Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:580

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-02-2020
Datum publicatie
12-02-2020
Zaaknummer
C/01/351498 / FA RK 19-4916
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beschikking betreffende afwijzing van een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis na een eerder gewezen tussenbeschikking in verband met het uitblijven van meer zekerheid over de stoornis die het gevaar veroorzaakt. Tevens is onvoldoende vast komen te staan dat een gedwongen kader noodzakelijk is om het gevaar af te wenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/351498 / FA RK 19-4916

Uitspraak : 3 februari 2020

Beschikking betreffende een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis van:

[Betrokkene] ,
hierna mede te noemen: de betrokkene,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

verblijvende te: [naam en adres psychiatrisch ziekenhuis] ,
raadsman: mr. J.J.M. Cliteur.

De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • -

    een verzoek van de officier van justitie te 's-Hertogenbosch van 15 oktober 2019, ter griffie ingekomen op 16 oktober 2019;

  • -

    een op 10 oktober 2019 ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring van de geneesheer-directeur van bovengenoemd psychiatrisch ziekenhuis;

  • -

    een behandelingsplan d.d. 10 oktober 2019 en de voortgangsrapportage, waaronder de medische aantekeningen;

  • -

    een schrijven van mr. J.J.M. Cliteur, ter griffie ingekomen op 27 januari 2020;

  • -

    een e-mail met bijlage van de mentor van betrokkene d.d. 28 januari 2020.

De officier van justitie verzoekt een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.

Bij tussenbeschikking van 23 december 2019 heeft de rechtbank een second opinion door een psychiatrisch deskundige gelast ten aanzien van de vraag of betrokkene aan een geestesstoornis lijdt en zo ja aan welke stoornis(sen), en welke van die (stoornis)sen tot een gevaar leidt in de zin van de Wet Bopz. De deskundige diende uiterlijk 31 januari 2020 de rechtbank te berichten hieromtrent. Deze datum is niet gehaald. Aanvankelijk doordat de rechtbank er pas na veel moeite in slaagde een psychiater te vinden die in de gelegenheid was de second opinion te doen; vervolgens doordat de uiteindelijk gecontacteerde psychiater zijn werk een aantal weken moest neerleggen.

Bij brief van 24 januari 2020, ter griffie ingekomen op 27 januari 2020 heeft
mr. J.J.M. Cliteur verzocht om afwijzing van het verzoek tot het verlengen van de machtiging. De raadsman van betrokkene legt hieraan ten grondslag dat de second opinion nog altijd niet is afgegeven en er geen zicht is op het moment wanneer dat wel het geval zal zijn. De voor het toewijzen van het verzoek van de officier van justitie noodzakelijke stoornis van de geestvermogens van betrokkene kan derhalve door het ziekenhuis niet op adequate wijze worden onderbouwd, stelde de raadsman.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 3 februari 2020, in [naam en adres psychiatrisch ziekenhuis] .

Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:

- betrokkene [Betrokkene] in tegenwoordigheid van haar raadsman mr. J.J.M. Cliteur;

- de mentor [naam] ;

- EVV’er [naam] ;

- arts [naam] .


Van het verhandelde is proces-verbaal opgemaakt.

De beoordeling


De behandelaar gaf aan dat dit verpleeghuis het nadere psychologisch onderzoek had uitgesteld in afwachting van de second opinion. De observatie van de afgelopen maanden had nog niet tot meer zekerheid geleid over de stoornis die het gevaar veroorzaakte en de arts gaf aan dat de gesignaleerde oordeels- en kritiekstoornissen en het initiatiefverlies zouden, maar niet met zekerheid, kunnen wijzen op (vasculaire) dementie. Tevens is onvoldoende komen vast te staan dat een gedwongen kader noodzakelijk is om he gevaar af te wenden.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zittingen is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat betrokkene nog immer lijdt aan een stoornis van haar geestvermogens die gevaar zal (doen) veroorzaken. Nu niet aan dit wettelijke vereiste is voldaan, zal het verzoek worden afgewezen.

De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.M.H. Myjer, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 3 februari 2020.

Conc: SvdB

Voor afschrift afgegeven aan:

 bestuur van: [psychiatrisch ziekenhuis]

 de Inspectie gezondheidszorg

 officier van justitie

 betrokkene

 raadsman