Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:6029

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
363198 KG ZA 20-580
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vonnis in kort geding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/363198 / KG ZA 20-580

Vonnis in kort geding van 25 november 2020

in de zaak van

de stichting

STICHTING WOONBEDRIJF SWS.HHVL,

gevestigd te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. B. Poort te Eindhoven,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.M. van der Marel te Eindhoven.

Partijen zullen hierna Woonbedrijf en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

De procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 oktober 2020 met 7 producties;

  • -

    de brief van mr. Van der Marel van 9 november 2020 met 2 producties;

  • -

    de mondelinge behandeling via Skype op 11 november 2020;

  • -

    de pleitnotitie van Woonbedrijf

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Woonbedrijf verhuurt de zelfstandige woonruimte staande en gelegen te ( [postcode] ) [woonplaats] aan de [adres] (hierna ook te noemen: de woning) sinds [datum] aan [gedaagde] .

2.2.

In artikel 2 van de huurovereenkomst is bepaald dat het gehuurde uitsluitend bestemd is om als woonruimte te worden gebruikt door huurder en de leden van zijn gezin.

2.3.

Op de huurovereenkomst zijn van toepassing de Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte van 1 november 2004 van Woonbedrijf, waarin – voor zover thans van belang – het volgende is bepaald:

Bescherming woonklimaat

6.7.1

Huurder dient ervoor zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast, hinder of schade wordt veroorzaakt door huurder, huisgenoten, huisdieren of door derden die zich vanwege huurder in het gehuurde en/of de directe woonomgeving of in de gemeenschappelijke ruimten bevinden.

6.7.3

Het is huurder evenmin toegestaan om qat, soft drugs, harddrugs of andere van overheidswege verboden middelen te verhandelen te produceren of in groepsverband te gebruiken of te laten gebruiken in het gehuurde of in de eventuele gemeenschappelijke ruimten, of een deel daarvan, of in de directe omgeving van het gehuurde. Het is huurder bekend dat het handelen in strijd met voormelde gepaard kan gaan met overlast zoals vervuiling, vandalisme etc. Het handelen in strijd met dit verbod is dermate ernstig dat dit de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde op de kortst mogelijke termijn rechtvaardigt.”

2.4.

Op 10 september 2020 heeft de bestuurlijke rapporteur van de Basiseenheid [plaats] van de politie een rapportage naar Woonbedrijf gestuurd. Uit deze rapportage blijkt dat in het kader van een opsporingsonderzoek door de politie een handelshoeveelheid harddrugs in het gehuurde is aangetroffen benevens goederen die er op duiden dat het gehuurde werd/wordt gebruikt voor gebruik van cocaïne en/of opslag en/of handel van harddrugs. In de rapportage is (onder andere) het volgende opgenomen:

“(…)

Het afgelopen jaar zijn er ongeveer 10 meldingen bij de politie binnengekomen van omwonenden die overlast ervaarden, afkomstig van de bewoner en/of bezoekers van het pand aan de [adres] . Dit gaat van geluidsoverlast tot overlast van verward gedrag van de bewoner van [adres] .

Op 18 november 2019 is de politie de woning, gelegen aan de [adres] binnengetreden na toestemming van de bewoner [gedaagde] . Dit na aanleiding van een ander incident waar de bewoner bij betrokken was. De politie trof op een kader op de eerste etage een klein formaat blender aan, waarop zichtbaar witte resten van een poedersubstantie waarneembaar waren. Gezien de locatie van de blender was het aannemelijk dat dit resten van verdovende middelen waren, echter zijn deze resten niet getest en dit was voor de spelende casus ook niet ter zake dienend.

Op 27 januari 2020 komt bij de politie anonieme informatie binnen dat [gedaagde] handelt in cocaïne.

Op 21 juli 2020 komt de volgende informatie binnen bij de politie: “handel in harddrugs in [woonplaats] , [gedaagde] , rond de [getal] jaar, uit [woonplaats] dealt in cocaïne. Hij is woonachtig aan de [adres] in [woonplaats] .

Op 12 augustus 2020 wordt de woning aan de [adres] betreden door de politie. Dit hield verband met een strafbaar feit. Bij de huiszoeking die volgde werden diverse goederen aangetroffen die, volgens de politie, duiden op handel in harddrugs, vanuit de woning aan de [adres] . De volgende goederen werden aangetroffen:

Er werd een weegschaal aangetroffen, een tas vol met seal zakjes, een plastic bakje met een wit poeder, vermoedelijk versnijdingsmiddel en een boterhamzakje met een brok vermoedelijk cocaïne. Ook werd er een klein formaat blender aangetroffen, waarop zichtbaar resten zaten van een witte poederachtige substantie. Deze substantie was op het oog hetzelfde als het poeder dat in het bakje werd aangetroffen, en later cocaïne te zijn. Ook rook deze substantie hetzelfde als de inhoud van het bakje. De inhoud van de blender is niet indicatief getest.

De hoeveelheid aangetroffen poeder is gewogen en getest. Het betrof totaal netto gewicht 5,69 gram cocaïne, welke daadwerkelijk positief testte als cocaïne bij een indicatieve test.

(...).”

2.5.

In het verhoor naar aanleiding van het opsporingsverzoek heeft [gedaagde] blijkens de rapportage het volgende verklaard:

“Ik gebruik een paar keer per week drugs, cocaïne en GHB. Het witte poeder dat in het bakje zat is cocaïne en dit is van mij. Het witte poeder dat in het plastic zakje zat is ook cocaïne en is van mij. De vele lege sealzakjes zijn om de cocaïne in te verdelen, dat is voor eigen gebruik. De 2 zwarte potten zijn gevuld met wit poeder. Dat is suikermiddel om de cocaïne mee te versnijden. De blender die op de kamer stond op de eerste etage gebruik ik om de cocaïne en het suikermiddel mee te mengen. Het notitieblokje, met verschillende namen en cijfers, heb ik nog nooit gezien.”

2.6.

Tegen [gedaagde] is proces-verbaal opgemaakt.

2.7.

Bij brief van 21 september 2020 heeft Woonbedrijf aan [gedaagde] verzocht de huurovereenkomst vrijwillig op te zeggen in verband met de in de woning aangetroffen zaken.

2.8.

[gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan dit verzoek.

2.9.

De officier van justitie heeft [gedaagde] gedagvaard waarbij hem is ten laste gelegd het aanwezig hebben van een 5,69 gram cocaïne. Op 6 november 2020 is [gedaagde] door de politierechter hiervan vrijgesproken op vordering van de officier van justitie. De officier van justitie had deze vrijspraak gevorderd, zo is mr. Poort desgevraagd te verstaan gegeven, omdat met betrekking tot het aangetroffen wit poeder een NFI-rapport ontbrak en de politie bij [gedaagde] was binnengetreden op verdenking van heling van fietsen en niet op verdenking van handel in verdovende middelen. De tijdens de doorzoeking aangetroffen verdovende middelen en attributen werden door de officier als onrechtmatig verkregen bewijs beschouwd.

3 Het geschil

3.1.

Woonbedrijf vordert om [gedaagde] - uitvoerbaar bij voorraad - te veroordelen om binnen drie dagen, althans binnen veertien dagen na betekening van het vonnis de zelfstandige woning staande en gelegen te ( [postcode] ) [woonplaats] aan de [adres] , te ontruimen en ontruimd te houden en [gedaagde] te veroordelen in de kosten en de nakosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Hieraan legt Woonbedrijf het volgende ten grondslag.

3.2.1.

Woonbedrijf vordert ontruiming van het gehuurde op grond van de bevindingen van de politie tijdens het opsporingsonderzoek op 12 augustus 2020. Gelet op de aanwezigheid van de aangetroffen goederen in het gehuurde die gerelateerd zijn aan handel in verdovende middelen, is sprake van ernstige tekortkomingen in de nakoming van de verplichtingen van [gedaagde] uit de huurovereenkomst en de Algemene Huurvoorwaarden en heeft [gedaagde] gehandelde in strijd met de wet, in het bijzonder met de artikelen 7:213 en 7:214 BW. Het gaat in deze zaak volgens Woonbedrijf niet enkel om de opslag van een handelshoeveelheid harddrugs, maar ook om het gebruiken van de woonruimte om cocaïne gereed te maken voor de handel. Dit blijkt uit de aanwezigheid van een blender, een weegschaal, versnijdingsmiddel en de vele sealzakjes, welke goederen gebruikt plegen te worden ten behoeve van de handel in harddrugs.

3.2.2.

De omstandigheid dat [gedaagde] is vrijgesproken, verandert de feiten en omstandigheden in deze zaak niet en doet niets af aan de tekortkomingen in de nakoming van zijn verplichtingen die op grond van de huurovereenkomst en de wet op [gedaagde] rusten. Strafrechtelijke bewijsproblemen hoeven geen belemmering te zijn voor het toewijzen van een ontruimings- en/of ontbindingsvordering.

3.2.3.

Woonbedrijf hanteert een zero tolerance beleid ten aanzien van de aanwezigheid van (soft)drugs, attributen en druggerelateerde activiteiten die volgens de Opiumwet zijn verboden. Woonbedrijf heeft er groot belang bij dat zij dat beleid kan handhaven. In dit soort gevallen voert Woonbedrijf een beleid inhoudende dat zij ontruiming van de woonruimte vordert indien de huurder niet bereid is zelf vrijwillig het gehuurde te ontruimen.

3.2.4.

Buiten de bevindingen van de politie, ontvangt Woonbedrijf ook al gedurende veertien jaar overlastmeldingen van omwonenden over [gedaagde] en/of zijn bezoekers. Deze meldingen zijn anoniem omdat de melders angst hebben voor represailles zijdens [gedaagde] .

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Toewijzing van een ontruimingsvordering in kort geding is een ingrijpende maatregel in het woonrecht van [gedaagde] en heeft – veelal - een definitief karakter. Voor toewijzing is in beginsel slechts plaats indien met een voldoende mate van zekerheid valt te verwachten dat de rechter in de bodemzaak een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst op grond van het thans voorliggende feitencomplex zal toewijzen. Tegen die achtergrond is een vordering tot ontruiming in kort geding slechts toewijsbaar indien zich aan de zijde van – in dit geval – Woonbedrijf bijzondere omstandigheden voordoen die zodanig zijn dat in redelijkheid – bij afweging van de over en weer bij ontruiming betrokken belangen - niet van haar kan worden gevergd dat zij een dergelijke beslissing tot ontbinding in een bodemprocedure afwacht.

4.2.

Gelet op de in deze procedure bekende en vaststaande feiten en omstandigheden met betrekking tot de vondst van de goederen tijdens de huiszoeking (weegschaal, een tas vol met seal zakjes, 2 potten versnijdingsmiddel, een boterhamzakje met een brok vermoedelijk cocaïne, een blender met poederresten en de 5,69 gram (netto) aangetroffen hoeveelheid cocaïne) en in aanmerking genomen het door Woonbedrijf gevoerde zero tolerance beleid in het geval in het gehuurde drugsproductie-en/of handelsactiviteiten plaats vindt, heeft Woonbedrijf een voldoende spoedeisend belang om de vordering tot ontruiming van de huurwoning in kort geding voor te leggen. Het verweer van [gedaagde] dat een spoedeisend belang ontbreekt kan daarom niet slagen.

4.3.

De tekortkoming in de nakoming van de op [gedaagde] rustende verplichtingen zoals neergelegd in de artikelen 6.7.1. en 6.7.3. van de Algemene Huurvoorwaarden, is gelet op hetgeen op 12 augustus 2020 in de woning is aangetroffen gegeven. [gedaagde] heeft erkend dat de politie bij het binnentreden van de woning de in de rapportage genoemde attributen en hoeveelheid cocaïne heeft aangetroffen.

4.4.

De beslissing van de officier van justitie om tegen [gedaagde] vrijspraak te eisen wegens het ontbreken van wettig en overtuigend verkregen bewijs en de daarop uitgesproken vrijspraak, staat er niet aan in de weg dat de voorzieningenrechter op basis van de in dit kort geding aannemelijk geworden feiten en omstandigheden tot een eigenstandig oordeel komt omtrent de vraag of die feiten en omstandigheden kunnen leiden tot toewijzing van de daarop gebaseerde vorderingen. Omdat [gedaagde] is vrijgesproken van het aanwezig hebben van cocaïne kan de burgerlijke rechter bij die beoordeling niet terugvallen op het in art. 161 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gegeven voorschrift. Dit voorschrift houdt in dat een onherroepelijk, op tegenspraak gewezen vonnis van de strafrechter, waarbij is bewezenverklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs oplevert van dat feit. Bij gebreke van een dergelijke bewezenverklaring dient de burgerlijke rechter dus zelfstandig vast te stellen of de aan de vorderingen ten grondslag gestelde feiten (de aanwezigheid van een handelshoeveelheid cocaïne in combinatie met attributen die ten behoeve van de handel plegen te worden gebruikt) zijn komen vast te staan respectievelijk, in kort geding, voldoende aannemelijk zijn geworden. In die beoordeling komt aan het vrijsprekend vonnis van de strafrechter geen enkele betekenis toe.

4.5.

In deze zaak staat niet ter discussie dat de politie bij een doorzoeking van de woning van [gedaagde] ruim 5,5 gram wit poeder, een blender met poederresten, twee potten versnijdingsmiddel, een weegschaal alsmede een tas met sealzakjes heeft aangetroffen; [gedaagde] heeft dit ter zitting met zoveel woorden bevestigd. Evenmin staat ter discussie dat het witte poeder cocaïne betrof, een (verboden) middel vermeld op lijst 1 bij de Opiumwet. Dit was gebleken uit een indicatieve test en werd vervolgens ook bevestigd door [gedaagde] tegenover de politie en ter zitting. [gedaagde] heeft ter zitting verder verklaard dat de aangetroffen attributen door hem werden gebruikt ten behoeve van afwegen, mengen met versnijdingsmiddel en verpakken in kleine gebruikershoeveelheden van cocaïne. [gedaagde] heeft echter verklaard dat dit alles plaatsvond ten behoeve van zijn eigen (cocaïne-)gebruik en niet – zoals Woonbedrijf stelt - met het oog op de verkoop c.q. verstrekking aan derden.

4.6.

De voorzieningenrechter hecht geen geloof aan de verklaring van [gedaagde] dat de aangetroffen cocaïne uitsluitend bestemd was voor eigen gebruik en dat de eveneens aangetroffen attributen in dat kader moeten worden geplaatst. Nog daargelaten dat op grond van de thans vigerende Richtlijn Strafvordering Opiumwet Harddrugs de aangetroffen (netto) hoeveelheid cocaïne op zichzelf reeds een indicatie oplevert dat [gedaagde] deze voor handelsdoeleinden voorhanden heeft gehad, leveren met name de aangetroffen professionele attributen, bestemd (en volgens [gedaagde] ook gebruikt) om af te wegen, te versnijden en te verpakken tot (klein)gebruikershoeveelheden, een duidelijke en onmiskenbare aanwijzing op dat die aangetroffen (handelshoeveelheid) cocaïne ook inderdaad bestemd was om – na versnijding en verpakking in gebruikershoeveelheden – te worden verhandeld. Los daarvan komt het deze voorzieningenrechter onlogisch voor dat een cocaïnegebruiker pure en onversneden cocaïne versnijdt (en daarmee de werkzaamheid verminderd) voor uitsluitend eigen gebruik.

Tegenover dit alles staat slechts de blote - niet door (enigszins) verifieerbare feiten of omstandigheden ingekleurde - bewering van [gedaagde] dat sprake is van het voorhanden hebben uitsluitend ten behoeve van het eigen gebruik. Die bewering kan de voorzieningenrechter niet alleen niet rijmen met de professionele apparatuur die is aangetroffen (en die toepassing voor eigen gebruik op zichzelf reeds ongeloofwaardig maken) maar deze bewering is evenmin te verenigen met de door de politie in haar rapportage aangehaalde anonieme informatie, binnengekomen op 27 januari 2020 en 21 juli 2020, inhoudende dat [gedaagde] handelt in cocaïne. De voorzieningenrechter beschouwt deze anonieme informatie als een nadere concrete bevestiging dat de aangetroffen cocaïne in de woning van [gedaagde] inderdaad (mede) bestemd was voor handelsdoeleinden.

4.7.

Woonbedrijf heeft een groot belang bij het tegengaan van activiteiten die gerelateerd zijn aan de productie en handel in verdovende middelen vanuit haar woningen, vanwege de aanzuigende werking op allerlei vormen van criminaliteit, verloedering van de leefomgeving en overlast voor andere huurders en omwonenden. Daarbij heeft zij er belang bij om een duidelijk en eenduidig zero tolerance beleid te voeren teneinde dit terug te dringen, mede om dit soort activiteiten onder haar huurders te ontmoedigen.

4.8.

Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat in een eventueel tussen partijen nog te voeren bodemprocedure een vordering van Woonbedrijf ter zake van ontbinding en ontruiming – gezien de vigerende rechtspraak in vergelijkbare gevallen - tot een toewijzing daarvan zal leiden. Woonbedrijf heeft een zwaarwegend belang bij het consequent handhaven van haar beleid en daarmee bij een voortvarende ontruiming van het gehuurde, mede om ongewenste precedentvorming te voorkomen en een duidelijk en niet mis te verstaan signaal af te geven dat tekortkomingen als de onderhavige niet worden getolereerd. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij (tijdelijke) voortzetting van het gebruik van het gehuurde hangende een ontbindingsprocedure bij de kantonrechter, welke naar verwachting zal resulteren in een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Gelet op de handelswijze van [gedaagde] , komt het risico op de te verwachten ontbinding van de huurovereenkomst en de nadelige gevolgen ervan voor hemzelf.

4.9.

Alles wat hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de vordering tot ontruiming van de woning zal worden toegewezen, zij het dat de voorzieningenrechter de termijn van ontruiming zal bepalen op 14 dagen, gerekend vanaf de datum van betekening van dit vonnis.

4.10.

Nu het vorenstaande reeds op zichzelf grond vormt de gevorderde ontruiming toe te wijzen vooruitlopend op een in een bodemzaak te vorderen ontbinding van de huurovereenkomst, behoeft hetgeen Woonbedrijf verder nog naar voren heeft gebracht over de overlastmeldingen tegen [gedaagde] geen verdere bespreking.

4.11.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Woonbedrijf worden begroot op (€ 1.738,96): kosten dagvaarding € 102,96; griffierecht: € 656,00 en salaris advocaat

€ 980,00).

4.12.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de zelfstandige woning staande en gelegen te ( [postcode] ) [woonplaats] aan de [adres] , en alle daarin aanwezige personen en goederen voor zover deze niet het eigendom zijn van Woonbedrijf te ontruimen en ontruimd te houden, alsmede niet opnieuw in gebruik te nemen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking aan Woonbedrijf te stellen,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Woonbedrijf tot op heden begroot op € 1.738,96, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Schoorlemmer en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2020.