Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:5867

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
26-11-2020
Zaaknummer
C/01/355699 en C/01/358377
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag van ouders na 4,5 jaar ondertoezichtstelling. Ouders blijven elkaar polariseren. Hierdoor komt de hulpverlening niet op gang. Omdat de problematiek al lang sleept, is er onvoldoende vertrouwen dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn alsnog in staat zullen zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen (gezamenlijk) te dragen. Ouders beschikken over voldoende pedagogische kwaliteiten en hebben hun kinderen weliswaar afzonderlijk van elkaar veel te bieden, maar door hun slechte onderlinge relatie is er een reële vrees dat de andere ouder bij eenhoofdig gezag steeds meer uit beeld zal raken. Dat is niet in het belang van de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

MEERVOUDIGE KAMER

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/01/355699 / FA RK 20-653 en C/01/358377 / FA RK 20-2093

Datum uitspraak: 12 augustus 2020

beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag van beide ouders, eenhoofdig gezag, hoofdverblijf en benoeming forensisch mediator

in de zaak:

C/01/355699 / FA RK 20-653 (beëindiging gezag van beide ouders)

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, locatie ’s-Hertogenbosch,

hierna te noemen: de raad,

betreffende

[kind_1] , geboren op [geboortedatum] te

' [geboorteplaats] , hierna te noemen: [kind_1] ,

[kind_2] , geboren op [geboortedatum] te

[geboorteplaats] , hierna te noemen: [kind_2] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[vader] , hierna te noemen: (de) vader,

wonende te [woonplaats 1] , gemeente [woonplaats 1] ,

advocaat mr. E.A. Kronenburg,

[moeder] , hierna te noemen: (de) moeder,

wonende te [woonplaats 3] , gemeente [woonplaats 3] ,

advocaat mr. J.W. Weehuizen,

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

statutair gevestigd te Eindhoven, vestiging ’ [woonplaats 3] ,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

De rechtbank merkt als informant aan:

[stiefmoeder]

wonende te [woonplaats 1] , gemeente [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: de stiefmoeder.

en in de zaak:

C/01/358377 / FA RK 20-2093 (eenhoofdig gezag, hoofdverblijf en benoeming forensisch mediator)

[moeder] ,

wonende te [woonplaats 2] , gemeente [woonplaats 2] ,

advocaat mr. J.W. Weehuizen,

tegen

[vader] ,

wonende te [woonplaats 1] , gemeente [woonplaats 1] ,

advocaat mr. E.A. Kronenburg,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk (de) moeder en (de) vader,

betreffende de minderjarigen:

  • -

    [kind_1] , geboren te ' [geboorteplaats] op [geboortedatum] , hierna te noemen: [kind_1] ,

  • -

    [kind_2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , hierna te noemen: [kind_2] .

De rechtbank merkt als informant aan:

[stiefmoeder]

wonende te [woonplaats 3] , gemeente [woonplaats 3] ,

hierna te noemen: de stiefmoeder.

In het kader van de ondertoezichtstelling van [kind_1] en [kind_2] en de uithuisplaatsing van [kind_1] is voor de mondelinge behandeling ook uitgenodigd:

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

statutair gevestigd te Eindhoven, locatie [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

In zijn adviserende rol in deze zaak is voor de mondelinge behandeling uitgenodigd:

de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, locatie [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: de raad.

Het procesverloop

C/01/355699 / FA RK 20-653 (beëindiging gezag van beide ouders)

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de raad van 11 februari 2020, ingekomen bij de griffie op

12 februari 2020;

- de brief (met bijlage) van mr. Weehuizen van 22 juni 2020;, ontvangen op de griffie op

23 juni 2020;

- de brief van de raad van 6 april 2020 met bijlagen, ontvangen op de griffie op 8 april 2020;

- de brief van de GI van 29 april 2020 met bijlagen, ontvangen op de griffie op 30 april 2020;

- het verweerschrift (met bijlagen) van vader, ingediend door mr. Kronenburg en ontvangen op de griffie op 13 juli 2020.

C/01/358377 / FA RK 20-2093 (eenhoofdig gezag, hoofdverblijf en benoeming forensisch mediator)

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- het verzoekschrift van moeder, ontvangen op de griffie op 6 mei 2020;

- de brief (met bijlage) van mr. Weehuizen van 22 juni 2020 met daarin een aanvullend verzoek van moeder;

- het verweerschrift (met bijlagen), tevens inhoudende zelfstandig verzoeken van vader, ingediend door mr. Kronenburg en ontvangen op de griffie op 13 juli 2020.

In beide zaken

Op 14 juli 2020 heeft de meervoudige kamer de beide zaken vanwege hun onderlinge samenhang gelijktijdig en achter gesloten deuren mondeling behandeld.

Gehoord zijn:

- moeder, bijgestaan door mr. Weehuizen,

- vader, bijgestaan door mr. Kronenburg,

- een vertegenwoordiger van de raad, te weten mevrouw [naam] ,

- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, te weten [naam] en de [naam] .

Met het oog op de mondelinge behandeling van 14 juli 2010 is de minderjarige [kind_1] op

10 juli 2020 door een van de leden van de meervoudige kamer van de rechtbank gehoord over alle verzoeken.

De stiefmoeder is, alhoewel zij als informant voor de mondelinge behandeling is uitgenodigd, niet verschenen.

De feiten in de beide zaken


Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest en zijn [in 2015] gescheiden. Tijdens het huwelijk zijn [kind_1] en [kind_2] geboren. Het ouderlijk gezag over [kind_1] en [kind_2] wordt uitgeoefend door de ouders.

Bij beschikking van de kinderrechter van 26 januari 2016 is de ondertoezichtstelling van [kind_1] en [kind_2] uitgesproken. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 22 januari 2020, en wel met ingang van 26 januari 2020 tot en met 26 januari 2021.

Bij beschikking van 12 juni 2017 van deze rechtbank is het hoofdverblijf van de kinderen bij vader bepaald. Tegen deze beschikking heeft moeder hoger beroep ingesteld (zie hierna).

Bij beschikking van de kinderrechter van 18 oktober 2019 is [kind_1] met een machtiging uit huis geplaatst bij de andere ouder met het gezag, te weten bij moeder, met ingang van

18 oktober 2019 tot uiterlijk 26 januari 2020. Bij beschikking van 22 januari 2020 is de uithuisplaatsing van [kind_1] bij moeder verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot uiterlijk 26 januari 2021.

De raad heeft in zijn aanvullend rapport van 12 februari 2020 geadviseerd om de hoofdverblijfplaats van [kind_1] en [kind_2] bij moeder te bepalen.

Bij beschikking van 11 juni 2020 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof) beslist op het door moeder ingestelde hoger beroep (zie hiervoor). Het hof heeft (voor zover van belang voor deze procedure) de beschikking van de rechtbank van 20 juni 2017 vernietigd voor wat betreft het hoofdverblijf van [kind_1] en heeft vervolgens het hoofdverblijf van [kind_1] bij moeder bepaald. Verder heeft het hof het verzoek van moeder om het hoofdverblijf van [kind_2] bij haar te bepalen afgewezen, omdat het hof het niet opportuun vond om vooruit te lopen op deze beslissing van de rechtbank over de door de raad gevraagde beëindiging van het gezag van beide ouders.

De verzoeken

Beëindiging van het gezag van beide ouders

De raad verzoekt het gezag van de ouders, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, te beëindigen en de GI tot voogd over [kind_1] en [kind_2] te benoemen. De raad vindt dat [kind_1] en [kind_2] op dit moment zodanig opgroeien dat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Ook zijn de ouders volgens de raad niet in staat de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [kind_1] en [kind_2] aanvaardbare termijn. De raad verzoekt dan ook om het gezag van de ouders te beëindigen.

Daarbij heeft de raad uitdrukkelijk in haar laatste rapport van 11 februari 2020 aan de rechtbank verzocht om het eerder uitgebrachte onderzoeksrapport over het hoofdverblijf van [kind_1] en [kind_2] en de contactregeling met de vader (vastgelegd in het raadsrapport van

28 oktober 2019) als bekend en ingelast te beschouwen en als basis en fundament te laten dienen bij de rapportage over de gezagsbeëindiging.

De vader en de moeder voeren beiden verweer tegen het verzoek van de raad.

Eenhoofdig gezag, hoofdverblijf en benoeming forensisch mediator

Moeder verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

- het gezag over [kind_1] en [kind_2] in het vervolg uitsluitend aan haar toekomt,

- dat het hoofdverblijf van [kind_2] voortaan bij haar is.

Vader voert gedeeltelijk verweer tegen de verzoeken van moeder. Hij kan zich vinden in de toewijzing van het eenhoofdig gezag van [kind_1] aan moeder en voert voor het overige verweer. Vader verzoekt zelfstandig, zo begrijpt de rechtbank:

- om het eenhoofdig gezag over [kind_1] aan moeder toe te kennen en het eenhoofdig gezag over [kind_2] aan vader toe te kennen,

- om, uitsluitend voor het geval de rechtbank overweegt om het hoofdverblijf van [kind_2] bij moeder te bepalen, een forensisch mediator te benoemen.

Moeder voert verweer tegen de verzoeken van vader, behalve tegen het verzoek van vader om het eenhoofdig gezag over [kind_1] aan haar toe te wijzen. Daar is moeder het mee eens en dat verzoekt zij zelf ook.

Standpunten tijdens de mondelinge behandeling

Op de standpunten van de partijen en de belanghebbenden zal hierna alleen worden ingegaan voor zover dat van belang is voor de beoordeling.

In de beide zaken

De raad handhaaft zijn verzoek. De raad concludeert dat [kind_1] en [kind_2] ernstig klem en verloren zijn geraakt. De raad hoopt dat [kind_1] en [kind_2] zich, wanneer het gezag bij een neutrale instantie zal berusten, vrij voelen om zich te identificeren met beide ouders. De raad vindt het belangrijk dat [kind_1] en [kind_2] niet uit elkaar worden gehaald, noch in hoofdverblijf noch in gezagspositie, en denkt dat eenhoofdig gezag geen oplossing zal zijn voor de klempositie waarin [kind_1] en [kind_2] zich bevinden. Het verzoek van de raad is met name gestoeld op het criterium genoemd in artikel 1:266 lid 1 sub a B: het feit dat ouders niet samen tot beslissingen kunnen komen zorgt voor de problemen. Daarnaast maken de ouders in de ogen van de raad misbruik van hun gezag (artikel 1:266 lid 1 sub b BW) in die zin dat zij hun eigen belangen en behoeften verwijtbaar laten prevaleren boven die van [kind_1] en [kind_2] .

Vader vindt dat eerst de mogelijkheid tot eenhoofdig gezag moet worden beproefd, voordat kan worden toegekomen aan beëindiging van het gezag van beide ouders. Vader geeft aan dat hij veel thuis is en beschikbaar is voor de kinderen. Zo besteedt hij veel tijd aan het helpen van [kind_2] met zijn huiswerk. Vader is bang dat wanneer [kind_2] bij moeder gaat wonen, het contact tussen vader en [kind_2] en het contact tussen grootouders (vaderszijde) en [kind_2] verdwijnt. Vader kan zich vinden in de toewijzing van het hoofdverblijf en het eenhoofdig gezag van [kind_1] bij moeder.

Moeder vindt het belangrijk dat de kinderen niet uit elkaar worden gehaald. Ze wil dat [kind_1] en [kind_2] als broers samen opgroeien. Volgens moeder is onvoldoende duidelijk geworden waarom eenhoofdig gezag door haar over beide kinderen geen goede oplossing zou zijn. Moeder wil zich inzetten voor omgang tussen de vader en de kinderen.

De GI is van mening dat de kinderen enorm klem zitten. Volgens de GI zijn beide ouders schuldig aan de ontstane situatie en de echtscheidingsstrijd. De GI ziet sinds vorig jaar wel een positieve ontwikkeling van moeder.

De beoordeling

Beëindiging van het gezag van beide ouders

De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, als:

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of;

  2. de ouder het gezag misbruikt.

De rechtbank is van oordeel dat aan de criteria van artikel 1:266 lid 1 sub a BW is voldaan. [kind_1] en [kind_2] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd doordat de ouders sinds de echtscheiding (inmiddels al vijf jaar geleden) de strijd met elkaar aangaan over grote en kleinere beslissingen over de kinderen. Er is sprake van een destructieve communicatie tussen de ouders waarbij nog altijd sprake is van polarisatie, van eindeloze discussies en van onenigheid en een andere visie over de opvoedsituatie bij de andere ouder. Ouders willen allebei hun gelijk halen. [kind_1] en [kind_2] voelen zich hierdoor niet vrij om onbelast contact te hebben met beide ouders. Zij zitten ernstig klem tussen de ouders en voelen zich enorm eenzaam. Beide ouders diskwalificeren elkaar en kijken onvoldoende naar hun eigen aandeel. De ouders hebben sinds de start van de ondertoezichtstelling in januari 2016 ruimschoots de tijd gehad om tot een verbetering van de situatie voor [kind_1] en [kind_2] te komen en te werken aan hun onderlinge communicatie. Desondanks is van een verbetering nauwelijks sprake. [kind_1] heeft inmiddels vanuit een overlevingsstand de keuze gemaakt om bij de moeder te gaan wonen en wil geen enkel contact meer met vader. Hij voelt bij vader onvoldoende ruimte om van moeder te mogen houden en kan zich daarom niet identificeren met een deel van zichzelf. [kind_2] woont bij vader en [kind_1] wil daar niet langer komen. Daarmee staat ook de relatie tussen [kind_2] en [kind_1] inmiddels onder druk.

Er is geen goede ouderschapsrelatie tussen de ouders en het ontbreekt hen aan wederzijds respect, aan een goede communicatie en aan onderlinge afstemming. Er is in de afgelopen jaren volop geprobeerd om de ouders mee te krijgen in hulpverleningstrajecten maar dat heeft niet tot resultaat geleid. Het traject KUK is niet gestart omdat ouders daar niet aan mee wilden werken en het traject van Topaze is gestopt. Topaze stond namelijk niet langer achter het traject omdat zij [kind_1] zodanig onder druk moesten zetten om contact te hebben met zijn vader, dat zij dat niet meer in zijn belang vonden. Het gevolg hiervan is dat [kind_1] en [kind_2] nog steeds niet de hulp krijgen die zij volgens de GI nodig hebben en dat de juridische procedures blijven voortduren. Omdat de problematiek al lang sleept, is er onvoldoende vertrouwen dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn alsnog in staat zullen zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen (gezamenlijk) te dragen. De inzet van het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling in de afgelopen

4,5 jaar heeft niet tot resultaat geleid en de rechtbank ziet net als de raad geen heil meer in verdere hulpverleningstrajecten voor de ouders omdat zij blijven polariseren. Naar het oordeel van de rechtbank is het gelet op al het voorgaande in het belang van [kind_1] en [kind_2] dat het gezag van ouders wordt beëindigd. Beide ouders hebben [kind_1] en [kind_2] weliswaar afzonderlijk van elkaar veel te bieden, maar door hun slechte onderlinge relatie is er een reële vrees dat de andere ouder bij eenhoofdig gezag steeds meer uit beeld zal raken. Dat is niet in het belang van [kind_1] en [kind_2] .

De rechtbank zal daarom het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders toewijzen.

Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [kind_1] en [kind_2] ontbreekt, moet de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hen benoemen.

De raad heeft verzocht om de GI te benoemen als voogd over [kind_1] en [kind_2] . De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij over [kind_1] en [kind_2] te aanvaarden. De rechtbank zal de GI als voogd over [kind_1] en [kind_2] benoemen.

Eenhoofdig gezag

Omdat de rechtbank het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de ouders toe zal wijzen, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de verzoeken van moeder en vader tot eenhoofdig gezag.

Hoofdverblijf van [kind_2]

Op grond van artikel 1:253a lid 1 en lid 2 sub b BW kunnen geschillen tussen de ouders over de gezamenlijke gezagsuitoefening, bijvoorbeeld over het hoofdverblijf, op verzoek van beiden of op verzoek van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Omdat het gezag van beide ouders door toewijzing van het verzoek van de raad wordt beëindigd, zal de rechtbank het verzoek van moeder om het hoofdverblijf van [kind_2] te wijzigen, afwijzen. Het is namelijk de GI die als voogd over [kind_1] en [kind_2] bevoegd is om een beslissing te nemen over hun hoofdverblijf.

Forensisch mediator

Omdat de rechtbank het verzoek van moeder tot wijziging van het hoofdverblijf van [kind_2] afwijst, is niet voldaan aan de voorwaarde waaronder vader zijn verzoek heeft ingesteld. Daarmee komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van dit verzoek van vader.

De beslissing


De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van [moeder] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en [vader] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] over:

- [kind_1] , geboren op [geboortedatum] te

[geboorteplaats] en

- [kind_2] , geboren op [geboortedatum] te

’ [geboorteplaats] ;

benoemt stichting Jeugdbescherming Brabant, statutair gevestigd te Eindhoven, vestiging

[woonplaats 1] tot voogd over [kind_1] en [kind_2] ;

gelast de ouders om rekening en verantwoording af te leggen aan de voogd over het vermogen van [kind_1] en [kind_2] ;

verstaat dat niet is voldaan aan de voorwaarde waaronder het verzoek van de vader tot het benoemen van een forensisch mediator is gedaan,

wijst de overige verzoeken af;

compenseert de kosten tussen partijen in die zin, dat beide partijen hun eigen kosten dragen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. van der Weij, voorzitter, tevens kinderrechter, en E.J.M. Walstock-Krens en E.C.L. Pechaczek (rechters) en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 12 augustus 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch.