedrag van € 100,- is overgemaakt naar de Duitse rekening, dat op 29 maart 2019 een bedrag van € 80,- is gestort en dat op 1 april 2019 een bedrag van € 100,- is gestort en een bedrag van € 100,- is overgemaakt naar de Duitse rekening. In maart 2019 is er dus in totaal € 430,- gestort op eisers rekening en tussen 15 maart 2019 en 1 april 2019 is er in totaal € 300,- overgemaakt naar een Duitse rekening die op eisers naam staat. Eiser heeft van de stortingen, de afschrijvingen en zijn Duitse rekening geen melding gemaakt bij verweerder terwijl het hem in redelijkheid duidelijk had kunnen zijn dat de stortingen, de transacties en zijn Duitse rekening van invloed konden zijn op zijn recht op bijstand en dat hij die daarom moest melden. Voor zover bij eiser twijfel bestond over de vraag of deze gegevens voor de verlening van bijstand van belang konden zijn, had hij daarin aanleiding moeten zien om contact op te nemen met verweerder om op dat punt duidelijkheid te verkrijgen. Voor zover eiser meent dat een prepaid creditcard niet gemeld dient te worden omdat het gekoppeld is aan zijn gewone betaalrekening verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de CRvB van 10 december 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3962). In die uitspraak heeft de CRvB geoordeeld dat een mutatieoverzicht van een prepaid creditcard inzicht verschaft in de financiële situatie en daarmee van belang is voor het vaststellen van het recht op bijstand. Voorts overweegt de rechtbank dat uit de besluitvorming van verweerder weliswaar niet duidelijk blijkt welke gegevens eiser niet zou hebben ingeleverd, maar dat doet er niet aan af dat eiser van de ontvangen bedragen, de transacties en het bestaan van zijn Duitse rekening geen melding heeft gemaakt. Dat is al voldoende voor het oordeel dat eiser de inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de Pw heeft geschonden.

15. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstandsuitkering indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad.

16. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daar niet in geslaagd. Eiser heeft tijdens het gesprek op 18 april 2019 verklaard dat de Duitse rekening een prepaid rekening betreft en dat hij daarmee onder andere geld uitleent aan anderen. De verklaring van eiser dat hij geld uitleent aan anderen valt niet te rijmen met zijn verklaring dat hij bijstandsbehoeftig is. Verweerder heeft het vreemd kunnen achten dat iemand die stelt bijstandsbehoeftig te zijn geld uitleent aan anderen. Daarnaast komt de verklaring van eiser in beroep dat hij slechts éénmalig een bedrag van € 200,- aan een vriend heeft uitgeleend niet overeen met de afschriften van zijn Duitse rekening. Op de afschriften van zijn Duitse rekening zijn een aantal afschrijvingen van Facebook en Skrill te zien. Eiser heeft onvoldoende inzicht verschaft in de transacties die hebben plaatsgevonden op zijn Duitse rekening en daar onvoldoende uitleg over gegeven.

17. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn verklaring dat de stortingen in maart 2019 geleend geld betreffen onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de verklaring van de heer [naam 2] blijkt allereerst dat hij een bedrag van € 420,- aan eiser heeft gegeven terwijl er in totaal € 430,- is gestort op eisers rekening. Daarnaast blijkt uit de verklaring niet dat de leningen zijn verstrekt voor levensonderhoud en welke bedragen op welke datum en op welke wijze aan eiser zijn verstrekt. Uit de verklaring blijkt ook niet dat er een terugbetalingsverplichting is afgesproken. Daar komt bij dat de verklaring achteraf, op 18 april 2019, is opgemaakt. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de contante stortingen op zijn bankrekening leningen voor levensonderhoud betreffen. De herkomst van de stortingen zijn niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt zodat eiser onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn financiële situatie. Het beroep van eiser op de uitspraak van de CRvB van 22 januari 2013 leidt niet tot een ander oordeel. Uit de uitspraak volgt dat een betrokkene in beginsel geen recht heeft op bijstand indien en voor zover hij zich periodieke middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan. Dit kan anders zijn indien die betrokkene in een periode waarin hij geen bijstand of ander inkomen ontvangt ter voorziening in zijn levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van leningen, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3188). Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de stortingen leningen betreffen die zijn verstrekt voor levensonderhoud.

18. Doordat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in de transacties en stortingen die op zijn rekeningen hebben plaatsgevonden in de te beoordelen periode, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, indien hij wel aan zijn inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de in geding zijnde periode recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad. Omdat er grote onduidelijkheid bestaat, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het ook niet mogelijk is om schattenderwijs tot een nadere vaststelling van het recht op bijstand over de te beoordelen periode te komen. Dit betekent dat verweerder op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw gehouden was om het recht op bijstand vanaf 1 maart 2019 in te trekken. Dat eiser er op kon vertrouwen dat zijn uitkering niet zomaar zou worden beëindigd volgt de rechtbank niet. In de toekenningsbeschikking van 19 maart 2019 is eiser gewezen op de inlichtingenverplichting en de gevolgen als hij die niet nakomt. Gelet op de verplichte intrekking van de bijstand bestaat er voor verweerder ook geen ruimte om een belangenafweging te maken zoals eiser stelt (zie hiervoor ook de uitspraak van de CRvB van 7 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:12).

19. Tot slot stelt de rechtbank vast dat, anders dan eiser lijkt te menen, geen sprake is van een terugvordering. Verweerder heeft niet een deel van de door eiser ontvangen bijstand teruggevorderd. Wel heeft eiser een schuld van € 1.210,24 openstaan bij verweerder. Dit bedrag betreft een leenbijstand met incassokosten. Maandelijks werd er € 51,28 van eisers bijstand ingehouden om die leenbijstand te kunnen aflossen. Aangezien dat nu niet meer kan omdat de bijstandsuitkering van eiser is ingetrokken, dient eiser die leenbijstand op een andere manier af te lossen en heeft verweerder bepaald dat eiser dan maandelijks een bedrag van € 102,56 dient te betalen.
De conclusie

20. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. van Marle, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.H.S. Abbing, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 7 december 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.