Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:5933

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-11-2020
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
20/2871
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/2871

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 november 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster en [verzoeker] , verzoeker,

gezamenlijk te noemen: verzoekers

(gemachtigde: mr. P.J.A. van de Laar),

en

Senzer, burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Slegers).

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan verzoekers toegekende uitkering ingevolge de Participatiewet (PW), ingetrokken met ingang van
12 september 2020 en over de periode van 1 mei 2019 tot en met 12 september 2020. Ook heeft verweerder de in die periode betaalde bijstand voor een bedrag van € 6.285,03 van verzoekers teruggevorderd.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2020. Verzoeker is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verzoekster is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Spoedeisend belang

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan als het bestreden besluit in de bezwaarprocedure naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen stand zal kunnen houden, terwijl tevens voldoende spoedeisend belang aanwezig is. Bij twijfel omtrent de rechtmatigheid van het in geding zijnde besluit zal dienen te worden bezien of na afweging van de betrokken belangen grond bestaat voor het treffen van een voorziening. Daarbij dient het belang van de indiener van het verzoek om een voorlopige voorziening te worden afgewogen tegen het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

3. De voorzieningenrechter overweegt dat voor zover het verzoek om een voorlopige voorziening verband houdt met de intrekking over de periode van 1 mei 2019 tot en met

12 september 2020 niet is voldaan aan het vereiste van spoedeisend belang. Het gaat namelijk om een wijziging van een rechtstoestand over een periode in het verleden, die op zichzelf geen acute financiële noodsituatie veroorzaakt. Daarom hebben verzoekers in zoverre geen spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening.

4. Ook ziet de voorzieningenrechter in het besluit tot terugvordering en de mogelijk daaropvolgende invordering bij dwangbevel geen reden om spoedeisend belang aan te nemen. Verzoekers kunnen daartegen en tegen een eventueel beslag immers de bescherming inroepen van de regels inzake de beslagvrije voet neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475f van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zodat voor een acute financiële noodsituatie niet behoeft te worden gevreesd.

5. Verzoekers voeren aan dat zij financieel in nood verkeren omdat zij op dit moment zijn verstoken van enige bron van inkomsten. Zij hebben geen eigen vermogen om in hun levensonderhoud te voorzien en er dreigt een uithuiszetting omdat de vaste lasten (huur) niet meer kunnen worden voldaan.

6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers hiermee voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij wel een spoedeisend belang hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening hangende de bezwaarprocedure tegen de intrekking van de bijstandsuitkering per 12 september 2020.

7. Aangezien tegen het primaire besluit tijdig bezwaar is gemaakt, deze rechtbank in een eventuele bodemprocedure bevoegd zal zijn en ook overigens geen beletselen bestaan, kan verzoeker in zijn verzoek worden ontvangen.

voorlopig oordeel

8. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk behandelen maar wijst er op dat zijn oordeel een voorlopig karakter heeft en de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet is gebonden aan dat oordeel.

Feiten en omstandigheden

9. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

10. Verzoekers ontvingen een bijstandsuitkering naar de norm van gehuwden.

11. Bij brief van 27 augustus 2020 heeft verweerder verzoekers op de hoogte gesteld van een regulier heronderzoek naar hun recht op bijstand. In deze brief zijn zij verzocht om uiterlijk op 11 september 2020 de in de brief vermelde gegevens over te leggen. Het gaat om ingevulde en ondertekende heronderzoeksformulieren, de afschriften van de bank- en/of spaarrekeningen vanaf 1 mei 2020, een kopie van een geldig identiteitsbewijs, de polis zorgverzekering- en voertuigen en gegevens over vermogen en schulden.

12. Verzoekers hebben de heronderzoeksformulieren ingeleverd.

13. Bij besluit van 14 september 2020 heeft verweerder bericht dat de heronderzoeksformulieren niet volledig zijn ingevuld en dat verzoekers de overige gevraagde gegevens niet hebben ingeleverd. Daarom wordt de uitkering per 11 september 2020 opgeschort. Verzoekers zijn in de gelegenheid gesteld om de heronderzoeksformulieren alsnog volledig in te vullen en te ondertekenen en om alsnog de gevraagde gegevens in te leveren. Verzoekers hebben hier uiterlijk tot en met 25 september 2020 de tijd voor gekregen.

14. Verzoekers hebben geen gegevens ingeleverd binnen de daarvoor gestelde termijn.

15. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen.

16. Op 6 oktober 2020 heeft de gemachtigde van verzoekers per e-mail de gevraagde heronderzoeksformulieren ingeleverd.

Standpunt van verweerder

17. Bij het primaire besluit van 5 oktober 2020 heeft verweerder de bijstand van verzoekers met ingang van 12 september 2020 ingetrokken. De grondslag hiervoor heeft verweerder gevonden in artikel 54, eerste lid in samenhang met artikel 54, vierde lid van de Pw. Daarbij heeft verweerder er op gewezen dat verzoekers bij brieven van 27 augustus en 14 september 2020 om informatie is gevraagd, die zij niet hebben ingeleverd.

Gronden van het verzoek om voorlopige voorziening

18. Verzoekers zijn het niet eens met verweerders besluit. Verzoekers geven aan dat zij tijdig de heronderzoeksformulieren hebben ingevuld en geroutineerd. Zij zijn per ongeluk vergeten sommige gegevens in te vullen. Inmiddels hebben zij op 6 oktober 2020 met hulp van hun gemachtigde de heronderzoeksformulieren volledig ingevuld en ingeleverd. Bovendien wijzen verzoekers erop dat verweerder volledig op de hoogte is van hun financiële situatie, zodat ten onrechte hierover om informatie is verzocht. Zij raken geïrriteerd dat er telkens om dezelfde informatie wordt gevraagd waarover verweerder al beschikt. Verzoekers zijn van mening dat zij alle informatie hebben verstrekt.

De beoordeling van de voorzieningenrechter

19. De te beoordelen periode loopt van 12 september 2020 (datum intrekking) tot en met

5 oktober 2020 (datum primair besluit).

20. Het besluit tot beëindiging van bijstand is een voor verzoekers belastend besluit, waarbij het aan verweerder is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor beëindiging is voldaan in beginsel op verweerder rust, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3185).

21. Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de PW kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten.

22. Artikel 54, vierde lid, van de PW bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

23. Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken als het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

24. Op grond van artikel 53a, eerste lid, van de Pw bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van de gegevens plaatsvindt.

25. Op grond van artikel 53a van de Pw is verweerder steeds bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel voortzetting van de bijstand. Volgens vaste rechtspraak kan verweerder deze algemene bevoegdheid uitoefenen ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden zonder voorafgaand en redengevend feit, signaal, grond of vermoeden. Zie in dit verband de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2509 en 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1231.

26. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bij brief van 27 augustus 2020 en nogmaals bij in het besluit van 14 september 2020 gevraagde informatie, de heronderzoeksformulieren en de bankafschriften vanaf 1 mei 2020, van belang zijn voor het vaststellen (voorzetten) van het recht op bijstand. De stelling van verzoekers dat verweerder al op de hoogte was van hun financiële situatie, maakt niet dat de gevraagde gegevens in dit geval de heronderzoeksformulieren en de bankafschriften niet relevant zijn. Deze gegevens kunnen immers dienen ter controle van de juistheid voor de (voortzetting) van de bijstandsverlening. Verweerder kan dan ook om deze gegevens vragen.

27. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gevraagde bankafschriften vanaf 1 mei 2020 niet door verzoekers zijn ingeleverd. Voor wat betreft de heronderzoeksformulieren geldt dat die niet binnen de gegeven hersteltermijnen volledig ingevuld zijn ingeleverd.

28. Ter zitting is door verzoekers aangevoerd dat hun niet verweten kan worden dat niet (tijdig) de gevraagde heronderzoeksformulieren en bankafschriften zijn overgelegd. Verzoekers zijn laag opgeleid beheersen de Nederlandse taal niet goed. Zij kunnen vanwege psychische problemen niet aan het werk en behoren tot de zwakkeren van de samenleving. Verder hebben verzoekers naar voren gebracht dat de bankafschriften bij de bewindvoerder zijn. Verzoekers hebben de bankafschriften niet teruggekregen, terwijl zij daar wel om hadden verzocht.

29. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers met hetgeen zij ter zitting naar voren hebben gebracht niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet binnen de gegeven hersteltermijnen over de gevraagde gegevens hebben kunnen beschikken. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoekers hiervan geen verwijt kan worden gemaakt.

30. Het gegeven dat verzoekers de Nederlandse taal niet machtig zijn, een lage opleiding hebben genoten en tot de zwakkeren van de maatschappij behoren, zoals ter zitting naar voren is gebracht, betekent niet dat zij niet in staat waren om de gevraagde gegevens binnen de gestelde termijn te verstrekken. Verzoekers hadden bijvoorbeeld de hulp van hun advocaat kunnen inschakelen om hen hierbij te helpen. Dat zij daartoe niet in staat waren is niet gebleken. Uit het dossier blijkt dat verzoekers ook inderdaad de hulp van hun advocaat hebben gevraagd bij het invullen van de heronderzoeksformulieren. Ter zitting is gebleken dat verzoekers vaker door een advocaat worden bijgestaan. Het ligt op de weg van verzoekers om tijdig hulp te vragen bij het nakomen van hun verplichtingen.

31. Dat verzoekers vanwege psychische klachten in de onmogelijkheid verkeerden tijdig de gevraagde stukken te overleggen, volgt de voorzieningenrechter niet. De voorzieningenrechter wil op grond van hetgeen ter zitting naar voren is gebracht wel aannemen dat bij verzoekers sprake is van psychische problematiek. Maar dat bij verzoekers sprake was van zodanige psychische problemen dat op grond daarvan niet van hen kon worden verwacht tijdig gegevens te verstrekken, blijkt niet uit het dossier. Door verzoekers is dat ook niet onderbouwd met (medische) stukken.

32. Verzoekers hebben aangevoerd dat de bewindvoerder de gevraagde bankafschriften in zijn bezit heeft. Dit leidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet tot de conclusie dat verzoekers geen verwijt kan worden gemaakt. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1355) komt nalatigheid van de bewindvoerder voor rekening en risico van de betrokkene. Er bestaat geen aanleiding om daar in het onderhavige geval anders over te oordelen. Verder wijst de voorzieningenrechter erop dat verzoekers de bankafschriften via internetbankieren hadden kunnen krijgen of anderszins bij de bank hadden kunnen opvragen.

33. Dat verzoekers op 6 oktober 2020 per e-mail de volledig ingevulde heronderzoeksformulieren hebben ingeleverd, maakt het oordeel niet anders. Deze heronderzoeksformulieren zijn immers pas na het verstrijken van de hersteltermijnen ontvangen. Daar komt bij dat de gevraagde bankafschriften nog steeds niet door verzoekers zijn ingeleverd.

34. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Pw is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldaan. Verweerder was dan ook bevoegd om de bijstandsuitkering met ingang van
12 september 2020 in te trekken.

Conclusie

35. Dit leidt tot het oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en het primaire besluit naar verwachting in bezwaar stand kan houden. Hierdoor is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening zodat het verzoek zal worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.M. Dohmen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Mermer - Vardar, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op

30 november 2020.

griffier voorzieningenrechter

de griffier is verhinderde om deze

uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.