Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:5767

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
20/1181
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/1181

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2020 in de zaak tussen

[eisers] te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. A. Groenewoud),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heeze en Leende, verweerder

(gemachtigden: M.C. Tromp en mr. J. Crommentuijn).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [bedrijf] aan de [adres] en [nummer] te [vestigingsplaats] ,

(gemachtigde: M.G.J. Koenen).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het handhavingsverzoek van eisers ten aanzien van de verkeerssituatie op de [adres] in [woonplaats] ter hoogte van [bedrijf] afgewezen.

Bij besluit van 12 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het tegen het primaire besluit ingediende bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 4 september 2020 hebben eisers nadere stukken overgelegd.

Op 4 september 2020 heeft de derde-partij een reactie op de gedingstukken gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2020. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De derde-partij is verschenen bij [naam] (directeur), bijgestaan door zijn gemachtigde.

Na de zitting heeft verweerder op verzoek van de rechtbank - en met instemming van partijen - nadere stukken over het voorheen geldende bestemmingsplan “Kom Leende-Leenderstrijp” uit 2012 overgelegd.

Eisers en de derde-partij hebben afzonderlijk schriftelijk op de nadere stukken gereageerd.

Overwegingen

Relevante wet- en regelgeving
1. Voor de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar de bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak.

Handhavingsverzoek
2. Bij brief van 6 mei 2019 hebben [eisers] , respectievelijk wonend aan de [adres] en [nummer] , aan verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de verkeersonveilige situatie aan de [adres] en [nummer] in [woonplaats] ter hoogte van [bedrijf] . Het op die huisnummers gevestigde takelbedrijf verplaatst haar bedrijfsactiviteiten, aldus eisers, naar de openbare weg, wat regelmatig gevaarlijke situaties oplevert. Ook vinden op het perceel [adres] bedrijfsactiviteiten plaats, zoals het parkeren van voertuigen in de voortuin en deels op de rabatstrook.

Het primaire besluit
3. Verweerder heeft bij het primaire besluit het verzoek om handhaving afgewezen. Er is volgens verweerder geen sprake van strijd met het bestemmingsplan en ook wordt er niet gehandeld in strijd met de Wegenverkeerswet.
Bij het bestreden besluit is het primaire besluit gehandhaafd. Wat betreft de handhaving van de Algemene plaatselijke verordening betreft heeft verweerder aanvullend gesteld dat er ook ten aanzien van deze regelgeving geen overtredingen zijn geconstateerd.

Beginselplicht tot handhaving

4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

5. Bezien dient te worden of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij niet bevoegd was tot handhavend optreden, omdat er geen sprake was van een overtreding.

Bestemmingsplan

6. Eisers voeren aan dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of de activiteiten van het [bedrijf] , die volgens verweerder alleen plaatsvinden op het kadastrale perceel [woonplaats] Sectie [letter] , [nummer] , in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan.
Volgens eisers is het opslaan van vervangende en weggetakelde auto’s in strijd met het bestemmingsplan.

Eisers stellen verder, kort samengevat, dat verweerder op geen enkele manier aannemelijk heeft gemaakt dat de activiteiten op het kadastrale perceel gemeente [woonplaats] , sectie [letter] , [nummer] , onder het overgangsrecht vallen.
Ten slotte betogen eisers dat derde-partij handelt in strijd met de bestemming “Verkeer”, omdat te koop aangeboden auto’s (deels) op de voor “Verkeer” aangewezen gronden worden tentoongesteld. Ook worden op deze gronden met enige regelmaat takelwagens geparkeerd.

7. Verweerder heeft gesteld dat het bedrijf van derde-partij bestaat uit 2 onderdelen: het takel- en bergingsbedrijf en handel in auto’s.

De activiteiten met betrekking tot het [bedrijf] vinden plaats op het kadastrale perceel [woonplaats] Sectie [letter] , [nummer] . Dit perceel, gelegen aan de [adres] , heeft volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Kom Leende-Leenderstrijp 2015” de bestemming “Bedrijf” met de nadere aanduidingen “takel en bergingsbedrijf” en “autobedrijf”. De activiteiten van het [bedrijf] zijn daarmee volgens verweerder in overeenstemming met het bestemmingsplan.

De handel in auto’s vindt plaats op het perceel [woonplaats] sectie [letter] , [nummer] . Dit perceel, gelegen aan de [adres] , heeft op grond van het bestemmingsplan “Kom Leende-Leenderstrijp 2015” de bestemming “Centrum”. Handel in auto’s is niet opgenomen in de doeleindenomschrijving van artikel 9 van de planregels, zodat deze activiteit op dit perceel niet is toegestaan. Tot de laatste herziening van het bestemmingsplan in 2015 was het binnen de bestemming “Centrum” echter wel mogelijk om een bedrijf in handel in auto’s en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven op dit perceel te exploiteren. De verkoop van auto’s vond al plaats op dit perceel vóór 2015. Onderzoek hiernaar was niet nodig, aldus verweerder, omdat bekend is dat er al tientallen jaren een autohandel is gevestigd aan de [adres] . Hierdoor vallen deze activiteiten onder het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 33.2 van het bestemmingsplan “Kom Leende-Leenderstrijp 2015”. Dit betekent dat er ten aanzien van het stallen en verkopen van auto’s op het perceel [woonplaats] , sectie [letter] , [nummer] , eveneens geen strijd is met het bestemmingsplan.

Ten aanzien van de gestelde strijdigheid met de bestemming “Verkeer” stelt verweerder in het verweerschrift dat, gelet op artikel 19, onder b, van het bestemmingsplan, de grond is bestemd voor verkeer- en parkeervoorzieningen, zodat het parkeren van voertuigen hiermee niet in strijd is.

9. Er hebben met het oog op de vraag of sprake is van overtredingen nadere controles door een gemeentelijk toezichthouder APV plaatsgevonden in de bezwaarfase, te weten op
26 november 2019, 27 november 2019, 2 december 2019, 4 december 2019,
12 december 2019, 23 december 2019, 30 december 2019 en 9 januari 2020. In dat kader overweegt de rechtbank dat eisers weliswaar (ook) verschillende foto’s hebben overgelegd van de situatie ter plaatse, maar reeds omdat hieruit niet blijkt wanneer deze zijn genomen, heeft verweerder de door eisers overgelegde foto’s op goede gronden niet aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd.

10. De rechtbank zal eerst beoordelen welke activiteiten - per bestemming - ingevolge het bestemmingsplan zijn toegestaan, voor zover hier van belang, alvorens te bezien of verweerder terecht heeft gesteld dat er geen overtredingen van het bestemmingsplan hebben plaatsgevonden.

11. Gezien de bestemming en de aanduidingen die aan het perceel [nummer] aan de [adres] zijn toegekend op grond van genoemd bestemmingsplan zijn activiteiten als het tijdelijk plaatsen (bergen) van getakelde auto’s en het aanwezig hebben van auto’s voor vervangend vervoer inherent aan een takel- en bergingsbedrijf en daarom in overeenstemming met het bestemmingsplan. Bovendien laat de bestemming ook parkeervoorzieningen toe. Dit geldt ook voor de aanwezigheid van takelwagens op het perceel. Nu het perceel ook de functieaanduiding “autobedrijf” heeft, is het voorhanden hebben en stallen van auto’s voor verkoop en reparatie eveneens in overeenstemming met de bestemming. Gelet hierop heeft verweerder ten aanzien van de activiteiten op dit perceel terecht gesteld dat er geen sprake was van een overtreding, zodat hij niet bevoegd was tot handhavend optreden. Daarbij merkt de rechtbank bovendien nog op dat de rechtbank geen relatie ziet tussen de gestelde verkeersonveilige situatie, waar het handhavingsverzoek op is gericht, en de activiteiten op dit perceel. Dit betoog slaagt niet.

12. Ten aanzien van het perceel [nummer] aan de [adres] , waaraan de bestemming “Centrum” is toegekend, stelt de rechtbank vast dat op grond van deze bestemming op dit perceel geen bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan die verband houden met een takel- en bergingsbedrijf en een autobedrijf.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of en in hoeverre verweerder het verzoek om handhaving ten aanzien van dit perceel heeft kunnen afwijzen met een beroep op het overgangsrecht. Nu verweerder zich daarop beroept, heeft hij ook de bewijslast.
Het gaat daarbij om de vraag of het gebruik op de peildatum reeds plaatsvond (artikel 33.2, onder a, van het bestemmingsplan) en, zo ja, of dit gebruik op grond van artikel 33.2, onder d, niet in strijd is met het voorgaande bestemmingsplan “Kom Leende-Leenderstrijp” uit 2012. Verder is hierbij van belang of het gebruik sinds de peildatum is geïntensiveerd.

13. Uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat de onderneming ( [bedrijf] ) is gestart op 30 oktober 1984. Als activiteiten worden vermeld: “Overige gespecialiseerde reparatie en slepen van auto’s” en “Handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s (geen import van nieuwe)”.

In een brief van eisers aan verweerder van 20 maart 2013 is gesteld dat voorheen op nr. 5 door derde-partij alleen een takelbedrijf werd uitgeoefend en dat het bedrijf zich nu ook heeft gespecialiseerd in de verkoop van occasions en reparatie van auto’s, waarbij de voortuin van het bijbehorende woonhuis inmiddels in gebruik is genomen voor stalling en verkoop van occasions.
Gelet hierop heeft verweerder ervan kunnen uitgaan dat op de peildatum, te weten
16 maart 2016, sprake was van gebruik van het perceel aan de [adres] voor de verkoop en stalling van auto’s en voor een takelbedrijf.

14. Ten aanzien van de vraag of het voorgaande bestemmingsplan dit gebruik toestond, overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank stelt voorop dat zij geen aanleiding ziet, gegeven de bij brief van
21 september 2020 verstrekte toelichting door verweerder, om te betwijfelen of de door verweerder na de zitting toegezonden stukken betreffende het voorgaande bestemmingsplan “Kom Leende-Leenderstrijp” niet het daadwerkelijk in 2012 vastgestelde bestemmingsplan is.

Gezien de voorheen geldende bestemming “Centrum” (artikel 9.1) stelt de rechtbank vast dat deze gronden onder meer waren bestemd voor bedrijven die zijn genoemd in de bedrijvenlijst onder de categorieën 1 en 2, zoals opgenomen in bijlage 1 “Bedrijvenlijst”. In bijlage 1 is de “Handel in auto’s en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven” genoemd en daarbij aangemerkt als categorie 2.

Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank alleen het stallen van auto’s ten behoeve van verkoop en vervangend vervoer toegestaan voor zover dit samenhangt met een autobedrijf. Dit betekent dat het stallen van leenauto’s en getakelde auto’s en het parkeren/stallen van takelwagens van het bedrijf, welke activiteiten verband houden met de activiteiten van het takelbedrijf, niet waren en zijn toegestaan, zodat niet kan worden gesteld dat deze activiteiten op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan onder het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan vallen. Aan de beantwoording van de vraag of sprake is van een intensivering van het gebruik komt de rechtbank daarom niet meer toe.

15. Aangenomen moet worden dat op het tot “Centrum” bestemde perceel, naast auto’s ten behoeve van verkoop, sprake is van het stallen van vervangend vervoer en takelwagens, gelet op hetgeen door de derde-partij en diens gemachtigde bij brief van 3 september 2020 (“Het parkeren van Bergingsvoertuigen op het perceel [woonplaats] sectie [letter] [nummer] geschiedt als de bewoners van de [adres] (…) in de diensten meedraaien. Ik zie dit als het parkeren van een vrachtwagen aan huis op de eigen inrit”) en ter zitting is aangegeven. Verweerder heeft blijkens het verhandelde ter zitting bij de beoordeling van de vraag of sprake is van strijd met het bestemmingsplan gebruik gemaakt van het bestemmingsplan, de foto’s gevoegd bij het verzoek en de foto’s die door de toezichthouder APV zijn gemaakt. Gelet op wat derde-partij heeft verklaard over de activiteiten op dit perceel, moet de rechtbank vaststellen dat dit onderzoek niet zorgvuldig genoeg is uitgevoerd, nu aannemelijk is geworden dat er sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan. Verweerder was daarom in zoverre bevoegd tot handhavend optreden. Dit betoog slaagt.

16. Vervolgens dient nog te worden bezien of het gebruik van de voorzijde van het perceel [adres] voor de verkoop (en stalling) van auto’s na de peildatum is gewijzigd, zoals door eisers is betoogd. Het bepaalde in artikel 33.2, onder c, van de planregels staat intensivering niet toe. Mede gelet op hetgeen in de brief van eisers van
24 september 2020 en ter zitting is aangegeven, te weten dat de stalling van te koop staande auto’s aan de voorzijde is afgenomen, dient het er naar het oordeel van de rechtbank voor te worden gehouden dat geen sprake is van intensivering op dit onderdeel, maar van een afname. Dit laatste is niet in strijd met het overgangsrecht, zodat verweerder terecht heeft gesteld dat dit gebruik onder het overgangsrecht valt en verweerder ten aanzien van deze activiteit niet bevoegd was tot handhavend optreden. Dit betoog slaagt niet.

17. Wat betreft de gestelde strijd met de bestemming “Verkeer” is de rechtbank van oordeel dat het (tijdelijk) parkeren van takelwagens op de gronden met de bestemming “Verkeer” niet in strijd is met deze bestemming, nu deze gronden bestemd zijn voor verkeer- en parkeervoorzieningen.

Voor zover het verzoek ziet op het stallen van te koop staande voertuigen en/of leenauto’s aan de voorzijde van het perceel is de rechtbank van oordeel dat dit is aan te merken als opslag en deze activiteit aldus wel in strijd is met de verkeersbestemming. Op de door verweerder overgelegde foto’s van de toezichthouder APV valt naar het oordeel van de rechtbank op te maken dat er tijdens sommige controles auto’s waren gestald die met de voorkant over de tot “Verkeer” bestemde gronden hingen. Dat het slechts de voorkant van deze auto’s maakt niet dat geen sprake is van een overtreding. Verweerder was in zoverre bevoegd tot handhavend optreden. Dit betoog slaagt.

Algemene plaatselijke verordening

18. Eisers hebben voorts aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van handelen in strijd met de Algemene plaatselijke verordening 2018 (de APV). De rapportages die de toezichthouder APV naar aanleiding van controles in de periode van eind november 2019 tot begin januari 2020 heeft opgesteld zijn volgens hen uiterst summier en enkel op basis van deze rapportages kan niet worden vastgesteld dat er geen sprake is van overtredingen op grond van de artikelen 5:8 en 5:9 van de APV. Indien verweerder op meer structurele basis controles had uitgevoerd, had hij een zorgvuldig uitgevoerd onderzoek, gebaseerd op een representatieve bedrijfssituatie, ten grondslag kunnen leggen aan de conclusie dat de APV niet wordt overtreden. Door dit na te laten, is het bestreden besluit volgens eisers genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.

19. In het bestreden besluit is gesteld dat naar aanleiding van het verzoek om handhaving vanuit de gemeente regelmatig controles hebben plaatsgevonden. De toezichthouder APV heeft in de periode van eind november en begin januari op verschillende data en tijdstippen een controle uitgevoerd ter hoogte van de [adres] en [nummer] . In totaal zijn acht rapportages opgesteld. Tijdens deze controles zijn geen overtredingen van de APV vastgesteld, zodat handhavend optreden op dit punt niet aan de orde is.

In het verweerschrift heeft verweerder verder gesteld dat geen sprake is van een overtreding van de artikelen 5:8 en 5:9 van de APV. Artikel 5:8 bevat weliswaar een verbod op het parkeren van grote voertuigen (langer dan 6 meter), maar dit verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met zaterdag van 8.00 tot 18.00 uur. Verder geldt het verbod van
artikel 5:9 van de APV niet gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden. Tijdens de uitgevoerde controles zijn geen overtredingen geconstateerd.

20. Niet is betwist dat er acht keer op verschillende tijdstippen van de dag is gecontroleerd over een periode van ongeveer 1,5 maand. Verweerder heeft gesteld dat derde-partij hiervan niet van tevoren op de hoogte werd gesteld. Niet aannemelijk is geworden dat dit onjuist is. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat niet kan worden gesteld dat er sprake is geweest van een onzorgvuldig verricht onderzoek. Dat er ’s avonds, ’s nachts en in het weekend niet is gecontroleerd, maakt niet dat deze controles onvoldoende representatief zijn. In de nacht wordt alleen uitgerukt voor pech en ongevallen. Niet is gebleken dat dit andersoortige activiteiten zijn dan die welke overdag worden uitgevoerd. Dat het vertrek en de terugkomst van motorvoertuigen in de nacht geluidoverlast met zich kan brengen is goed voorstelbaar, maar maakt niet dat dan ook per definitie sprake is van een overtreding van de APV.
Ten aanzien van de gestelde strijd met artikel 5:8 van de APV stelt de rechtbank vast dat niet is gebleken van een daartoe door verweerder aangewezen weg.

Wat de gestelde strijd met artikel 5:9 van de APV betreft is de rechtbank van oordeel dat niet uitgesloten is dat het parkeren van een takelwagen op de weg voor [nummer] of [nummer] voor eisers hinder of overlast met zich kan brengen. Gelet echter op de overgelegde foto’s van de toezichthouder is de rechtbank niet aannemelijk geworden dat dit artikel werd overtreden. Op een aantal van deze foto’s is zichtbaar dat voertuigen met een lengte van 6 meter op het terrein van derde-partij en dus niet op de weg geparkeerd stonden. Voor zover deze wel op de weg stonden, is niet gebleken dat de aanwezigheid van de voertuigen langer duurde dan de tijd die nodig is voor en gebruik wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden als bedoeld in artikel 5:9, tweede lid, van de APV. Mitsdien faalt dit betoog.

21. Wel kan, gelet op de foto’s die bij de controlerapporten van de toezichthouder APV zijn gevoegd, worden vastgesteld dat er tijdens enkele controles drie of meer voertuigen naast elkaar geparkeerd waren voor de woning. Daarmee werd artikel 5:2, derde lid, van de APV overtreden, omdat de neuzen van deze voertuigen over de rabatstrook hingen en de rabatstrook deel uitmaakt van de weg, gelet op de definitie in artikel 1 van de Wegenverkeerswet. De stelling van verweerder dat hij niet bevoegd was om handhavend op te treden op grond van de APV is in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd. Dit betoog slaagt.

Milieuaspecten

22. Eisers stellen tot slot dat het handhavingsverzoek (impliciet) mede zag op de milieuaspecten. Verweerder heeft hierover ten onrechte geen beslissing genomen. Dat verweerder het handhavingsverzoek inderdaad heeft geïnterpreteerd als een handhavingsverzoek gebaseerd op de Wet milieubeheer, blijkt volgens hen uit het verslag van de hoorzitting van de Adviescommissie en het verslag dat eisers hadden met de burgemeester op 7 augustus 2019 naar aanleiding van het op dat moment reeds afgewezen handhavingsverzoek.

23. Verweerder stelt dat met deze grond een uitbreiding van het handhavingsverzoek wordt bewerkstelligd die niet geschaard kan worden onder het eerdere handhavingsverzoek.

24. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder bijvoorbeeld de uitspraak van 15 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1569), kan de reikwijdte van een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer worden uitgebreid. De inhoud van het verzoek is bepalend voor de omvang van het geding.

De rechtbank stelt vast dat eisers in het verzoek tot handhaving geen expliciete wettelijke grondslag hebben genoemd. In het verzoek wordt de nadruk gelegd op de aspecten verkeersonveiligheid en parkeren. Gelet op de bewoordingen van het verzoek bestond voor verweerder geen aanleiding om het verzoek (mede) op te vatten als een verzoek tot handhaving van milieuovertredingen, ook al is in het handhavingsverzoek verzocht om handhavend op te treden tegen alle overtredingen die zich structureel voordoen aan de [adres] en [nummer] . Een dergelijk verzoek is te onbepaald. Het na het primaire besluit plaatsgevonden gesprek van eisers met de burgemeester en hetgeen in de bezwaarprocedure door verweerder naar voren is gebracht kan niet leiden tot een uitbreiding van de reikwijdte van het handhavingsverzoek. In het primaire besluit is daarover ook geen beslissing genomen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Dit betoog faalt.


Conclusie

25. Het beroep is deels gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het verzoek tot handhavend optreden met betrekking tot:
a. het stallen van vervangend vervoer en takelwagens op het tot “Centrum” bestemde perceel [nummer] ;
b. het stallen van te koop staande voertuigen en/of leenauto’s op tot “Verkeer” bestemde gronden ter hoogte van de [adres] , en
c. het parkeren van drie of meer voertuigen op de weg als bedoeld in artikel 5:2, derde lid, van de APV
is afgewezen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden.

26. Omdat de rechtbank het beroep deels gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

27. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,00 en een wegingsfactor 1).
Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep deels gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het verzoek tot handhavend optreden met betrekking tot
    a. het stallen van vervangend vervoer en takelwagens op het tot “Centrum” bestemde perceel [nummer] ;
    b. het stallen van te koop staande voertuigen en/of leenauto’s op tot “Verkeer” bestemde gronden ter hoogte van de [adres] , en
    c. het parkeren van drie of meer voertuigen op de weg als bedoeld in artikel 5:2, derde lid, van de APV
    is afgewezen;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,00 aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van
    € 1.050,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F.M. Emons, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 19 november 2020.

griffier de rechter is verhinderd te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 3:46

Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Algemene Plaatselijke Verordening Heeze-Leende 2018.

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.

1. (..).

2. (..).

3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

Artikel 1:1 Begripsbepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
(…)
weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

Artikel 5:5 Voertuigwrakken

1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen

1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

4. Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereen-volgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

5. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.

6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen

1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.


Wegenverkeerswet 1994
Artikel 1
(…)
wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.

Bestemmingsplan “Kom Leende-Leenderstrijp 2015”

Artikel 6 Bedrijf

6.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijven die zijn genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten onder de categorieën 1 en 2, zoals opgenomen in bijlage 1 behorende bij deze regels, met uitzondering van de gronden gelegen aan Biesven, Veestraat 10 en Langstraat 3 waar het bepaalde in lid b van toepassing is;

b. (..);

c. ter plaatse van de aanduiding:

1. + 2. (..);

3. ' parkeerterrein': een parkeerterrein;

4. ' specifieke vorm van bedrijf - buitenopslag': buitenopslag met een maximale hoogte van 4 m;

5. (..);

6. ' specifiek vorm van bedrijf - autobedrijf': autobedrijf;

7. t/m 13. (..);

14. ' specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf': transportbedrijf;

15. ' specifieke vorm van bedrijf - takel- en bergingsbedrijf': takel- en bergingsbedrijf;

16. ' verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg': verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg;

d. opslag;

met de daarbij behorende

e. ondergeschikte detailhandel;

f. erven en terreinen;

g. verkeer- en parkeervoorzieningen;

h. groenvoorzieningen;

i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

6.3

Specifieke gebruiksregels

6.3.1

Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend:

a. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;

b. het splitsen van een bedrijfswoning in meerdere woningen;

c. het gebruik van een bouwperceel voor meer dan één bedrijf, met uitzondering van het bedrijventerrein aan de Langstraat, het bedrijventerrein aan Biesven en Veestraat 10;

d. het gebruik van de buitenruimte voor opslag, met uitzondering van uitstalling van te verkopen goederen en met uitzondering van het bepaalde in 6.1 onder c sub 4 en 5;

e. het gebruik van de gebouwen voor kamerverhuur.

6.4

Afwijken van de gebruiksregels

6.4.1

Staat van Bedrijfsactiviteiten/Bedrijvenlijst

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 6.1 onder a en b om activiteiten toe te laten die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten dan wel Bedrijvenlijst voorkomen, of om activiteiten toe te laten die in de Staat van Bedrijfs-activiteiten dan wel Bedrijvenlijst zijn vermeld in een categorie die in principe niet is toegestaan op het desbetreffende bouwperceel, mits:

a. onderzoek aantoont dat de bedoelde activiteiten qua milieubelasting kunnen worden gelijkgesteld met de krachtens de regels van dit plan ter plaatse toelaatbare categorie bedrijfsactiviteiten.

Artikel 9 Centrum

9.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. woningen, al dan niet met een aan huis-verbonden-beroep;

b. detailhandel, niet zijnde detailhandel in volumineuze goederen;

c. dienstverlening;

d. ondersteunende horeca;

e. maatschappelijke voorzieningen, met uitzondering van kinderdagverblijven;

f. kantoor;

g. horecabedrijven uit de categorieën Horeca 1, 2 en 3;

h. evenementen;

i. kiosk;

j. ter plaatse van de aanduiding:

1. begraafplaats': een begraafplaats;

2. ' supermarkt': twee supermarkten;

met de daarbij behorende:

k. erven en terreinen;

l. verkeer- en parkeervoorzieningen;

m. groenvoorzieningen;

n. terrassen;

o. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

9.4

Specifieke gebruiksregels

9.4.1

Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend:

a. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;

b. het splitsen van een woning in meerdere woningen;

c. het gebruik van de buitenruimte voor opslag;

d. het gebruik van de gebouwen voor kamerverhuur;

e. het gebruik van de gronden en gebouwen voor een supermarkt met uitzondering van de gronden en gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt';

f. het gebruik van de verdiepingen voor niet-woonfuncties.

Artikel 19 Verkeer

19.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wegen, straten en paden;

b. verkeer- en parkeervoorzieningen;

c. speelvoorzieningen;

d. evenementen;

e. kunstobjecten;

f. kiosk;

g. terrassen behorende bij aangrenzende horecavoorzieningen;

met de daarbij behorende:

h. erven en terreinen;

i. groenvoorzieningen;

j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Artikel 33 Overgangsrecht

33.2

Overgangsrecht gebruik

a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;

b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a. te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;

c. indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;

d. het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.