Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:6020

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
20/1039
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/1039

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. M.H. Smit),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Mill en Sint Hubert, verweerder,

(gemachtigden: S. van Hoof, mr. Y.M.G.M van Riet en J. Brouwer).

Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen:

[naam 1] , te [woonplaats] ,

(gemachtigde: mr. A.M. Plooij).

[naam 2] en [naam 3], te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres tot handhaving, vanwege geluidsoverlast vanaf de percelen [adres 1] en [adres 2] in [woonplaats] afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 3 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, voor zover dat betrekking heeft op het besluit over het perceel [adres 2] , en ongegrond verklaard, voor zover dat betrekking heeft op het besluit over het perceel [adres 1] .

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 september 2020 heeft [naam 1] een reactie op de gedingstukken gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. Derde-partijen zijn verschenen in persoon. Ook is de gemachtigde van [naam 1] verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten.

1.1

Bij brief van 2 februari 2019 heeft eiseres bij verweerder een verzoek tot handhaving ingediend.

1.2

Eiseres stelt (in en buiten haar woning) al lange tijd overlast van het geschreeuw van de papegaaien en kaketoes te ondervinden die bedrijfsmatig worden gehouden op het perceel [adres 1] in [woonplaats] Verzocht wordt om handhavend op te treden tegen de geluidsoverlast van de vogels.

1.3

Op het perceel [adres 2] worden eveneens papegaaien en kaketoes gehouden. Volgens een telling van de gemeente eind 2018 betrof het hier 93 papegaaien en kaketoes. Hiermee is sprake van een bedrijf en ingevolge het bestemmingsplan is dit op een woonbestemming niet toegestaan. Tevens wordt verzocht om op te treden tegen de geluidsoverlast. De vogels zijn vooral actief tussen 15.00 en 18.00 uur en wanneer ze in de lente en zomer in buitenhokken aanwezig zijn. De dieren reageren - aldus eiseres in haar verzoek - ook op de vogels die worden gehouden op de [adres 1] en omgekeerd.

[adres 2]

2.1

Eiseres voert aan dat verweerder haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat er volgens verweerder geen sprake zou zijn van geluidsoverlast, afkomstig van het perceel, ter plaatse van haar woning. Verweerder is daarmee uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Er moet sprake zijn van “gevolgen van enige betekenis” en bij de vaststelling hiervan dient rekening te worden gehouden met de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen.

Het oordeel van verweerder is waarschijnlijk gebaseerd op het Rapport van bevindingen naar aanleiding van controles op 6 februari 2019 en 23 september 2019. In dit rapport is opgenomen dat tijdens beide controles op het perceel geen overmatig hinderlijk geluid is waargenomen, anders dan het af en toe krijsen van een papegaai en/of kaketoe. Uit het rapport volgt echter dat gekrijs wordt gehoord van papegaaien/kaketoes. Dit gekrijs heeft invloed op de leefomgeving van eiseres. Het (dagelijks) krijsen van papagaaien is van invloed op LAMax (maximale geluidsniveau). Het gaat in dit geval om 59 grote papegaaien/kaketoes die zich bevinden in buitenhokken met een oppervlakte van circa 700 m2. De meting heeft niet plaatsgevonden in de zomerperiode, wanneer het meeste gekrijs wordt ervaren. Eiseres wijst op een uitspraak van de rechtbank Arnhem van 21 september 2010 (ECLI:NL:RBARN:2010:BN8192) inzake de plicht van verweerder om zorgvuldig onderzoek te doen. Ook dient rekening te worden gehouden met het feit dat de percelen van eiseres en [adres 2] slechts worden gescheiden door akkerbouw. Denkbaar is dat de papegaaien van de [adres 3] en de [adres 4] elkaar beïnvloeden.

2.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, wil iemand belanghebbende zijn, het aannemelijk moet zijn dat deze persoon gevolgen van enige betekenis ondervindt. De afstand tussen [adres 2] en het woonadres van eiseres bedraagt ongeveer 300 meter. Gelet op het oordeel van de geluidsdeskundige, is verweerder van mening dat geen sprake is van geluidsoverlast afkomstig van [adres 2] ter plaatse van de woning van eiseres. Door eiseres is op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat dit wel het geval zou zijn. Dit betekent dat eiseres geen belanghebbende is.

Volgens verweerder is een verzoek om handhaving slechts een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), als dit verzoek door een belanghebbende is gedaan. Nu geen sprake is van een aanvraag door een belanghebbende is de reactie op het verzoek in dit geval niet een voor bezwaar vatbare beschikking. Het bezwaar van eiseres is daarom niet-ontvankelijk.

In het verweerschrift heeft verweerder voorts aangegeven dat het bestaan van gevolgen (het waarnemen van geluid van papegaaien en/of kaketoes) op zichzelf nog niet maakt dat dit ook gevolgen van enige betekenis betreft. Ook niet als dat dagelijks is. Dat is wel het geval als de gevolgen hinder of overlast veroorzaken. Dit is echter niet waargenomen door de geluidsdeskundige.

2.3

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, moet een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang hebben dat haar in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737, dat voor het zijn van belanghebbende aannemelijk moet zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden. De Afdeling hanteert daarbij het uitgangspunt, bijvoorbeeld in de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat in beginsel belanghebbende is bij dat besluit, tenzij gevolgen van enige betekenis ontbreken. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken, indien deze wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Uit deze rechtspraak volgt ook dat de kring van belanghebbenden kan verschillen naar gelang de aard van het besluit. Zo hoeft de kring van belanghebbenden bij een handhavingsbesluit niet altijd samen te vallen met de kring van belanghebbenden bij een besluit tot vergunningverlening.

2.4

Het perceel [adres 2] te [woonplaats] is gelegen ten noordwesten van het woonadres van eiseres aan de [adres 5] Tussen partijen is niet in geschil dat op het perceel aan de [adres 3] in totaal 59 papegaaiachtigen worden gehouden. De afstand tussen beide percelen bedraagt ongeveer 300 meter. De percelen zijn van elkaar gescheiden door een weg, de aanwezige begroeiing (bomen) en agrarische gronden.

2.5

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op de afstand van 300 meter van het perceel van eiseres tot het perceel [adres 2] , op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van zodanige gevolgen voor de woon- en leefsituatie van eiseres, dat deze kunnen worden aangemerkt als gevolgen van enige betekenis.

Dat sprake is van onbebouwde tussenliggende gronden - zodat in die zin geen sprake is van bebouwing die geluid zou kunnen tegenhouden - maakt dit niet anders. De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat - gelet op een ambtelijk rapport van bevindingen van 24 september 2019 - tijdens 2 controles op het perceel (te weten op 6 februari 2019 en 23 september 2019 tussen 14.00 en 16.00 uur) alleen het af en toe krijsen van een papegaai of kaketoe is waargenomen. Dat de controles niet tevens in de zomer hebben plaatsgevonden - als de vogels volgens eiseres meer en langer buiten zijn - doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af, omdat dit niet hoeft te betekenen dat bij het bezoek aan de locatie meer dan incidenteel krijsen zou worden waargenomen.

De uitspraak van de rechtbank Arnhem waar eiseres op wijst heeft geen betrekking op de beoordeling van de belanghebbendheid en kan dan ook niet tot een andersluidend oordeel leiden. Deze uitspraak zou eventueel pas een rol kunnen spelen als eiseres belanghebbende zou zijn.

2.6

Gelet hierop heeft verweerder het bezwaar van eiseres op goede gronden niet‑ontvankelijk verklaard.

Het feit dat eiseres aanvankelijk door verweerder in het primaire besluit wel is aangemerkt als belanghebbende -het verzoek is immers op inhoudelijke gronden afgewezen- maakt niet dat verweerder bij de heroverweging in bezwaar niet alsnog tot een andere gevolgtrekking kon komen.

Het betoog van eiseres faalt.

[adres 1]

3.1

Eiseres betwist ten aanzien van de [adres 1] dat het geluidsonderzoek zorgvuldig is verricht, omdat uit de indicatieve meting wel bleek dat sprake was van geluidsoverlast.

Voorts waren de omstandigheden ten tijde van het onderzoek op 23 augustus 2019,

24 augustus 2019 en 10 september 2019 niet representatief. Afgesproken is dat in de zomer 2020 de metingen zouden worden herhaald. Eiseres heeft namelijk aangegeven dat zij in het voorjaar en hoge zomer, wanneer de avonden warmer en langer zijn, de meeste geluidsoverlast ervaart. Eiseres ervaart ook overlast in de vroege ochtend (al voor 06.00 uur) waardoor haar nachtrust ernstig wordt verstoord.

3.2

Verweerder heeft overwogen dat op 31 juli 2013 een omgevingsvergunning is verleend voor het houden van 126 papegaaien in de inrichting aan de [adres 1] . Sinds 1 januari 2016 valt de inrichting van rechtswege onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit).

Op 23, 24 en 26 augustus 2019 en op 10 september 2019 zijn door een geluidsdeskundige metingen bij de woonlocatie van eiseres verricht. De geluidsdeskundige heeft geconcludeerd dat er, binnen de meet- en rekenonnauwkeurigheid, geen overschrijding van de grenswaarden van het Activiteitenbesluit heeft plaatsgevonden. Bij de metingen is rekening gehouden met het impulsachtige karakter van het geschreeuw van de vogels. Verweerder heeft aangegeven dat er nader onderzoek naar het geluid zou worden uitgevoerd in de zomerperiode van 2020.

Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat het feit dat op 23 augustus 2019 sprake was van een indicatieve meting niet betekent dat het geluidsonderzoek niet zorgvuldig is uitgevoerd. Bij deze meting was de microfoon opgesteld in het venster aan de voorzijde van de woning van eiseres aan de [adres 5] te [woonplaats] . Omdat niet is gemeten op een afstand van 2 meter voor de gevel is de geluidsmeting als indicatief aangemerkt, om te voldoen aan de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai” uit 1999. Hieruit blijkt dat wel sprake is van een zorgvuldig opgestelde rapportage.

3.3

Tussen partijen is niet in geschil dat de afstand tussen het perceel van eiseres en het betrokken perceel ongeveer 100 meter bedraagt. Gelet op deze afstand dient het er voor te worden gehouden dat eiseres gevolgen van enige betekenis kan ondervinden door het geluid van de aanwezige papegaaiachtigen.

Bepalend voor een inhoudelijke beoordeling zijn - gelet op de toetsing ex tunc - de feiten en omstandigheden ten tijde van het bestreden besluit.

Aan het bestreden besluit liggen (alleen) geluidsmetingen uit 2019 ten grondslag.

De omgevingsdienst Brabant Noord (OBDN) heeft een aantal metingen verricht waarvan de resultaten zijn neergelegd in een Memo van 24 september 2019.

3.4

De OBDN heeft bij de geluidsmetingen getoetst aan de grenswaarden van artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Los van het feit dat het gebruik van deze grenswaarden als toetsingskader door partijen niet is betwist, stelt de rechtbank vast dat de artikelen 3.168 en 3.169 van het Activiteitenbesluit geen specifieke geluidnormen kennen voor vogels. Verweerder heeft daarom voor de inrichting aan de [adres 1] terecht geluidsgrenswaarden uit de tabel in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit in aanmerking genomen.

3.5

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit wordt het geluidniveau vastgesteld overeenkomstig de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai”. Indien geluidmetingen en -berekeningen zijn verricht overeenkomstig de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai”, ligt het op de weg van de andere partij om aannemelijk maken dat desondanks de uitkomsten niet representatief zijn. Bij een overschrijding van de grenswaarden is een meettolerantie van 1 dB(A) toegestaan (zie de uitspraak van de Afdeling van 21 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM1792).

3.6

Gelet op de Memo van de OBDN van 24 september 2019 zijn er in de avondperiode

3 geluidmetingen uitgevoerd bij de woning [adres 5] Deze meetlocatie is bezocht op 23 augustus 2019 (van 19.00 tot 23.00 uur), zaterdagochtend 24 augustus 2019 (van 9.30 tot 10.30 uur), maandagavond 26 augustus 2019 (19.00 tot 21.00 uur), dinsdagavond 10 september 2019 (19.00 tot 20.40 uur). Op 24 augustus 2019 heeft alleen een zintuiglijk onderzoek plaatsgevonden. De metingen/berekeningen zijn uitgevoerd in overeenstemming met de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai uit 1999”. In de Memo (karakter geluid) is voorts aangegeven dat het geschreeuw van de papegaaien ter plaatse van de woning goed waarneembaar is. Het geschreeuw van de papegaaien wordt beschouwd als impulsachtig geluid.

3.7

De rechtbank stelt vast dat, getuige de Memo, 3 metingen hebben plaatsgevonden in de avondperiode in augustus/september 2019 en dat in Tabel 2.17a van het Activiteitenbesluit is aangegeven dat dit de tijdsperiode 19.00-23.00 uur betreft.

Verweerder heeft ter zitting aangegeven, wat eiseres niet heeft weersproken, dat in 2019 voor deze maanden in de avond is gekozen, omdat eiseres eerder bij de geluidsdeskundige heeft aangegeven dan de meeste geluidsoverlast te ervaren. Het gaat dan om de (na)zomer waarbij vogels, naar mag worden aangenomen, meer en langer in hun buitenhokken aanwezig zullen zijn dan in de koudere perioden van het jaar, waarbij het in de avond ook sneller donker is.

Uit de metingen volgt dat de grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau

( LAR,LT) 1 keer wordt overschreden, te weten op 23 augustus 2020. Hierbij is een waarde vastgesteld van 47,3 dB(A). Indien rekening wordt gehouden met een meet- en rekenonnauwkeurigheid van 1 dB(A), kan worden uitgegaan van 46,3 bij een grenswaarde van

45 dB(A) voor deze tijdsperiode.

Bij de 3 metingen ten aanzien van het maximale geluidsniveau (LAMax) hebben in de avondperiode (19.00-23.00 uur) geen overschrijdingen van de grenswaarde van 65 dB(A) plaatsgevonden.

3.8

Desgevraagd heeft verweerder ter zitting aangegeven de tijdsperiode en de metingen uit 2019 representatief te achten, maar voor de zekerheid - na het bestreden besluit - in het voorjaar/zomer 2020 in de nacht/avondperiode nieuwe metingen te hebben laten verrichten, te weten op 29 mei 2020, 10 augustus 2020 en 1 september 2020.

De rechtbank stelt vast dat in het primaire besluit reeds is aangegeven dat een nader onderzoek in het voorjaar en de zomerperiode zou worden uitgevoerd, omdat door eiseres toen is gesteld dat de overlast in die perioden groter is. Uit het advies van de Commissie van 17 februari 2020 leidt de rechtbank af dat er volgens de Commissie fouten zijn gemaakt in de communicatie met eiseres en dat eerder in de zomer metingen hadden moeten worden uitgevoerd, omdat de dagen dan langer zijn en, naar de rechtbank begrijpt, de vogels het meest actief zijn.

3.9

Er is - aldus verweerder ter zitting - in 2020 drie keer gemeten vóór 07.00 uur (nachtperiode), te weten op 29 mei 2020, 10 augustus 2020 en begin september 2020 en één keer begin september tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode). Er is één overschrijding geconstateerd op 10 augustus 2020 met 4 dB(A).

Weliswaar kunnen deze metingen niet worden gebruikt om te toetsen of aan het toegestane geluidsniveau werd voldaan, maar de resultaten van deze metingen, die betrekking hebben op het voorjaar en de zomer in de nacht en ochtend - waarbij eveneens bij 1 meting een overschrijding is geconstateerd - bevestigen de representativiteit van de metingen uit 2019.

3.10

De rechtbank is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerder tot de gevolgtrekking had moeten komen dat de metingen in onjuiste perioden en/of tijdvakken hebben plaatsgevonden, of dat de metingen onjuist zijn uitgevoerd. Daarbij is in aanmerking genomen dat metingen hebben plaatsgevonden in de periode van het jaar en gedurende een tijd waarin eiseres heeft aangegeven geluidsoverlast te ervaren. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank, mede gelet op het feit dat van de zijde van eiseres geen andersluidend tegenrapport is ingediend waarmee de metingen wordt betwist, geen aanleiding voor het oordeel dat daarmee aannemelijk is gemaakt dat de metingen desondanks niet representatief zijn.

3.11

Verweerder heeft zich, gelet hierop, op goede gronden op het standpunt gesteld dat in het merendeel van de metingen wordt voldaan aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit en sprake is van incidentele geluidshinder door de vogels die in redelijkheid niet tot handhavend optreden noopt. Verweerder heeft dan ook kunnen besluiten om het verzoek tot handhavend optreden af te wijzen en dit besluit bij het bestreden besluit te handhaven.

Het betoog faalt.

In beide zaken.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 2 december 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:2

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2. Ten aanzien van bestuursorganen worden de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.

3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Artikel 1:3

1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.

3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

4. (..).

Activiteitenbesluit milieubeheer

Afdeling 2.8 Geluidhinder

Artikel 2.16b

Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A of een inrichting type B drijft.

Artikel 2.17

1.Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:

a.de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;

Tabel 2.17a

07:00–19:00 uur 19:00–23:00 uur 23:00–07:00 uur

LAr,LT op de gevel van

gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A)

LAr,LT in in- en aanpandige

gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A)

LAmax op de gevel van

gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A)

LAmax in in- en aanpandige

gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A)