Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:6026

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-12-2020
Datum publicatie
03-12-2020
Zaaknummer
01/879825-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving, afpersing en poging tot afpersing van een bewust gekozen vrouwelijk slachtoffer. Bij de bedreiging heeft verdachte een vuurwapen gebruikt. De feiten worden verdachte in verminderde mate toegerekend.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaren. Daarnaast legt de rechtbank verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling op met bevel tot verpleging van overheidswege.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01/879825-19
Parketnummer vordering: 13/650177-17

Datum uitspraak: 03 december 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren [geboortejaar] 1982,

thans gedetineerd te: P.I. Vught, PPC.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 november 2019, 24 januari 2020, 20 april 2020, 6 juli 2020, 4 september 2020 en 19 november 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 september 2019. De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 24 januari 2020 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. Met inachtneming van deze wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij, op of omstreeks 28 juni 2019 te Eindhoven en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk, [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door:

- die [slachtoffer] te dwingen om met/in haar taxi van Eindhoven naar Amsterdam te

rijden en/of (daarbij)

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer] te tonen en/of gedurende de gehele rit op die [slachtoffer] gericht te houden en/of

- op dreigende toon tegen die [slachtoffer] te zeggen:

> "en nu rijden" en/of

> "opschieten want de politie komt eraan, want die zijn mij overal aan het zoeken" en/of

> "dat lees je morgen wel in de krant" en/of

> "ik heb twaalf kogels bij me" en/of

> "als jij doet wat ik zeg dan gebeurt jou niets" en/of

> "harder rijden" en/of

> "zachter rijden" en/of > "breng mij naar Amsterdam Noord en/of Amsterdam Centraal",

in elk geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2. hij, op of omstreeks 28 juni 2019 te Eindhoven en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld, [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee en/of een telefoon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] toebehoorde, door:

- die [slachtoffer] te dwingen om met/in haar taxi naar Amsterdam te rijden en/of (vervolgens)

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer] te tonen en/of gedurende de gehele rit op die [slachtoffer] gericht te houden en/of

- op dreigende toon tegen die [slachtoffer] te zeggen:

> "ik heb twaalf kogels bij me" en/of

> "als jij doet wat ik zeg dan gebeurt jou niets" en/of

> "geef mij je portemonnee";

in elk geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

3. hij, op of omstreeks 28 juni 2019 te Eindhoven en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld, te dwingen tot afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan deze [slachtoffer] , toebehoorde immers heeft hij, verdachte:

- die [slachtoffer] gedwongen om met/in haar taxi naar Amsterdam te rijden en/of (vervolgens)

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond aan die [slachtoffer] en/of

gedurende de gehele rit gericht op die [slachtoffer] en/of

- op dreigende toon tegen die [slachtoffer] gezegd:

> "als jij doet wat ik zeg dan gebeurt jou niets" en/of

> "je moet nog geld pinnen" en/of

> "ik heb wel twaalf kogels he",

in elk geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 13/650177-17 is aangebracht bij vordering van 6 december 2019. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank in Amsterdam d.d. 12 oktober 2017. Een kopie van de vordering is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit de verdachte van de ten laste gelegde feiten integraal vrij te spreken.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen.

Pro memorie.

Bewijsoverwegingen.

Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving, afpersing en poging tot afpersing van slachtoffer [slachtoffer] . De verdachte heeft zijn betrokkenheid bij deze feiten ontkend. De verdediging heeft – kort gezegd – betoogd dat niet is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum zoals bedoeld in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de aangifte van het slachtoffer in onvoldoende mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Daarnaast zijn de verklaringen van aangeefster aangedikt en onbetrouwbaar. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat de verdachte opzet heeft gehad op de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Tot slot is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de ten laste gelegde feiten 2 en 3.

Op grond van de voornoemde bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte aangeefster wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, waarbij hij zowel met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp als verbaal aangeefster heeft bedreigd. Tevens kan naar het oordeel van de rechtbank op grond van deze bewijsmiddelen worden vastgesteld dat de verdachte aangeefster door bedreiging met geweld heeft gedwongen haar portemonnee af te staan en heeft gepoogd aangeefster te dwingen te pinnen en daarmee contant geld af te staan.

De door de raadsman gevoerde verweren worden voor een groot deel door voornoemde bewijsmiddelen weerlegd. In het bijzonder overweegt de rechtbank nog het volgende ten aanzien van het door de verdediging gevoerde betrouwbaarheidsverweer en het verweer ten aanzien van het steunbewijs.

Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van de verklaringen van aangeefster. De verklaringen van aangeefster, zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris, zijn gedetailleerd en inhoudelijk consistent en komen authentiek op de rechtbank over. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat de verklaringen van aangeefster zijn verzonnen, aangedikt of door derden zijn beïnvloed. Ook blijkt niet van oneigenlijke motieven aan de zijde van aangeefster, zoals door de verdachte ter terechtzitting van 19 november 2020 is geopperd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn en zal deze verklaringen bezigen voor het bewijs.

Bewijsminimum.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de - betrouwbaar geachte - verklaringen van aangeefster voldoende steun vinden in de rest van het procesdossier. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of er sprake is van voldoende steunbewijs, is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Wel zijn daarvoor in de jurisprudentie enige regels geformuleerd. Zo moet het steunbewijs “voldoende steun” geven aan de verklaring van de getuige, dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband dient te staan met de inhoud van de verklaring van de getuige. Steunbewijs mag in beginsel niet enkel afkomstig zijn van dezelfde bron, in die zin dat als steunbewijs zou kunnen worden gebruikt de verklaring van een ander aan wie de getuige heeft verteld wat haar of hem is overkomen. Enkel een de auditu verklaring levert op zichzelf niet voldoende steunbewijs op. Wel kunnen bepaalde waarnemingen of vaststellingen die niet van de getuige afkomstig zijn voldoende steunbewijs opleveren.

Steunbewijs.

Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van aangeefster op essentiële onderdelen worden ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier.

Aangeefster heeft verklaard dat de verdachte onder andere een rode pet droeg en om zijn arm een grijs vest had toen hij instapte in de taxi. Onder dit vest zat volgens aangeefster het wapen van de verdachte, waarmee hij haar gedurende rit heeft bedreigd.

Uit de camerabeelden van het Shell tankstation, waarop de verdachte te zien is, blijkt dat hij - voordat hij in de taxi stapte - een rood petje droeg en om zijn arm een donkerkleurig vest had. Daarnaast blijkt uit een proces-verbaal van bevindingen van de politie in Amsterdam dat een getuige ter plaatse aan verbalisanten heeft verklaard dat hij een man met een rood petje versneld zag weglopen uit de taxi. De politie heeft vervolgens een vest in grijstinten in de taxi van aangeefster aangetroffen, waaruit een door een plastic tas omhulde tak rolde.

Aangeefster heeft daarnaast verklaard dat zij bij een pinautomaat op het Damrak, zonder op te letten waar zij parkeerde, de taxi heeft gestopt en in paniek is weggerend richting het seksmuseum waar omstanders haar hebben geholpen. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat zij een op het trottoir geparkeerde taxi aantreffen bij het Damrak en zien dat aangeefster zichtbaar geschrokken is. Vervolgens blijkt uit hetgeen door dezelfde getuige aan de politie is verklaard dat aangeefster moest pinnen van iemand en zich op dat moment ergens binnen bevond.

Tot slot heeft aangeefster in haar aangifte verklaard dat zij onder druk meerdere keren te hard heeft gereden tijdens de rit. Dit onderdeel van haar verklaring wordt ondersteund door de boete voor het te hard rijden op de A2.

Gelet hierop vinden de verklaringen van aangeefster naar het oordeel van de rechtbank voldoende steun in de overige bewijsmiddelen in het dossier.

De alternatieve lezing van de verdediging, dat in de taxi niets zou zijn voorgevallen tussen de verdachte en aangeefster, de sfeer goed was en zij samen nog een sigaretje zouden hebben gerookt, wordt daarmee weersproken door de verklaringen van aangeefster in samenhang met het steunbewijs.

Conclusie.

Gelet op het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat de verdachte de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte

1. op 28 juni 2019 in Nederland opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door:

- die [slachtoffer] te dwingen om met haar taxi van Eindhoven naar Amsterdam te rijden en daarbij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer] te tonen en op dreigende toon tegen die [slachtoffer] te zeggen:

> "En nu rijden" en

> "Opschieten want de politie komt eraan, want die zijn mij overal aan het zoeken" en

> "Dat lees je morgen wel in de krant" en

> "Ik heb twaalf kogels bij me" en

> "Als jij doet wat ik zeg dan gebeurt jou niets" en

> "Harder rijden" en

> "Zachter rijden" en

> "Breng mij naar Amsterdam Noord",

in elk geval woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

op 28 juni 2019 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld, [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee die aan die [slachtoffer] toebehoorde, door:

- die [slachtoffer] te dwingen om met haar taxi naar Amsterdam te rijden en vervolgens een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer] te tonen en op dreigende toon tegen die [slachtoffer] te zeggen:

> "Ik heb twaalf kogels bij me" en

> "Als jij doet wat ik zeg dan gebeurt jou niets" en

> "Geef mij je portemonnee",

in elk geval woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3. op 28 juni 2019 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld, [slachtoffer] te dwingen tot afgifte van een hoeveelheid geld dat aan deze [slachtoffer] toebehoorde, door:

- die [slachtoffer] te dwingen om met haar taxi naar Amsterdam te rijden en vervolgens een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen aan die [slachtoffer] en op dreigende toon tegen die [slachtoffer] te zeggen:

> "Als jij doet wat ik zeg dan gebeurt jou niets" en

> "Je moet nog geld pinnen" en

> "Ik heb wel twaalf kogels he",

in elk geval woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 3 aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft namens de verdachte geen strafmaatverweer gevoerd, nu hij integrale vrijspraak heeft bepleit. De verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij het niet eens is met de eis van de officier van justitie. De verdachte zou liever de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden opgelegd krijgen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving, afpersing en poging tot afpersing. Deze feiten heeft hij begaan door te dreigen met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp dat hij had gemaakt van een tak met daaromheen zwart plastic gewikkeld. De verdachte heeft bewust een vrouwelijk slachtoffer uitgekozen. Het baart de rechtbank grote zorgen dat de verdachte zo doelbewust heeft gehandeld. Hij is berekenend te werk gegaan en heeft geen respect getoond voor de lichamelijke integriteit en de eigendommen van anderen. De handelingen van de verdachte hebben grote gevolgen gehad voor aangeefster, zoals is gebleken uit onder meer de namens haar ter terechtzitting van 19 november 2020 voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring. Aangeefster schrijft dat ze haar beroep als taxichauffeuse niet meer durft uit te oefenen, nog steeds financiële en emotionele stress ervaart en in de ziektewet is beland.

De verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor deze strafbare feiten en heeft aantoonbaar leugenachtig verklaard. Dit neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk.

De op te leggen maatregel.

Naar aanleiding van de adviezen van psychiater L. Beverloo en psycholoog drs. R.K.F. Lemmens in hun Pro Justitia rapporten van respectievelijk 6 en 8 december 2019 is de verdachte in de periode van 18 juni 2020 tot 30 juli 2020 klinisch geobserveerd door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum (PBC).

In het PBC-rapport van 3 september 2020, opgemaakt door onder meer GZ-psycholoog
I. Schilperoord en psychiater E.A.M. Schouten, is onder andere het navolgende gesteld, verkort en zakelijk weergegeven.

De deskundigen diagnosticeren verdachte als een gemiddeld intelligente man met primair een ernstige traumastoornis en daarnaast ernstige stoornissen in het gebruik van cocaïne, opioïden en benzodiazepinen, een matige stoornis in het gebruik van tabak en cannabis, een stoornis in het gebruik van alcohol in remissie en bijwerkingen van de medicatie, bij een persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale trekken.

De stoornissen, met name de traumastoornis en het daarmee verbonden gevoel de onrust te moeten dempen, hebben volgens de rapporteurs de gedragskeuzes van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde verkleind. De verslaving aan cocaïne en de persoonlijkheidsstoornis, en vooral de antisociale kenmerken daarvan, hebben daarbij de drempel tot het handelen verlaagd. De spanning om geen dempende medicatie meer te hebben en tegelijkertijd de zucht naar cocaïne zorgden naar het oordeel van de rapporteurs voor een dreigende desintegratie bij verdachte. Over de uitvoering van het ten laste gelegde heeft verdachte, al is dit vermoedelijk wel impulsief tot stand gekomen, naar alle waarschijnlijkheid wel enige keuzevrijheid gehad en hij kan hierbinnen tot op zekere hoogte planmatig denken, aldus de deskundigen. Dit vloeit anders gezegd niet direct voort uit zijn stoornis. De deskundigen adviseren daarom om het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De kans op herhaling van feiten als de onderhavige wordt als hoog ingeschat door de deskundigen. Om deze kans terug te dringen is het volgens hen van groot belang dat verdachte wordt behandeld voor de bij hem levende psychopathologie. Het complexe hierbij is dat de verschillende componenten hiervan (traumastoornis, persoonlijkheidsstoornis en de ernstige middelenverslaving) onderling sterk met elkaar verweven zijn. Tijdens de noodzakelijke behandeling, bijvoorbeeld een traumabehandeling, komen er onvermijdelijk hevige gevoelens naar boven die verdachte zo slecht verdraagt dat de drang om weer te gebruiken zich weer opbouwt. Op een dergelijk moment is er een risico op herhaling van delictgedrag. Een en ander vereist daarom naar het oordeel van de deskundigen een, naar alle waarschijnlijkheid, langdurig traject dat intramuraal plaats moet vinden en tevens met veel ingebouwde veiligheid, voor de verdachte zelf en zijn omgeving.

De deskundigen adviseren daarom om een behandeling binnen een hoog beveiligde intramurale setting te laten plaatsvinden. Bij een setting met een lager beveiligingsniveau (zoals Heiloo en De Woenselse Poort) is de kans op het zich onttrekken aan voorwaarden en het zich niet houden aan regels te groot gebleken. De voorwaardelijke trajecten in Heiloo en De Woenselse Poort zijn daarin onvoldoende gebleken. Een voorwaardelijk traject achten de deskundigen om die reden ook niet haalbaar. De deskundigen vinden daarom een voorwaardelijk traject, ook een terbeschikkingstelling met voorwaarden, niet realistisch.

De deskundigen adviseren dan ook aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De rechtbank is zich ervan bewust dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege een uiterst middel betreft dat niet lichtvaardig dient te worden opgelegd. Op grond van het verhandelde ter terechtzitting ziet de rechtbank echter geen aanleiding om van de conclusies en adviezen van de deskundigen, alsmede de gronden waarop zij berusten, af te wijken. De rechtbank neemt deze dan ook over. De rechtbank acht de verdachte daarmee tevens verminderd toerekeningsvatbaar voor alle bewezenverklaarde feiten.

Met de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk maakt. De rechtbank is van oordeel dat minder zware modaliteiten dan de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege onvoldoende waarborgen bieden voor continuïteit in de noodzakelijke (klinische) behandeling van de verdachte. Daarbij betrekt de rechtbank de ernst van de persoonlijkheidsproblematiek bij de verdachte, de aard van het bewezenverklaarde en het hoge risico op herhaling en het zich onttrekken aan voorwaarden.

De rechtbank overweegt dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. De hierna te kwalificeren feiten betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en het betreffen misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met verpleging van overheidswege.

De op te leggen straf.

De rechtbank weegt in het nadeel van de verdachte mee dat hij eerder voor een groot aantal soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld. Hij liep bovendien nog in een proeftijd van een andere veroordeling.

De verdachte zal in verband met de op te leggen maatregel nog een langdurig traject van behandeling en begeleiding moeten volgen. Ook daarmee heeft de rechtbank rekening gehouden.

Bij het bepalen van de omvang van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft de rechtbank tot slot rekening gehouden met het feit dat de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur als hierna te melden. De rechtbank zal een straf gelijk aan de eis van de officier van justitie opleggen, nu de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Het opleggen van een contactverbod met het slachtoffer aan de verdachte in de vorm van bijvoorbeeld een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, zoals ter terechtzitting van 19 november 2020 namens het slachtoffer is bepleit, acht de rechtbank gelet op de aan de verdachte op te leggen maatregel niet opportuun.

De rechtbank zal bevelen dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Benadeelde partij [slachtoffer] heeft een civiele vordering ingediend ten bedrage van

€ 1.519,98, bestaande uit € 19,98 voor materiële schade en € 1.500,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De verdediging heeft aangevoerd dat het vermogen van de verdachte onder beschermingsbewind is gesteld. Nu de verdachte geen (zelfstandige) bevoegdheid tot beheer en beschikking over zijn vermogen heeft, mist hij de bevoegdheid om te procederen met betrekking tot de tegen hem ingestelde vordering tot schadevergoeding. Deze bevoegdheid ligt bij de bewindvoerder. De bewindvoerder is niet opgeroepen door het Openbaar Ministerie, noch is hij of zij ter terechtzitting verschenen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is niet gebleken dat de verdachte onder beschermingsbewind is gesteld. Daartoe bevinden zich geen stukken in het procesdossier, noch heeft de verdediging enig bewijs aangevoerd ter onderbouwing van haar ingenomen standpunt.

De rechtbank acht daarom de benadeelde partij ontvankelijk in haar vordering.

De rechtbank zal de gevorderde materiële schadevergoeding van de benadeelde partij toewijzen, nu dit deel van de vordering inhoudelijk niet is betwist en dit deel van de vordering haar niet ongegrond of onredelijk voorkomt.

Naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank voorts voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezen verklaarde feiten nadeel van niet-vermogensrechtelijke aard heeft ondervonden. Het nadeel van de benadeelde partij bestond uit geestelijk letsel. Uit de onderbouwing van de schadevordering blijkt dat de angst en schrik van het moment, de kwetsbare positie waarin de benadeelde partij zich bevond en de dreiging die van de gedragingen van de verdachte uitging nadelige en belastende effecten hebben gehad (en nog hebben) op het dagelijkse leven en functioneren van de benadeelde partij.

Weliswaar is in de onderhavige zaak namens de benadeelde partij geen objectief vastgesteld psychisch letsel aangetoond, maar gelet op de aard en ernst van de strafbare feiten liggen de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand dat sprake is van een aantasting in de persoon die recht geeft op vergoeding van immateriële schade. De rechtbank stelt deze schade – in overeenstemming met het door de benadeelde partij gevorderde bedrag – naar billijkheid vast op € 1.500,-.

De toegewezen schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

28 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, omdat de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 13/650177-17.

De rechtbank stelt vast dat veroordeelde bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam van 12 oktober 2017 is veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

De officier van justitie heeft zijn vordering ter terechtzitting van 19 november 2020 gewijzigd, in die zin dat thans afwijzing van de vordering is gevorderd.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen, nu de raadsman integrale vrijspraak heeft bepleit. De raadsman heeft subsidiair verzocht om de duur van de voorlopige hechtenis die de verdachte in de onderhavige zaak reeds heeft ondergaan in mindering te brengen op de voorwaardelijke straf waarvan thans de tenuitvoerlegging wordt gevorderd.

De rechtbank overweegt het volgende.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

De rechtbank zal de gevorderde tenuitvoerlegging afwijzen, omdat de rechtbank de tenuitvoerlegging in het licht van de aan de verdachte op te leggen maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege niet opportuun acht.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen: 36f, 37a, 37b, 45, 57, 282 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak.

De rechtbank:

verklaart het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor onder feit 1, feit 2 en feit 3 bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1: opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden; Ten aanzien van feit 2:

afpersing; Ten aanzien van feit 3:

poging tot afpersing; verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren;

beveelt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf;

legt op de volgende maatregelen:

terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege;

maatregel van schadevergoeding van € 1.519,98, te vervangen door 25 dagen gijzeling;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van € 1.519,98, bestaande uit € 19,98 voor materiële schade en € 1.500,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen gijzeling;

bepaalt dat de toepassing van deze vervangende gijzeling de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;

beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte daarom tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 1.519,98, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

beslissing na voorwaardelijke veroordeling: wijst af de vordering met parketnummer 13/650177-17 van de officier van justitie d.d. 6 december 2019.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.A.M. Janssen, voorzitter,

mr. B.A.J. Zijlstra en mr. C.J. Sangers-de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van mr. T.F.M. Eijkhout en mr. I.J.M. Weemers, griffiers,

en is uitgesproken op 3 december 2020.