Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:5837

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
SHE 20/2697
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen voorgenomen gedeeltelijke openbaarmaking van documenten over verzoekster. Wob-verzoek ingediend door een derde-partij. Gelet op lid vier en zes van artikel 10 van de Wob, zijn de weigeringsgronden van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob niet van toepassing. De vraag of de inhoud van de openbaar te maken documenten (on)juist is, is niet relevant in een zaak waarbij aan de orde is of documenten in het kader van de toepassing van de Wob openbaar gemaakt kunnen worden. Besluit evident rechtmatig, dus de voorzieningenrechter komt niet toe aan een belangenafweging. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/2697

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 november 2020 in de zaak tussen

[verzoekster] , in [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de minister

(gemachtigden: mr. M. Looijs en mr. A.H.T.M. van Straaten).

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2020 (bestreden besluit) heeft de minister naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) (Wob-verzoek) van een derde besloten om de door die derde gevraagde documenten gedeeltelijk openbaar te maken. Om verzoekster de mogelijkheid te geven de openbaarmaking tegen te houden, heeft de minister toepassing gegeven aan artikel 6, vijfde lid, van de Wob (uitgestelde openbaarmaking).

Verzoekster heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt en, naast het indienen van een bezwaar tegen het bestreden besluit, de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 6 oktober 2020 heeft de minister de voorzieningenrechter laten weten dat het bestreden besluit niet zal worden uitgevoerd tot uitspraak is gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening.

De minister heeft bij brief van 15 oktober 2020 de gedingstukken ingestuurd en daarbij verzocht om op een aantal documenten geheimhouding in de zin van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe te passen. Tijdens de zitting heeft de minister gezegd dat dit verzoek uitsluitend ziet op de identiteit van de derde, die het Wob-verzoek heeft ingediend en die de rechtbank heeft laten weten niet als partij aan het geding te zullen deelnemen.

In zaken als deze, waarin het gaat om de vraag of bepaalde documenten wel of niet openbaar moeten worden gemaakt, is op grond van artikel 2.8, zesde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (Niet-Kei-zaken) 2017 beperkte kennisneming van die documenten gerechtvaardigd.

Bij brief van 20 oktober 2020 heeft verzoekster drie aanvullende documenten toegestuurd.

Bij brief van 21 oktober 2020 heeft verzoekster de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2020. Voor verzoekster zijn haar gemachtigde en haar bestuurder, [naam] , naar de zitting gekomen. Voor de minister zijn haar gemachtigden naar de zitting gekomen.

Overwegingen

De feiten

1. Verzoekster is een slachterij die statutair is gevestigd in [vestigingsplaats] en een filiaal heeft in [vestigingsplaats] . Bij brief van 2 februari 2020 heeft een derde de minister gevraagd om de documenten met daarin de volgende gegevens over verzoeksters filiaal in [vestigingsplaats] openbaar te maken:

  • -

    de datum, begin en einde keuringen en het aantal slachtingen van de zaterdagen waarop in 2019 en 2020 geslacht is;

  • -

    de datum van de zaterdagen waarvoor in 2020 keuringen zijn aangevraagd;

  • -

    de afspraken die zijn gemaakt met het slachthuis met betrekking tot het verhogen van de slachtsnelheid;

  • -

    een steekproef van begin en eindtijden van de keuringen en het aantal varkens dat er op die dagen geslacht zijn.

Bij brief van 14 augustus 2020 heeft de minister verzoekster laten weten het voornemen te hebben de door een derde gevraagde documenten (deels) openbaar te maken. Daarbij heeft de minister aangegeven dat persoonsgegevens en bedrijfsgegevens buiten de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen en dat deze daarom zijn weggelakt.

Verzoekster heeft bij brief van 27 augustus 2020 haar zienswijze op het voornemen van de minister gegeven.

De overige feiten staan onder het kopje procesverloop.

Karakter van deze procedure

2. Het gaat hier om een verzoek om voorlopige voorziening. Uitgangspunt van de wet is dat het maken van bezwaar de werking van een besluit niet opschort (artikel 6:16 van de Awb). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daartoe is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. In dat artikel is verwoord dat als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De verzoekster moet dus goede redenen hebben die maken dat hij de beslissing op het bezwaar niet kan afwachten en een uitzondering op de hoofdregel dat het bezwaar de uitvoering van het besluit niet schorst, rechtvaardigen. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de beslissing op het bezwaar. De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die in een later stadium op het eventuele beroep beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.

3. Als er onverwijlde spoed is, zal de voorzieningenrechter kijken of een voorlopig oordeel is te geven over de vraag of het besluit rechtmatig is. Valt het besluit niet in de categorie evident rechtmatig of evident onrechtmatig, dan is sprake van een besluit uit de tussencategorie. Bij zo’n besluit moet de voorzieningenrechter een belangenafweging maken. Dat kan ook nodig zijn als binnen heel korte tijd een beslissing moet worden genomen.

4. In het bestreden besluit heeft de minister besloten dat de door een derde gevraagde documenten binnen twee weken deels openbaar worden gemaakt, tenzij daartegen bezwaar wordt gemaakt en om een voorlopige voorziening wordt gevraagd. Alleen in dat geval zal de minister wachten met openbaar maken van de documenten tot op het verzoek om een voorlopig voorziening is beslist. De voorzieningenrechter oordeelt dat hiermee is gegeven dat sprake is van onverwijlde spoed.

Beoordeling van het bestreden besluit

5. Primair vindt verzoekster dat de minister de documenten niet openbaar mag maken op grond van de in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob genoemde weigeringsgrond. Verzoekster stelt dat haar concurrentiepositie wordt ondermijnd bij openbaarmaking van de documenten omdat met de daarin vermelde gegevens inzicht wordt gegeven in de inkoopprijzen en kosten van haar personeel en transport. Verder betoogt verzoekster dat de minister toepassing had moeten geven aan de weigeringsgrond die staat in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Verzoekster stelt dat zij onevenredig wordt benadeeld indien documenten met gegevens over aanvoer, afvoer, bandsnelheid, slachtdagen en slachttijden openbaar worden gemaakt.

Verzoekster vindt verder dat in de documenten geen milieu-informatie is vermeld, die betrekking heeft op emissies in het milieu en dat de hiervoor genoemde c- en g-grond daarom niet op grond van respectievelijk artikel 10, vierde lid, van de Wob en artikel 10, zesde lid, van de Wob buiten toepassing moeten worden gelaten.

Subsidiair vindt verzoekster dat de documenten niet openbaar gemaakt mogen worden omdat de daarin vermelde informatie over september 2019, 4 oktober 2019 en 7 oktober 2019 niet juist is en de minister gebruik heeft gemaakt van onjuiste aantallen.

6. Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege blijft voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

Uit artikel 10, vierde lid, van de Wob volgt dat het eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob niet van toepassing is voor zover het milieu-informatie betreft die betrekking heeft op emissies in het milieu. Voorts blijft in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob het verstrekken van milieu-informatie uitsluitend achterwege voor zover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang.

In artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, is bepaald dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

In artikel 10, zesde lid, van de Wob is bepaald dat het tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob niet van toepassing is op het verstrekken van milieu-informatie.

Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob

7. Uit de bijlage bij het bestreden besluit blijkt dat de minister het met verzoekster eens is dat de documenten die de minister openbaar wil maken bedrijfs- en fabricagegegevens bevatten die in vertrouwen aan de overheid zijn meegedeeld. In beginsel mogen deze documenten dan ook niet openbaar worden gemaakt. Dat is alleen anders als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Wob. Of sprake is van zo’n situatie hangt af van het antwoord op de vraag of de informatie in de documenten milieu-informatie is die betrekking heeft op emissies in het milieu. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend en kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan de overwegingen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 16 augustus 20171, waarin de Afdeling een ruime uitleg heeft gegeven aan het begrip emissie. Dit betekent dat gegevens over het slachten van varkens en de daarbij horende handelingen, als gevolg waarvan geur, warmte en geluid vrijkomen, onder het begrip emissie vallen. De voorzieningenrechter volgt bij zijn beoordeling ook de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 20192, waarin is geoordeeld dat dierenaantallen moeten worden aangemerkt als milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Wob. Aan dit oordeel kan de stelling van verzoekster dat het kader in de uitspraken van de Afdeling veel duidelijker was omdat het daarin ging om documenten op grond van de Wet Milieubeheer en niet om een slachterij, niet afdoen.

8. De minister heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt kunnen stellen dat verstrekking van de betreffende documenten niet op grond van de weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob achterwege kan blijven.

Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob

9. In rechtsoverweging 8 van deze uitspraak is geoordeeld dat in dit geval sprake is van milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu. Alleen daarom al is de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, gelet op het zesde lid van artikel 10 van de Wob niet van toepassing en slaagt verzoekers beroep op dit artikel niet.

10. De minister heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt kunnen stellen dat verstrekking van de betreffende documenten ook niet op grond van deze weigeringsgrond achterwege hoeft te blijven.

11. Verzoeksters subsidiair standpunt leidt niet tot een ander oordeel. Bij een bestuursrechtelijke beoordeling als deze onderhavige, waarbij aan de orde is of documenten in het kader van de toepassing van de Wob openbaar gemaakt kunnen worden, is niet relevant of de inhoud van die documenten juist is.

12. Omdat het bestreden besluit valt in de categorie evident rechtmatig zoals bedoeld bij rechtsoverweging 3 van deze uitspraak, komt de voorzieningenrechter niet toe aan een belangenafweging.

Conclusie

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 5 november 2020.

griffier voorzieningenrechter

De griffier is niet in de gelegenheid

de uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 ECLI:NL:RVS:2017:2211

2 ECLI:NL:RVS:2019:795