Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:6081

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-12-2020
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
19/3440
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2021-0064
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/3440

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het dagelijks bestuur van het waterschap De Dommel, verweerder

(gemachtigde: mr. R.M. Pieterse).

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder een verzoek van eiser om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 12 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2020. Eiser is verschenen in persoon, vergezeld van mevrouw [naam] . Online heeft P.J.T. van Bakel, deskundige van eiser, deelgenomen aan de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] , [naam] , [naam] en [naam] , bijgestaan door de gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.2

Vanaf eind mei tot eind juni 2016 zijn grote hoeveelheden neerslag gevallen in Oost-Brabant, Limburg en België. De meest extreme neerslag viel op 30 mei en 1 juni 2016. Deze extreme neerslag heeft in het beheersgebied van waterschap de Dommel gezorgd voor forse wateroverlast en -schade.

1.3

Op 29 juni 2016 heeft eiser een (eerste) verzoek om schadevergoeding ingediend. Eiser stelde daarin dat de schade is ontstaan door:

- “ activiteiten” van het waterschap, gericht op het vasthouden van water;

- stuwen niet te laten zakken om benedenstroomse gebieden te ontzien;

- de Natte natuurparel die in het gebied is gerealiseerd; die heeft vernatting veroorzaakt en waardoor de waterbuffer is verkleind;

- het maaibeleid, dat doorstroming tegenwerkt;

- het meanderend en minder diep maken van de Buulder Aa, waardoor het water niet goed weg kan en er minder buffercapaciteit is; de Bosloop kan het water daardoor niet kwijt op de Buulder Aa;

- verontreiniging van sloten, die daardoor geen water kwijt kunnen.

1.4

Op basis van hydrologische onderzoeken heeft de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken te Rotterdam (SAOZ) vastgesteld dat deze door eiser genoemde schadeoorzaken

- voor zover te beoordelen binnen het stelsel van nadeelcompensatie - hun grondslag vinden in het project “Herinrichting Buulder Aa”. Verweerder heeft het (eerste) verzoek van eiser daarom bij besluit van 3 juli 2017, vanwege het ontbreken van causaal verband, afgewezen. Bij besluit van 12 maart 2018 is het door eiser daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddel aangewend, zodat het onherroepelijk is geworden.

1.5

Bij brief van 4 juli 2017 heeft de verzekeraar van het waterschap aangegeven dat geen sprake is geweest van schending van de zorgplicht en dat het waterschap daarom niet aansprakelijk is voor de door eiser geleden schade.

1.6

Op 25 augustus 2017 heeft eiser een tweede verzoek om schadevergoeding ingediend, nog steeds omdat als gevolg van de hevige regenval een aantal van zijn percelen landbouwgrond onder water is gelopen. Eiser stelt dat te velde staande gewassen verloren zijn gegaan, waardoor er onder meer sprake is van inkomstenderving. De schade bedraagt € 40.805,43 aan aardappels, € 17.130,55 aan mais, € 5.085,95 aan overige kosten, in totaal € 63.021,93.

1.7

Over het tweede verzoek van eiser heeft de SAOZ in maart 2019 advies aan verweerder uitgebracht. De SAOZ heeft vastgesteld dat de wijze van maaien en onderhouden van de betreffende watergang(en) en het peilbeheer voor en na 2016 in ieder geval niet hebben geleid tot een zodanige verslechtering van de waterhuishouding van de betreffende percelen dat daardoor voor de percelen een situatie is ontstaan die tot eerdere wateroverlast en/of schade heeft geleid. Dit betekent dat van een direct nauw verband tussen de gestelde schade en de gestelde schadeoorzaken op voorhand evident geen sprake is. Immers, indien dit wel het geval zou zijn, zou dit ook in de jaren 2013, 2014 en 2015 en na 2016 tot wateroverlast en eventueel daaruit voortvloeiende schade hebben geleid. De schade is pas ontstaan na de extreme neerslag in de periode mei-juni 2016. De inundatie van de percelen is feitelijk primair veroorzaakt door de extreme neerslag die heeft plaatsgevonden. De SAOZ heeft verweerder geadviseerd het verzoek om schadevergoeding af te wijzen, hetgeen verweerder bij het primaire besluit heeft gedaan.

1.8

Op 23 augustus 2019 heeft de SAOZ naar aanleiding van het door eiser gemaakte bezwaar nog een nader advies uitgebracht. De SAOZ concludeert op basis van de beschikbare feiten en omstandigheden wederom dat geen sprake is van een voldoende hecht en causaal verband tussen de gestelde schade en de eventuele uitoefening van een publiekrechtelijke taak of bevoegdheid door het waterschap. De schade is niet ontstaan door concrete handelingen, maatregelen of besluiten van het waterschap, maar door de extreme neerslag in deze periode.

1.9

De bezwaarcommissie heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat in mei-juni 2016 grote hoeveelheden neerslag zijn gevallen en dat het door het waterschap gevoerde waterbeheer is aan te merken als rechtmatig overheidshandelen. Eerst na de overvloedige neerslag was sprake van inundatie van eisers percelen.

1.10

Bij het bestreden besluit is het primaire besluit na heroverweging, met verwijzing naar het nadere advies van de SAOZ, door verweerder gehandhaafd.

Verweerder legt - kort gezegd - aan het bestreden besluit ten grondslag dat een rechtstreeks causaal verband tussen de door eiser aangevoerde schadeoorzaken en de gestelde schade ontbreekt. Het gevoerde waterbeheer staat niet in rechtstreeks verband met de gesteld geleden schade. De hevige neerslag van eind mei en begin juni 2016 wordt door verweerder als schadeveroorzakende gebeurtenis aangemerkt.

2. In beroep stelt eiser - kort gezegd - dat het bestreden besluit niet op de juiste gronden is genomen. Ter onderbouwing heeft eiser een advies van dr. Van Bakel van de De Bakelse Stroom (DBS) van 18 mei 2020 overgelegd met de titel “Analyse van de hydrologische situatie in 2016 van de landbouwpercelen [bedrijf] te [vestigingsplaats] ”. In zijn rapport trekt Van Bakel de volgende conclusies:

1. Op basis van de meteorologische gegevens van juni 2016 is de kans op langdurige inundatie (langer dan 2 dagen) van de landbouwpercelen in de regio Budel niet aannemelijk.

2. Op basis van een regionale analyse is langdurige inundatie (langer dan 2 dagen) van landbouwpercelen in juni 2016 niet aannemelijk.

3. Door het niet maximaal verlagen van de stuwen direct na 2 juni 2016 en het niet op winterpeil zetten nadat de afvoerpiek van 2 juni zou zijn afgevoerd, is de waterstand in de voor de ontwatering van schadepercelen relevante watergangen in juni 2016 zeker 30 cm hoger geweest dan hij zou zijn geweest bij maximaal verlagen van de stuwen en vervolgens op winterpeil stellen.

4. De inundatie van de schadepercelen is verlengd doordat het geïnundeerde water op de schadepercelen door het niet verlagen van de stuwen niet kon terugstromen.

5. Door het niet verlagen van de stuwen naar winterpeil is de grondwaterstand in de schadepercelen in de dagen na 2 juni 2016 minder snel gezakt in vergelijking met de situatie met winterpeilen.

6. Door de langere inundatieduur en de hogere grondwaterstand is er (extra) natschade op de schadepercelen opgetreden.

7. Het feit dat in 2016 schade is uitgekeerd (aan [naam] ) voor vergelijkbare percelen in de nabije omgeving is een indirect bewijs dat niet alle natschade in 2016 kan worden geweten aan overmacht (de extreme neerslag van begin juni) maar ook aan door het waterschap uitgevoerde maatregelen.

Ook doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

3. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij de tweede aanvraag van eiser, nadat de eerdere was afgewezen, zo ruim en welwillend mogelijk heeft opgevat. De SAOZ heeft alle mogelijke oorzaken (nogmaals) bekeken en gewogen en is tot een gedegen advies gekomen, dat door verweerder is overgenomen. De stellingen van Van Bakel in beroep wijken echter af van de aanvraag. Immers, eiser stelt zich daarmee op het standpunt dat de waterschade (uitsluitend) is veroorzaakt door ontoereikend waterbeheer c.q. een schending van de zorgplicht ten tijde van de wateroverlast in de zomer van 2016. Schending van de zorgplicht zou een onrechtmatige daad (kunnen) opleveren, en valt daarmee buiten het stelsel van nadeelcompensatie.

Wettelijk kader

4. Nadeelcompensatie is geregeld in artikel 7.14 van de Waterwet, dat in de bijlage is opgenomen en de Verordening schadevergoeding Waterschap de Dommel 2015 (de Verordening).

5.1

De rechtbank stelt vast dat eiser voor de tweede keer een verzoek om nadeelcompensatie heeft ingediend. Verweerder heeft dit tweede verzoek inhoudelijk behandeld. De rechtbank zal dit besluit daarom inhoudelijk beoordelen.

5.2

Voor zover eiser, zoals hij ter zitting heeft benadrukt, ondanks het niet benoemen van enige grondslag voor de schade, heeft beoogd om opnieuw rechtmatig handelen van verweerder aan de orde te stellen, heeft verweerder verwezen naar het nadere rapport van de SAOZ. De rechtbank deelt de conclusie van de SAOZ, dat de schade niet is ontstaan door handelingen, maatregelen of besluiten van het waterschap. Onweersproken is gebleven dat de wisseling van winterpeil naar zomerpeil en omgekeerd geschiedt op verzoek van de betrokken agrariërs in het gebied en dat daaraan geen specifiek beleid ten grondslag ligt dat eiser onevenredig benadeelt ten opzichte van anderen.

Bovendien was er een zodanige hoeveelheid neerslag gevallen dat een verlaging van de stuwen, handmatig of (semi-)automatisch, geen verschil had gemaakt. De stuwen waren immers ‘verdronken’ (tijdelijk overstroomd). De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat de schade had kunnen worden voorkomen door verweerder. De in het beroepschrift en het rapport van DBS genoemde overige schadeoorzaken hebben vooral betrekking op vermeende schending van de op het waterschap rustende zorgplicht. Zoals uit de hiervoor aangehaalde maatstaf blijkt, dient dat beoordeeld te worden in een civielrechtelijke procedure en niet in het beroep tegen de afwijzing van een verzoek om nadeelcompensatie. Daarmee slaagt de beroepsgrond niet.

5.3

Eiser heeft met een beroep op het gelijkheidsbeginsel nog gesteld dat naar aanleiding van de wateroverlast in 2016 aan een collega-agrariër wiens percelen in de buurt liggen, wel een schadevergoeding is betaald.

Ook deze beroepsgrond faalt omdat geen sprake is van een gelijk geval. Verweerder heeft hierover namelijk onweersproken gesteld dat de in die zaak vastgestelde schadeoorzaak de onjuiste wijze van stuwbediening was. De toekenning van een vergoeding hield verband met de frequentie waarmee bepaalde percelen overstroomden als gevolg van de toestand van gemeentelijke riooloverstorten en die van een specifieke duiker van het waterschap. De betreffende deelbeschikking is genomen om een lastige discussie over de bijdrage van het noodweer te voorkomen en uit proceseconomisch oogpunt. Dit is een onrechtmatig handelen en valt dus niet onder de reikwijdte van artikel 7:14 van de Waterwet.

6. Het beroep is ongegrond. Er is daarom geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling, noch om te bepalen dat het griffierecht moet worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, en mr. M.J.H.M. Verhoeven en mr. J.H.G. van den Broek, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 4 december 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage: wettelijk kader

Artikel 7.14 van de Waterwet:

  1. Aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, wordt op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding toegekend, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

  2. Het verzoek tot vergoeding van de schade bevat een motivering, alsmede een onderbouwing van de hoogte van de gevraagde schadevergoeding. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel verordening van provincie of waterschap kunnen regels worden gesteld omtrent de inrichting, indiening en motivering van een verzoek tot schadevergoeding.

  3. Het bestuursorgaan kan het verzoek afwijzen, indien vijf jaren zijn verlopen na de dag waarop de schade zich heeft geopenbaard dan wel nadat de benadeelde redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de schade, doch in elk geval na verloop van twintig jaren na de schadeveroorzakende gebeurtenis. Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur dan wel verordening van provincie of waterschap kunnen regels worden gesteld omtrent de behandeling en de wijze van beoordeling van een verzoek tot schadevergoeding.

  4. Het besluit inzake de toekenning van de vergoeding wordt genomen bij afzonderlijke beschikking.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, onverminderd artikel 7.15, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de schade die krachtens het eerste lid voor vergoeding in aanmerking komt.