Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:575

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
05-02-2020
Datum publicatie
05-02-2020
Zaaknummer
01/865067-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan grootschalige productie van synthetische drugs, aan het voorhanden hebben van MDMA, en aan voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. De rechtbank veroordeelt verdachte hiervoor tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest.

De rechtbank gelast tevens de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Nu vanaf de inwerkingtreding van de Wet USB geen hoger beroep meer open staat tegen een beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf wegens overtreding van de algemene voorwaarde "geen nieuw strafbaar feit plegen" adviseert de rechtbank de Minister om deze beslissing niet ten uitvoer te leggen voordat het vonnis in de hoofdzaak onherroepelijk is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/865067-19
Parketnummer vordering: 20/001397-17

Datum uitspraak: 5 februari 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [geboorteland] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres verdachte]

thans gedetineerd te: PI Zuid West - De Dordtse Poorten.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 augustus 2019, 8 november 2019 en 22 januari 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 juli 2019.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 8 november 2019 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2019 tot en met 14 mei 2019 te Liempde, gemeente Boxtel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, (een) (grote) hoeveelhe(i)den van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 14 mei 2019 te Liempde, gemeente Boxtel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 159,3 kilogram MDMA.HCI en/of ongeveer 1260 liter MDMA-base, in elk geval (een) grote hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2019 tot en met 14 mei 2019 te Liempde, gemeente Boxtel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mederdader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)

hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)

- een schuur/bedrijfsruimte, gelegen aan de [straatnaam] te Liempde, gemeente Boxtel, gehuurd en/of laten huren en/of verhuurd en/of ter beschikking gesteld en/of ter beschikking laten stellen en/of

- aanpassingen/verbouwingen aan de schuur/bedrijfsruimte, gelegen aan de [straatnaam] te Liempde, gemeente Boxtel, ten behoeve van de productie van MDMA gemaakt en/of laten maken en/of toegestaan en/of

- een of meerdere (onderdelen van) productieopstelling(en) ten behoeve van de productie van MDMA voorhanden gehad, waaronder: drie kookketels en/of gasbranders, koelkolommen en/of opvangketels en/of drukreactieketels en/of

- (een) hoeveelhe(i)d(en) (laboratorium)benodigdheden voorhanden gehad waaronder: gascilinders, een elektromotor met roerstang en/of een frequentieregulaar, een druk- en temperatuurmeter en/of een vacuümpomp en/of een expansievat, en/of

- (een) grote hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder: platinaoxide en/of PMK en/of methanol en/of methylamine en/of zoutzuur en/of aceton.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 20/001397-17 is aangebracht bij vordering van 19 november 2019. Deze vordering heeft betrekking op het arrest van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 13 juni 2018.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsbeslissing

Bewijsmiddelenbijlage.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsmiddelenbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Inleiding.

Bij het Team Criminele Inlichtingen van de politie is melding gemaakt van een mogelijke productielocatie van synthetische drugs dan wel een opslaglocatie van grondstoffen ten behoeve van die productie op het adres [straatnaam] in Liempde. Bij een daaropvolgende interventie door de opsporingsdiensten van de politie werd op 14 mei 2019

in een op voornoemd perceel gelegen loods een in werking zijnd laboratorium aangetroffen voor de productie van synthetische drugs én grote hoeveelheden grondstoffen ten behoeve van die productie. Verdachte en [medeverdachte 1] bevonden zich tijdens de ingezette actie in een vakantiehuisje op het perceel en werden als verdachten aangehouden.

Op de verdachte rust thans de verdenking dat hij al dan niet met anderen zich schuldig heeft gemaakt aan de productie van synthetische drugs (feit 1), het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid MDMA.HCI en MDMA-base (feit 2) én voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie van synthetische drugs (feit 3).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op grond van de in het procesdossier vervatte bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder feit 1, feit 2 en feit 3.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft betoogd dat verdachte integraal behoort te worden vrijgesproken van hetgeen hem is tenlastegelegd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beantwoording van de vraag of verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende feiten en omstandigheden die haar uit de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn gebleken.

Op 14 mei 2019 werden in de loods op het perceel aan de [straatnaam] in Liempde een grootschalig in werking zijnd laboratorium voor de productie van synthetische drugs én grote hoeveelheden grondstoffen ten behoeve van die productie aangetroffen. Deze productielocatie was opgedeeld in vijf verschillende ruimten die ieder voor zich een doel dienden binnen het productieproces. Zo bestond de locatie uit (1) een opslagruimte van diverse grote hoeveelheden chemicaliën (Platinaoxide, MDMA-base en PMK), (2) een destillatieruimte met de benodigde hardware en grote hoeveelheden chemicaliën (MDMA-base), (3) een productieruimte voor de vervaardiging van MDMA met de benodigde hardware en grote hoeveelheden chemicaliën (MDMA-base), (4) een kristallisatieruimte met de benodigde hardware en diverse chemicaliën (Zoutzuur, Aceton, Methanol en PMK) en (5) een droog-/bewerkruimte van de vervaardigde MDMA-kristallen met diverse vervuilde lekbakken en speciekuipen.

Op aanwijzing van perceeleigenaar en later [medeverdachte 2] zijn verdachte en [medeverdachte 1] tijdens de ingezette politieactie aangehouden in een vakantiehuisje dat ook op het perceel lag. De perceeleigenaar heeft verklaard dat de huurders van de loods ook de huurders van het vakantiehuisje zijn. Bij het aantreffen van het laboratorium is de inhoud van de ketels nog warm. Verdachte en zijn medeverdachte hebben weinig verteld over hun betrokkenheid bij de aangetroffen productielocatie in de loods; wel hebben zij verklaard dat zij door een persoon, van wie zij geen naam hebben willen noemen, gevraagd zijn om afval uit die loods weg te voeren en in dat kader slechts op twee dagen in de loods te zijn geweest.

Bij het waarheidsgehalte van deze door verdachte afgelegde verklaring zet de rechtbank stevige vraagtekens en wel om de volgende redenen.

Buiten het feit dat de verklaring van verdachte onvoldoende concreet en verifieerbaar is, blijkt uit het procesdossier van meerdere feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat verdachte en zijn medeverdachte meer betrokkenheid bij het laboratorium hebben gehad dan zij de rechtbank willen laten geloven.

Zo is door de perceeleigenaar verklaard dat hij de loods en het vakantiehuisje 3 à 4 maanden geleden heeft verhuurd aan twee getinte, mogelijk Turkse, mannen. Deze mannen liepen volgens de vriendin van de perceeleigenaar steeds van het vakantiehuisje naar de loods en vice versa. Deze vriendin heeft ook verklaard dat er behalve de huurders geen andere mensen in het vakantiehuisje verbleven, dat ze een van de huurders wel eens sprak en dat het ging om een getinte man die goed Nederlands sprak. Aan de vriendin wordt ook de vraag gesteld: “we hebben gisteren de sleutel gekregen van die woning (de rechtbank begrijpt: de vakantiewoning), daar worden twee mensen aangetroffen, hoe lang maken die al gebruik van de woning?” De vriendin antwoordt: “een maand of vier, vijf denk ik”.

Daar komt bij dat in het vakantiehuisje waar de verdachte en [medeverdachte 1] verbleven meerdere schoenen, kledingstukken en afvalzakken zijn gevonden die alle roken naar de geur die vrijkomt bij de productie van synthetische drugs. In een plastic tasje van de Action, die als afvalzak diende, zijn onder meer verschillende verpakkingen van een overall, gebruikte/bevuilde handschoenen en twee filtermaskers gevonden. Op een van de filtermaskers zijn van de sporen op de binnenrand die op het gezicht zit en het mondgedeelte van de binnenzijde een DNA-profiel verkregen dat matcht met het DNA-profiel van verdachte met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Met andere woorden: de kans dat het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van een willekeurig gekozen ander persoon is kleiner dan één op één miljard. Aan de buitenzijde van dit filtermasker werden op de randen rondom de filters en op het neusgedeelte sporen van MDMA en PMK gevonden. Dit zijn stoffen die soortgelijk zijn aan de stoffen die in de productielocatie zijn aangetroffen.

Ook diverse kledingstukken, waaronder twee joggingbroeken van het merk Nike en Puma, zijn onderworpen aan een onderzoek. Gebleken is dat van de sporen aan de binnenzijde van de Puma joggingbroek, ter hoogte van de tailleband, een DNA-profiel is verkregen dat matcht met het DNA-profiel van verdachte met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Aan de binnenzijde van de Nike joggingbroek, ter hoogte van de tailleband, zijn van de sporen een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal twee personen. Uit het afgeleide DNA-hoofdprofiel is een match verkregen met het DNA-profiel van [medeverdachte 1] met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Op de buitenzijde van beide joggingbroeken zijn sporen, in de vorm van spetters, aangetroffen waarvan is komen vast te staan dat deze MDMA en PMK bevatten. Wederom stoffen die soortgelijk zijn aan de aangetroffen stoffen in de loods.

Opvallend is verder dat in het vakantiehuisje een koffertje is gevonden met daarin kogelstopkranen met blauwe hendel en dat deze identiek waren aan de kranen die onder meer op de drukreactieketels in het drugslab zijn aangetroffen.

Verder zijn bij de doorzoeking in de loods in een werkruimte diverse jerrycans met chemicaliën (MDMA-base, PMK, platinaoxide) en meerdere vuilniszakken met afval (stukken tuinslang/handschoenen) gevonden. In een van die vuilniszakken zijn twee flessen Spa gevonden. Een fles was leeg en de andere was deels gevuld. Van het speeksel op de opening van het lege flesje is een DNA-profiel verkregen dat matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 1] met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Van het speeksel op de opening van het deels gevulde flesje werd een DNA-profiel verkregen dat matcht met het DNA-profiel van verdachte met een matchkans van kleiner dan één op één miljard.

Tot slot is noemenswaardig dat uit de bevindingen van LFO blijkt dat de in het laboratorium aangetroffen vloeistoffen nog warm waren en verdachte en [medeverdachte 1] in de vakantiewoning worden aangetroffen, hetgeen een sterke aanwijzing vormt voor de conclusie dat zij bij het productieproces betrokken waren aangezien geen andere personen aanwezig waren alsmede dat in de kofferbak van de op het perceel geparkeerde Renault Clio, waarvan [medeverdachte 1] de tenaamgestelde bleek te zijn, afval werd aangetroffen in de vorm van onder meer gebruikte/vervuilde handschoenen en een overall die rook naar de geur die vrijkomt bij de productie van synthetische drugs.

Al deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien – en met name de op de joggingbroeken aangetroffen spetters MDMA en PMK die veroorzaakt moeten zijn bij het productieproces – maken dat de rechtbank tot het oordeel komt dat zij de verklaring van de verdachten niet aannemelijk acht. Naar het oordeel van de rechtbank hebben verdachte en zijn [medeverdachte 1] zich gedurende enkele maanden tezamen in de loods bezig hebben gehouden met het vervaardigen van MDMA, hebben zij die MDMA voorhanden gehad en voorbereidingshandelingen verricht als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.

Dat de perceeleigenaar en zijn vriendin later deels op hun eerder afgelegde verklaringen zijn teruggekomen, doet aan het vorenstaande oordeel van de rechtbank niet af. De rechtbank acht de eerste verklaringen die door hen zijn afgelegd oprecht en authentiek – en daardoor betrouwbaar en geloofwaardig – met name omdat deze verklaringen direct na de inval van de opsporingsdiensten door hen zijn afgelegd en worden ondersteund door de overige bevindingen in het dossier.

De door de verdediging gevoerde verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen. De rechtbank komt derhalve tot een bewezenverklaring van de feiten als na te melden.

De bewezenverklaring.

Op grond van de bewijsmiddelen, zoals weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bewijsmiddelenbijlage – bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen – komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

in de periode van 1 januari 2019 tot en met 14 mei 2019 te Liempde, gemeente Boxtel, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk heeft vervaardigd, grote hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

op 14 mei 2019 te Liempde, gemeente Boxtel, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 159,3 kilogram MDMA.HCI en ongeveer 1260 liter MDMA-base, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2019 tot en met 14 mei 2019 te Liempde, gemeente Boxtel, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van MDMA, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden voorwerpen en stoffen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader wist(en), dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit

hebbende hij, verdachte, en zijn mededader

- productieopstellingen ten behoeve van de productie van MDMA voorhanden gehad, waaronder: drie kookketels en gasbranders, koelkolommen en opvangketels en drukreactieketels en

- laboratoriumbenodigdheden voorhanden gehad waaronder: gascilinders, een elektromotor met roerstang en een frequentieregulaar, een druk- en temperatuurmeter en een vacuümpomp en een expansievat en

- grote hoeveelheden chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder: platinaoxide en PMK en methanol en methylamine en zoutzuur en aceton.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De vordering van de officier van justitie strekt tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

De officier van justitie maakt voorts kenbaar voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsvrouw van verdachte is betoogd dat de vordering van de officier van justitie niet in verhouding staat met de feitelijke handelingen van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

Verdachte heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan grootschalige productie van synthetische drugs, het voorhanden hebben van MDMA en aan voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. De chemische processen bij de productie van synthetische drugs, de ongecontroleerde opslag van chemicaliën ten behoeve van deze productie en de dumping van drugsafval brengen grote risico’s voor mens en milieu met zich. Het is ook algemeen bekend dat het gebruik van synthetische drugs grote gezondheidsrisico’s met zich brengt voor de gebruikers van deze drugs aangezien de MDMA vaak wordt vermengd met andere schadelijke stoffen en dat met name polydrugsgebruikers misdrijven plegen om aan geld te komen om in hun verslaving te kunnen voorzien. Verdachte heeft zich ingelaten met deze illegale activiteiten kennelijk om extra inkomsten te verwerven, zonder rekening te houden met de negatieve effecten voor anderen.

Op basis van de aangetroffen hoeveelheden kristallisatieafval wordt geschat dat verdachte en zijn medeverdachte voor ruim 3.000.000 XTC-pillen de benodigde grondstof hebben vervaardigd. De aangetroffen voorraad aan chemicaliën waren voldoende voor de productie van ruim 12.500.000 XTC-pillen. Enkel door daadkrachtig optreden van de opsporingsdiensten is verdere verspreiding van deze drugs in de maatschappij voorkomen.

Met een groot en professioneel ingerichte productielocatie als de onderhavige is veel geld gemoeid en algemeen bekend is dat achter dergelijke drugslaboratoria “grote jongens” met (crimineel geworven) financiële middelen schuil gaan. Dat verdachte tot een van deze jongens behoort, acht de rechtbank niet aannemelijk. Wel acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte op deze productielocatie als “kok” heeft gefungeerd en daarmee een actieve en essentiële rol heeft vervuld bij de productie van synthetische drugs. Zonder verdachte had de productie van deze drugs niet zo professioneel en op een zo grote schaal kunnen plaatsvinden.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte – blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatieregister van 17 december 2019 – door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch op 13 juni 2018 ter zake van een aan de Opiumwet gerelateerd delict strafrechtelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 40 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken. Bij het plegen van de onderhavige strafbare feiten, liep verdachte in de proeftijd van die eerdere veroordeling. Desondanks heeft verdachte zich opnieuw ingelaten met drugsgerelateerde delicten. Het financieel gewin bij het plegen van de onderhavige feiten lijkt voor verdachte van doorslaggevende betekenis te zijn geweest.

Voor de bewezenverklaarde feiten zijn binnen de rechtspraak thans geen oriëntatiepunten ontwikkeld. De aard, ernst en de negatieve maatschappelijke gevolgen van het bewezenverklaarde maakt dat de rechtbank evenwel van oordeel is dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enig passende straf is.

De officier van justitie heeft bij de duur van de gevorderde gevangenisstraf onder meer rekening gehouden met de productiecapaciteit van het laboratorium. De rechtbank acht geen termen aanwezig om een dergelijk maatstaf te hanteren. Bij het bepalen van de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank daarom aansluiting gezocht bij de straffen die in min of meer vergelijkbare zaken door de rechtbanken en gerechtshoven in het land worden opgelegd.

De rechtbank komt alles afwegende tot het oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving passend en geboden is een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank zal hiermee een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling (20/001397-17).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de tenuitvoerlegging zal gelasten van de bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 13 juni 2018 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat de vordering van de officier van justitie behoort te worden afgewezen, nu met inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet USB) de toewijzing van de vordering strijdig is met het bepaalde in artikel 5 en artikel 6 van het EVRM.

Het oordeel van de rechtbank

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

De rechtbank stelt vast dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en dat verdachte daarvoor strafbaar is gebleken. Hij heeft daarmee een van de voorwaarden, verbonden aan het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 13 juni 2018 overtreden.

Op 1 januari 2020 is de Wet USB in werking getreden. Met deze wet wijzigt de regeling van hoger beroep in zaken waarin de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf wordt gelast. Op grond van het recht zoals dat gold voor 1 januari 2020 kon een verdachte in hoger beroep gaan tegen een veroordelend vonnis van de rechtbank, waarin tevens de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde, voorwaardelijke straf was bevolen. Het hoger beroep zag dan ook op die laatste beslissing.

Vanaf inwerkingtreding van de Wet USB staat ingevolge artikel 6:6:7 Sv geen hoger beroep meer open tegen een beslissing tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf wegens overtreding van de algemene voorwaarde ‘geen nieuw strafbaar feit plegen’. Naar de letter van de wet kan dan de situatie ontstaan dat in hoger beroep vrijspraak volgt van het strafbare feit, dat de grondslag vormt voor de beslissing tot tenuitvoerlegging, terwijl die laatste beslissing in stand blijft en een straf moet worden uitgevoerd of uitgezeten. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever deze mogelijkheid heeft voorzien en/of bedoeld. De rechtbank ziet in het voorgaande echter geen beletsel om toewijzend op de vordering tot tenuitvoerlegging te beslissen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit waarmee de voorwaarde voor tenuitvoerlegging van de in een andere strafzaak voorwaardelijk opgelegde straf is vervuld. Schending van artikel 6, tweede lid van het EVRM of schending van overige verdragsrechtelijke bepalingen doet zich naar het oordeel van de rechtbank thans niet voor, nu nog geen sprake is van een ingesteld hoger beroep. De enkele mogelijkheid dat het gerechtshof verdachte in hoger beroep zal vrijspreken is thans een theoretische. In een voorkomend geval is het aan het gerechtshof te beslissen of, in afwijking van de wettelijke regeling, niettemin een voorziening in hoger beroep moet en zal worden geboden. Bovendien staat verdachte bij het ontbreken van een dergelijke voorziening de gang naar de kort geding rechter open teneinde te bewerkstelligen dat de executie van de beslissing tot tenuitvoerlegging wordt gestaakt.

De rechtbank realiseert zich dat de beslissing tot tenuitvoerlegging hangende een hoger beroep tegen het veroordelend vonnis voor executie vatbaar is. Daarom zal de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 6:1:1, derde lid Sv, de Minister van Justitie en Veiligheid adviseren om de tenuitvoerlegging op te schorten tot op het hoger beroep in de hoofdzaak is beslist.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht én 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde onder feit 1, feit 2 en feit 3 bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf.

ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3:

 een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

ten aanzien van de voorwaardelijke na voorwaardelijke veroordeling: Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 13 juni 2018, gewezen onder parketnummer 20/001397-17, te weten:

 een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken.

Adviseert de Minister van Veiligheid en Justitie om deze beslissing niet ten uitvoer te leggen voordat het vonnis van heden, gewezen door de meervoudige kamer in de rechtbank Oost-Brabant van heden in de zaak met parketnummer 01/865067-19, onherroepelijk is geworden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging, voorzitter,

mr. A.W.A. Kap-Knippels en mr. L.J. Verborg, leden,

in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,

en is uitgesproken op 5 februari 2020.

mr. L.J. Verborg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.