Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:6082

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-12-2020
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
20/69
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/69

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel,

verweerder,

(gemachtigde: mr. J.M. van der Heijden)

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen het gebruik van de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) ten behoeve van kamerbewoning.

Bij besluit van 18 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2020. Eiser is verschenen in persoon. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Bij brief van 5 juli 2019 heeft eiser verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik van de woning ten behoeve van kamerbewoning. Volgens eiser wordt de woning verhuurd aan arbeidsmigranten en staan er gemiddeld vijf voertuigen tegelijk geparkeerd bij de woning.

1.2

Het perceel waarop de woning is gesitueerd is gelegen binnen het bestemmingsplan “Sint-Michielsgestel West” en heeft daarin de enkelbestemming “Wonen-1”. Ingevolge artikel 13.1 van de planregels zijn de voor “Wonen-1” aangewezen gronden onder meer bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep.

1.3

Op 19 september 2019 heeft de raad van verweerders gemeente het "voorbereidingsbesluit kamerbewoning Sint-Michielsgestel" genomen.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het verhuren van de woning aan arbeidsmigranten, of het verhuren van kamers aan personen die niet tot het huishouden van de verhuurder horen, binnen de bestemming past. De planregels verbieden de bewoning van individuele kamers door derden niet. Het gebruik is volgens verweerder niet in strijd met de planregels. Het "voorbereidingsbesluit kamerbewoning Sint‑Michelsgestel" maakt dat niet anders, omdat het geen gevolgen heeft voor reeds bestaande situaties.

3.1

Eiser voert aan dat verweerder heeft nagelaten zich ter plaatse op de hoogte te stellen van de feitelijke situatie van het daadwerkelijke gebruik van de woning. Het bestreden besluit is derhalve onzorgvuldig voorbereid.

3.2

Volgens verweerder staat niet ter discussie dat er vijf of zes arbeidsmigranten wonen in de woning. Een controle om dat na te gaan was daarom niet nodig.

3.3

De rechtbank stelt vast dat verweerder de door eiser gestelde kamerbewoning door vijf of zes arbeidsmigranten aanneemt. Uitgaande van dit feit heeft verweerder beoordeeld of er sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan. Het uitvoeren van een controle voegt dan niets toe. Een controlebezoek zou wel van belang zijn geweest voor de vaststelling van de feitelijke situatie op het moment van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit, maar dat besluit vormt niet het in deze zaak te toetsen besluit.

Dit betoog faalt.

4.1

Eiser voert aan dat verweerders interpretatie van de planregels, gezien de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), niet juist is. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3046). Anders dan verweerder stelt, dienen plankaart, begripsbepalingen, en bouw- en gebruiksvoorschriften van het geldende bestemmingsplan in samenhang en niet als losstaande elementen te worden beschouwd. Uit de andere planregels valt op te maken dat het woonbegrip aan beperkingen onderhevig is, dan wel aan de hoofdbestemming van een afzonderlijke huishouding wordt gekoppeld. Ook wijst eiser op een krantenartikel over een huisjesmelker in de gemeente Vught waar volgens hem sprake is van dezelfde tekst in de planregels, maar daaraan kennelijk een andere uitleg wordt gegeven.

4.2

Volgens verweerder verbieden de planregels de huisvesting van arbeidsmigranten in de woning niet, omdat het begrip "wonen" niet is gedefinieerd en de definitie van "woning" niet van belang is voor de uitleg van dit begrip.

4.3

De rechtbank volgt verweerder in zijn opvatting dat het begrip "wonen" in de planregels niet is gedefinieerd. Ingevolge artikel 1.69 van de planregels is een woning: een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. In artikel 13.1 van de planregels, waarin is bepaald dat de voor "Wonen-1" aangewezen gronden onder meer bestemd zijn voor wonen, is geen relatie gelegd met de definitie van het begrip “woning”, zoals neergelegd in artikel 1.69 van de planregels. Nu het begrip “wonen” niet is gedefinieerd en voor de uitleg van dat begrip niet is verwezen naar enige planregel, dient aansluiting te worden gezocht bij het algemeen spraakgebruik. Onder “wonen” kunnen diverse vormen van huisvesting worden begrepen. Het verhuren van een woning aan arbeidsmigranten of het verhuren van kamers aan personen die niet tot het huishouden van de verhuurder horen, kan hieronder vallen. Nu de planregels de bewoning van individuele kamers door derden niet verbiedt, is het gebruik niet in strijd met de planregels. De rechtbank vindt hiervoor steun in verschillende uitspraken van de Afdeling van onder meer 6 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1882) en 23 januari 2019 (ECLI:NL:RVS2019:192). Het voorbereidingsbesluit leidt niet tot een ander oordeel, omdat het geen gevolgen heeft voor bestaande situaties.

De door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling is uitvoerig in het advies van de onafhankelijke bezwaarschriftencommissie besproken en bevestigt – kort gezegd – de redenering van verweerder. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat een andere uitleg moet worden gegeven aan het begrip wonen. Het door eiser overgelegde krantenartikel over de gemeente Vught leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Nog los van de vraag of in de gemeente Vught sprake is dezelfde tekst in de planregels, maakt dit niet dat verweerder gehouden zou zijn om een andere uitleg aan de eigen planregels te geven. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij niet bevoegd is handhavend op te treden.

Dit betoog faalt.

5.1

Eiser voert aan dat het plotseling en in het geheim nemen van een voorbereidingsbesluit voor dit gebied in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur. Eiser vindt het voorbereidingsbesluit niet nodig, omdat volgens hem kamerbewoning al verboden was en het noemen van een maximaal aantal personen een uitbreiding betreft.

5.2

Verweerder stelt hierover dat met het voorbereidingsbesluit de kamerbewoning wordt beperkt tot vier personen.

5.3

De rechtbank volgt verweerder in zijn opvatting dat het voorbereidingsbesluit een beperking inhoudt van het gebruik van woningen voor kamerbewoning en niet een uitbreiding ervan, zoals eiser meent. Immers, op grond van de planregels is er nu, zoals hiervoor is overwogen, bij kamerbewoning geen sprake van een beperking van het aantal personen. De beperking van het aantal personen tot vier in het voorbereidingsbesluit heeft overigens geen gevolgen voor de hier aan de orde zijnde situatie, omdat het voorbereidingsbesluit geen gevolgen heeft voor bestaande situaties.

Ook dit betoog faalt.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 4 december 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.