Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:5691

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
01-225238-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor mensenhandel [vriendin dwingen tot prostitutie], verkrachting van een dertienjarig meisje en mishandeling. De rechtbank legt verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden op en de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Daarnaast legt de rechtbank verdachte een contactverbod op met de slachtoffers van de mensenhandel en de verkrachting. Deze maatregelen zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard. De vorderingen die de slachtoffers van de mensenhandel en de verkrachting als benadeelde partijen hebben ingediend worden [gedeeltelijk] toegewezen. Het immateriële gedeelte van de schadevergoeding bedraagt voor elk van hen € 7.500,--.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummers: 01/225238-19 en 01/281371-19 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 11 november 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortejaar] 1988,

wonende te [adres]

thans gedetineerd te: P.I. Zuid Oost, locatie Roermond.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 december 2019, 20 februari 2020, 14 mei 2020, 5 augustus 2020 en 28 oktober 2020.

Op de zitting van 19 december 2019 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van respectievelijk 20 november 2019 (01/225238-19) en 28 november 2019 (01/281371-19) .

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij:

ten aanzien van parketnummer 01/225238-19, feit 1:

op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2019 tot en met 18 september 2019 te Eindhoven, in elk geval in Nederland,

een ander, genaamd [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 1998),

(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (sub 1), en/of

- heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (sub 4), en/of

- heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer 1] met of voor een derde tegen betaling (sub 9),

en/of

- (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] (sub 6),

waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:

- het mishandelen (onder andere door het vastpakken bij het gezicht en/of de keel en/of slaan in het gezicht en/of inbeuken en/of het geven van een knietje tegen de ribben en/of trappen tegen het been en/of stompen in de buik van die [slachtoffer 1] ) en/of bedreigen en/of onder druk zetten van die [slachtoffer 1] en/of

- het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [slachtoffer 1] en/of

- het dreigen die [slachtoffer 1] naar Duitsland (Duisburg) te zullen brengen wanneer zij met het prostitutiewerk wilde stoppen en/of

- het dreigen dat de vader van die [slachtoffer 1] haar schulden moest afbetalen wanneer zij met het prostitutiewerk wilde stoppen en/of

- het in bezit houden van het rijbewijs en/of identiteitsdocument en/of huissleutel van die [slachtoffer 1] en/of

- het opsluiten en/of opgesloten houden, althans het (in ernstige mate) beperken van de bewegingsvrijheid van die [slachtoffer 1] en/of

- het brengen en/of houden van die [slachtoffer 1] in een positie waar zij niet over haar eigen financiële middelen kon beschikken,

en/of waarbij voornoemde (onder sub 4) "enige handeling" heeft bestaan uit:

- het aangaan en/of onderhouden van een liefdesrelatie en/of seksuele relatie met voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- het bepalen van een doel (te weten 100.000 euro te verdienen in één jaar), welke behaald diende te worden met de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 1] , waarbij verdachte die [slachtoffer 1] had voorgewend dat zij de klant(en) op zou(den) lichten en/of

- het maken van foto's voor (een) advertentie(s) op [website] en/of (een) andere website(s) waarin die [slachtoffer 1] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden en/of

- het aanmaken en/of onderhouden (waaronder begrepen het "omhoog plaatsen") van (een) advertentie(s) op [website] en/of (een) andere website(s) waarin die [slachtoffer 1] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden en/of

- het onderhouden van contacten met en/of het maken van afspraken met (potentiële) (prostitutie)klant(en) voor die [slachtoffer 1] en/of het maken van afspraken met die (potentiële) klant(en) over de aard van de prostitutiewerkzaamheden en/of de daarvoor te betalen bedragen en/of

- het bepalen of die [slachtoffer 1] prostitutiewerkzaamheden met of zonder condoom moest verrichten en/of

- het bepalen wanneer (24 uur per dag) die [slachtoffer 1] beschikbaar moest zijn voor de prostitutiewerkzaamheden en/of

- het bepalen dat die [slachtoffer 1] ook bij ongesteldheid moest werken en/of

- het controleren van (de werkzaamheden van) die [slachtoffer 1] , althans bijhouden van haar verdiensten uit haar prostitutiewerkzaamheden en/of

- het dwingen en/of bewegen van die [slachtoffer 1] om (een groot deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem, verdachte, af te dragen en/of

- het bij zich houden en/of bewaren van de opbrengsten (contant geld) uit de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 1] en/of

- het vervoeren van die [slachtoffer 1] naar seksafspraken en/of

- het dwingen en/of bewegen van die [slachtoffer 1] om een auto op haar naam te huren, met het doel die (huur)auto te gebruiken voor het rijden (escort) naar seksafspraken van die [slachtoffer 1] ;

ten aanzien van parketnummer 01/225238-19, feit 2, primair:

op een tijdstip in of omstreeks de periode van 1 augustus 2017 tot en met 31 augustus 2017 te Helmond, in elk geval in Nederland,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid,

[slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] 2003) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten het brengen en houden van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] ,

waarbij het geweld en/of andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld en/of andere feitelijkheid bestond uit:

- het op het bed duwen van die [slachtoffer 2] en/of

- het uitdoen van de broek van die [slachtoffer 2] en/of

- het spreiden van de benen van die [slachtoffer 2] ,

terwijl zij huilde en/of hem probeerde van zich af te duwen en/of stop zei;

ten aanzien van parketnummer 01/281371-19, feit 1, primair:

op of omstreeks 15 mei 2019 te Eindhoven

aan [slachtoffer 3]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel, te weten een jukbeenfractuur en/of oogkasfractuur en/of kaakfractuur, heeft toegebracht door die [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal, (met veel kracht) op/tegen het gezicht te slaan en/of (vervolgens) die (op de grond liggende) [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) te schoppen/trappen;

ten aanzien van parketnummer 01/281371-19, feit 1, subsidiair:

op of omstreeks 15 mei 2019 te Eindhoven

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer 3]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

meermalen, althans eenmaal, (met veel kracht) op/tegen het gezicht van die [slachtoffer 3] heeft geslagen en/of (vervolgens) die (op de grond liggende) [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) heeft geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van parketnummer 01/281371-19, feit 1, meer subsidiair:

hij op of omstreeks 15 mei 2019 te Eindhoven

[slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal, (met veel kracht) op/tegen het gezicht te slaan en/of op/tegen het lichaam te schoppen/trappen,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een jukbeenfractuur en/of oogkasfractuur en/of kaakfractuur ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft het woord gevoerd overeenkomstig het op schrift gestelde en overgelegde requisitoir en concludeert tot een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft het woord gevoerd overeenkomstig de op schrift gestelde en overgelegde pleitnota en concludeert tot vrijspraak van alle feiten. Met betrekking tot feit 1 voert de raadsman aan dat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn en dus van het bewijs dienen te worden uitgesloten. De tenlastegelegde handelingen, dwang en uitbuiting kunnen niet worden bewezen. Ten aanzien van het tweede tenlastegelegde feit stelt de raadsman dat de verklaringen, waarop de aangifte zou moeten steunen, niet met elkaar overeenkomen en daarom onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Met betrekking tot het onder parketnummer 01/281371-19 tenlastegelegde voert de verdediging aan dat verdachte aangever weliswaar één klap heeft gegeven, maar dat hij uit zelfverdediging heeft gehandeld, waardoor verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging (zo begrijpt de rechtbank) dan wel vrijgesproken. Tot slot is er geen sprake van (opzet op het toebrengen van) zwaar lichamelijk letsel.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de bewijsbijlage die bij dit vonnis is gevoegd. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank baseert haar oordeel op de in deze bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs.

Met betrekking tot feit 1.

Betrouwbaarheid en bruikbaarheid voor het bewijs van de verklaringen van [slachtoffer 1] .

Door de raadsman is de betrouwbaarheid van de door aangeefster afgelegde verklaringen betwist. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

[slachtoffer 1] heeft bij de politie tijdens een informatief gesprek, in haar aangifte en tijdens haar verhoor bij de rechter-commissaris belastende verklaringen afgelegd over verdachte. In al deze verklaringen heeft zij – kort samengevat – aangegeven dat zij een relatie kreeg met verdachte, dat ze na ongeveer een week op zijn initiatief prostitutiewerkzaamheden is gaan verrichten en dat die prostitutiewerkzaamheden ongeveer een maand hebben geduurd. Zij heeft aanvankelijk ingestemd met het verrichten van deze werkzaamheden, omdat verdachte haar had voorgehouden dat zij niet daadwerkelijk seksuele handelingen zou hoeven verrichten met de klanten. Hij hield haar voor dat ze de klanten zouden oplichten. Verdachte had haar daarin misleid; al bij haar eerste klant bleek dat zij alle (seksuele) handelingen moest verrichten die met de klant waren overeen gekomen. Al het geld dat zij met haar prostitutiewerkzaamheden verdiende, moest zij aan verdachte geven. Hij beheerde dat geld. Zij werd bedreigd en mishandeld door verdachte en zij voelde zich door hem gedwongen om in de prostitutie te (blijven) werken.

De rechtbank stelt vast dat de verschillende verklaringen van aangeefster op belangrijke onderdelen met elkaar overeenstemmen en dat deze in zoverre consistent zijn.

Haar verklaringen worden voorts op een groot aantal wezenlijke onderdelen ondersteund door verklaringen van anderen, alsmede door objectieve en verifieerbare gegevens.

In het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door de verbalisanten die op 18 september 2019 bij de woning van [slachtoffer 1] kwamen naar aanleiding van een melding dat zij daar tegen haar wil werd vastgehouden, is vermeld dat zij zagen dat [slachtoffer 1] angstig om zich heen keek, dat zij schichtig om zich heen bleef kijken en dat zij de indruk hadden dat zij bang was. Ook hebben de verbalisanten gerelateerd dat [slachtoffer 1] , op hun vraag of zij op dit moment tegen haar wil in de woning werd vastgehouden, reageerde door meteen haar wijsvinger voor haar mond te doen, ja te knikken en te wijzen naar de slaapkamer waar verdachte vervolgens werd aangetroffen. Ten slotte is in dit proces-verbaal vermeld dat [slachtoffer 1] in paniek raakte toen de verbalisanten verdachte aantroffen en dat zij nog meer in paniek raakte toen verdachte werd aangehouden en meegenomen. Toen de verbalisanten vervolgens alleen met haar in de woning achterbleven, hoorden zij haar zeggen: ‘Ik kan niet weg, ik moet doen wat hij zegt’. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen in dit proces-verbaal met betrekking tot het gedrag en de gemoedstoestand van aangeefster ten tijde van de aanhouding van verdachte in haar woning is gerelateerd, steun geeft aan de verklaringen die zij later ten overstaan van de politie en de rechter-commissaris heeft afgelegd.

De verklaringen van aangeefster vinden bovendien op wezenlijke onderdelen steun in ander bewijsmateriaal, waaronder de verklaring van verdachte en de vele WhatsApp-gesprekken die zich in het dossier bevinden.

Zo heeft verdachte bevestigd dat hij in augustus 2019 een relatie kreeg met aangeefster en dat zij kort daarop in de prostitutie is gaan werken. Ook erkent verdachte dat hij wel eens contact onderhield en afspraken maakte met klanten van aangeefster.

Dat hij afspraken plande met klanten, daarbij tevens de prijzen bepaalde, en aangeefster instrueerde en opdrachten gaf, wordt bevestigd in de WhatsAppgesprekken tussen verdachte (onder de naam: ‘ [alias] ’) en aangeefster in september 2019. Dat verdachte aangeefster ook bij zijn vrienden aanprijst en aanbiedt, blijkt uit het WhatsApp gesprek van 24 augustus 2019, waarin hij zegt “het meisje is klaar”, met een foto van aangeefster, en een vriend terugstuurt “verrek maar, je vraagt veel geld”. De verklaring van aangeefster, inhoudende dat de neefjes van verdachte werden ingeschakeld om haar naar escortafspraken te rijden, wordt bevestigd door WhatsAppgesprekken tussen verdachte en iemand die hij ‘neef’ noemt, alsmede door een WhatsAppgesprek tussen verdachte en aangeefster op 11 september 2019 waarin hij zegt zijn neefje weer naar haar toe te sturen.

Aangeefster heeft voorts verklaard dat zij na twee weken prostitueren door verdachte mishandeld werd. Bevestiging hiervan vindt de rechtbank in de verklaring van haar onderbuurman, getuige [getuige 1] , in de informatie van [getuige 2] en in de medische informatie van de spoedeisende hulp van het Catharinaziekenhuis in Eindhoven. Getuige [getuige 1] is op 27 september 2019 gehoord en hij heeft verklaard dat aangeefster sinds driekwart jaar boven hem woont en dat er zelden overlast was, tot twee maanden geleden. Meer specifiek verklaart hij dat hij op 17 september 2019 hoorde dat zijn bovenburen, de bewoners van [huisnummers] , thuiskwamen. Hij zat op de bank in zijn woonkamer en hoorde een klap, alsof er iemand in het gezicht geslagen werd. Direct erna hoorde hij aangeefster heel hard huilen. Hij hoorde dit eerst beneden bij de ingang van de flat en het herhaalde zich daarna, waarbij het geluid die keer uit de woning boven hem, te weten uit de woning van aangeefster, kwam. Hij verklaart verder dat dit zich die dag enkele malen herhaalde. [getuige 2] heeft aangegeven dat verdachte aangeefster sloeg als zij niet wilde werken en zij heeft foto’s aan verbalisanten gestuurd waarop blauwe plekken te zien zijn op het been van aangeefster.

Uit de medische informatie van het Catharinaziekenhuis waar aangeefster op 19 september 2019 is onderzocht, blijkt dat bij aangeefster sprake was van een contusie (een kneuzing) van de thorax (borstkas), het bovenbeen rechts en de kaak.

De verklaring van aangeefster, dat de verhouding tussen haar en verdachte al snel zo was dat verdachte bepaalde wat zij moest doen en laten, vindt steun in de verklaring van getuige [getuige 3] . Deze getuige is werkzaam in het [bedrijf] waar aangeefster en verdachte enkele dagen voorafgaand aan de aanhouding hebben verbleven. [getuige 3] geeft aan dat het haar was opgevallen dat verdachte dominant was en aangeefster niet liet uitpraten. Volgens haar had de jongedame niets te vertellen. Ze vond het naar hoe hij haar behandelde. Ook ondersteunend is het bericht van de moeder van aangeefster van 24 augustus 2019, waarin ze haar zorgen uit over aangeefster.

Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van aangeefster voldoende steun vinden in ander (objectief) bewijsmateriaal. De rechtbank zal de verklaringen van aangeefster dan ook bezigen voor het bewijs.

Mensenhandel

De vraag die aan de rechtbank ter beantwoording voorligt, is of verdachte zich ten aanzien van aangeefster schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – mensenhandel in de zin van (een of meer van de subonderdelen van) artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 273f, lid 1, sub 1 Sr

Bij de beoordeling van de vraag of in deze zaak mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, lid 1, sub 1 Sr, bewezen kan worden, dient allereerst – gelet op hetgeen ten laste is gelegd – vastgesteld te worden of er sprake was van een handeling (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen) en van middelen (in dit geval bestaande uit dwang, geweld, bedreiging met geweld of met andere feitelijkheden, andere feitelijkheden, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik van een kwetsbare positie). Indien zowel een of meer handelingen als een of meer middelen kunnen worden vastgesteld, dient vervolgens te worden vastgesteld of er sprake was van een oogmerk van uitbuiting.

Handelingen

Van het overbrengen, huisvesten of opnemen van aangeefster is niet gebleken, nu uit het dossier naar voren komt dat aangeefster doorgaans in haar eigen huis heeft verbleven en gewerkt. De rechtbank zal verdachte derhalve van deze onderdelen in de tenlastelegging vrijspreken.

Verdachte heeft ontkend aangeefster geworven te hebben en verklaarde ter terechtzitting dat aangeefster zelfstandig besloot om in de prostitutie te gaan werken. De rechtbank acht deze stelling ongeloofwaardig, mede gelet op de betrouwbaar geachte verklaring van aangeefster hierover en het zeer korte tijdsbestek tussen het begin van de relatie tussen aangeefster en verdachte en het moment van aanvang van haar werkzaamheden in de prostitutie en de wijze waarop verdachte haar ook aan zijn vrienden ‘aanbood’. Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte aangeefster wel eens naar escortafspraken vervoerde. De rechtbank acht de handelingen werven en vervoeren dan ook bewezen.

Middelen

(Dreiging met) geweld

Volgens aangeefster mishandelde verdachte haar als zij aangaf dat ze niet wilde werken. Ook heeft ze verklaard dat de verdachte dreigde met geweld tegen haar (stief-)vader op het moment dat zij onvoldoende geld zou verdienen. Ook zou verdachte gedreigd hebben met eerwraak. Zoals eerder uiteengezet is er voldoende steunbewijs voor de mishandelingen in de vorm van bevindingen van de politie en een medische verklaring. Het geweld en de dreiging daarmee acht de rechtbank dan ook bewezen.

Dreiging met een andere feitelijkheid

Feitelijkheden zijn in het algemeen alle handelingen die niet onder ‘geweld’ vallen. Wel moeten deze handelingen van zodanige aard zijn, dat zij in de gegeven omstandigheden leiden tot een zodanige psychische druk dat het slachtoffer hieraan geen weerstand kan bieden. De rechtbank is van oordeel dat met het dreigen om aangeefster naar Duisburg te vervoeren, sprake was van het ontstaan van een zodanige psychische druk. De rechtbank acht het dreigen met een andere feitelijkheid daarmee bewezen.

Misleiding

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van misleiding door verdachte. Deze misleiding heeft vorm gekregen in het feit dat verdachte een (liefdes)relatie met aangeefster is aangegaan en haar heeft voorgehouden ze geld zouden verdienen door potentiële klanten op te lichten. Ook heeft hij haar voorgehouden dat hij het geld van de oplichtings-/prostitutiewerkzaamheden van aangeefster spaarde om tot een doelbedrag te komen van € 100.000,-. Verdachte hield aangeefster voor dat dit bedrag bedoeld was voor hun gezamenlijke toekomst. Aangeefster heeft verklaard dat ze hierdoor is misleid, omdat ze vanaf de eerste afspraak daadwerkelijk seks moest hebben met de klant en nooit het geld heeft ontvangen, dat ze met haar werkzaamheden verdiende.

Misbruik uit feitelijke omstandigheden

Of er sprake is van misbruik uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, dient te worden vastgesteld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Hierbij speelt de keuzevrijheid die het slachtoffer heeft een rol. De rechtbank is van oordeel dat er sprake was van een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht door verdachte. Hij heeft zich vanaf het moment dat hij aangeefster leerde kennen bepalend en sturend naar haar opgesteld. Hij is een relatie met haar begonnen en heeft er binnen een tijdsbestek van nog geen twee weken na de eerste kennismaking voor gezorgd dat zij zich prostitueerde. Vanaf dat moment beschikte hij over de werktelefoon, waarmee hij afspraken plande waaraan aangeefster zich diende te conformeren. Dit blijkt onder meer uit de verklaring van aangeefster en wordt ondersteund door de WhatsAppberichten via de telefoon van de verdachte en op de telefoon van aangeefster.

Misbruik van een kwetsbare positie

De rechtbank is van oordeel dat aangeefster zich in de periode dat verdachte haar ontmoette en daarna bevond in een kwetsbare positie. Ze kwam uit een destructieve relatie, en haar bankrekening was leeggehaald. Behalve een uitkering had ze geen inkomsten. Daardoor had ze moeite om haar vaste lasten te betalen. Verdachte was van dit alles op de hoogte. De rechtbank is van oordeel dat de kwetsbare positie van aangeefster, naast bovenstaande, een bijdrage heeft geleverd aan het feit dat zij niet anders kon dan het misbruik van verdachte te ondergaan. Deze gedraging acht de rechtbank dan ook bewezen.

Dat verdachte aangeefster ook heeft gedwongen door haar rijbewijs, identiteitskaart of sleutels in zijn bezit te houden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen. Aangeefster beschikte immers over haar eigen huissleutels, wist niet meer precies welk identiteitsbewijs van haar bij verdachte is aangetroffen en de door verdachte over het aantreffen van het rijbewijs in zijn tas afgelegde verklaring is niet zonder meer onaannemelijk.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verdachte, door alle bovengenoemde middelen in te zetten jegens aangeefster, haar in een positie bracht waardoor ze dermate onder druk werd gezet, dat ze zich gedwongen voelde om in de prostitutie te blijven werken.

Oogmerk van uitbuiting

De rechtbank overweegt allereerst dat als uitbuiting in elk geval dient te worden aangemerkt uitbuiting van een ander in de prostitutie (zie artikel 273, tweede lid, Sr). Of er sprake is geweest van uitbuiting hangt af van de omstandigheden van het geval. In een geval als het onderhavige kan van een uitbuitingssituatie worden gesproken wanneer de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostitué pleegt te verkeren in Nederland. Mondig betekent dat hij of zij zelfstandig kan bepalen of en wanneer en voor wie er wordt gewerkt en ook dat hij of zij zelf de beschikking heeft over de inkomsten uit dat werk. Uitbuiting veronderstelt wel altijd een zekere mate van onvrijwilligheid of onderwerping van degene die wordt uitgebuit. Instemming van het slachtoffer met de beoogde of bestaande uitbuiting is niet relevant.

Dat verdachte het oogmerk van uitbuiting heeft gehad, blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam uit de bewijsmiddelen. Daaruit kan immers worden afgeleid dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om te profiteren van de prostitutie van aangeefster, dat hij ook daadwerkelijk voordeel heeft getrokken uit de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster en dat hij haar, door het gebruik van voornoemde dwangmiddelen, in een positie heeft gebracht waarin het voor haar niet mogelijk was om zich aan de situatie te onttrekken. De situatie van aangeefster was niet gelijk te stellen aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. De werkdagen en -tijden werden door verdachte bepaald, ze moest blijven werken, mocht niet pauzeren of stoppen en verdachte heeft alles wat zij aan haar prostitutiewerkzaamheden verdiende van haar afgenomen. Verdachte was uit op het verdienen van geld en gebruikte daar aangeefster voor.

Daarmee kan sub 1 van het tenlastegelegde artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht bewezen worden verklaard.

Artikel 273f, lid 1, sub 4 Sr

De rechtbank heeft hiervoor reeds geoordeeld dat verdachte de hiervoor genoemde dwangmiddelen heeft toegepast. Verdachte heeft aangeefster daarmee gedwongen of bewogen om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden. Door onder meer een liefdesrelatie met aangeefster aan te gaan, haar voor te houden dat zij samen een mooie toekomst tegemoet gingen als zij veel geld zou gaan verdienen met prostitutiewerkzaamheden en haar daarbij ook te ‘helpen’, heeft verdachte bovendien ook handelingen verricht waarvan hij wist dat aangeefster zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard.

Artikel 273f, lid 1, sub 9 Sr

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de opbrengst van de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster telkens in ‘de pot’ moest worden gedaan, die bewaard werd door verdachte. Het was uiteindelijk verdachte die alle opbrengsten hield. De rechtbank heeft met betrekking tot de opbrengsten eerder geconcludeerd dat het aannemelijk is dat verdachte aangeefster bewoog het geld af te staan door middel van de bovengenoemde dwangmiddelen. Dit wordt nog onderschreven door de invloed die verdachte uitoefende op aangeefster om de prijs op te drijven, en het feit dat aangeefster het geld altijd in de pot moest doen, en verdachte alle inkomsten uit de prostitutie verdiend door aangeefster bijhield in het door de politie in beslag genomen roze boekje. Daarmee stelt de rechtbank vast dat verdachte aangeefster heeft gedwongen en bewogen het geld uit de prostitutiewerkzaamheden af te staan.

Artikel 273f, lid 1, sub 6 Sr

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een uitbuitingssituatie. Nu verdachte (het overgrote deel van) de opbrengsten hiervan onder zich heeft gehouden, waarbij de verklaring dat dit enkel was om de verdiensten vervolgens weer te verdelen ongeloofwaardig wordt geacht, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte ook opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van aangeefster.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte zich in de periode van 1 augustus 2019 tot en met 18 september 2019 schuldig heeft gemaakt aan de in de tenlastelegging omschreven mensenhandel, zoals hierna in de bewezenverklaring uitgewerkt.

Met betrekking tot feit 2.

Verdachte heeft ontkend dat hij de destijds dertienjarige [slachtoffer 2] heeft verkracht. Bij zaken betreffende verkrachting waarin verdachte de feiten ontkent is met name de verklaring van het slachtoffer veelal een belangrijk bewijsmiddel. Zo ook in de onderhavige zaak. De rechtbank ziet zich dan ook voor de vragen gesteld of de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn en of sprake is van (voldoende) steunbewijs.

Aangeefster heeft verschillende keren een verklaring afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat haar verklaring tijdens het informatief gesprek zeden met de politie van 11 juli 2019 op essentiële onderdelen overeen komt met haar aangifte van 17 oktober 2019, het verhoor bij de politie op 2 oktober 2019 en haar verklaring tegenover de rechter-commissaris in mei 2020. Deze verklaringen komen er – kortgezegd – op neer dat ze ergens in augustus, toen zij dertien jaar oud was, door [getuige 4] en [getuige 5] werd opgehaald en naar Helmond werd gebracht. Daar gingen ze met verdachte erbij ‘chillen’ en er werd sterke drank (onder andere raki) gedronken. Op enig moment is ze door verdachte naar een slaapkamer gebracht, waar zij tegen haar wil in seks met verdachte heeft gehad.

De getuigen [getuige 5] en [getuige 4] hebben over het verloop van de avond beiden bij de politie hetzelfde verklaard als aangeefster. Ze hebben haar met de auto opgehaald, zijn naar Helmond gereden, waar ze met verdachte en aangeefster hebben ‘gechilld’ en dat er (veel) werd gedronken. Ze dronken, zo verklaren zowel [getuige 5] als [getuige 4] als aangeefster, raki. Beide verklaren dat aangeefster aan [getuige 5] heeft verteld dat zij seks heeft gehad met verdachte en dat zij, nog voor ze naar huis ging, vertelde (de rechtbank begrijpt: aan [getuige 5] ) dat ze tegen haar zin in seks had gehad met verdachte. [getuige 5] verklaart bovendien dat zij die avond zelf gezien heeft dat verdachte naast het bed stond waar aangeefster in lag en dat hij op dat moment zijn broek dicht deed. Ook heeft zij verklaard dat aangeefster haar de dag erna heeft gezegd dat dat geen vrijwillige seks was geweest. Ook bij de rechter-commissaris heeft [getuige 5] dit verklaard. Vriendinnen van aangeefster, te weten [getuige 6] en [getuige 7] hebben eveneens verklaard dat zij kort na die avond van aangeefster hebben gehoord dat zij verkracht was door verdachte. Deze getuigen verklaren bovendien dat aangeefster zeer emotioneel was toen zij vertelde over wat haar was overkomen. Ook de moeder van aangeefster heeft verklaard dat aangeefster haar enkele maanden nadien verteld heeft dat zij was verkracht.

De rechtbank volgt de verdediging niet in het standpunt dat de verklaringen van [getuige 5] en [getuige 4] eveneens als onbetrouwbaar terzijde dienen te worden gelegd. De rechtbank zal geen acht zal slaan op de verklaring die [getuige 4] heeft afgelegd bij de rechter-commissaris. Gelet op de inhoud van het proces-verbaal dat is opgemaakt in verband met de verdenking van het plegen van meineed door [getuige 4] , twijfelt de rechtbank aan de juistheid van die verklaring. Dit geldt echter niet voor de verklaring die [getuige 4] heeft afgelegd bij de politie. Er zijn immers geen aanwijzingen dat die verklaring in strijd met de waarheid is afgelegd. De politieverklaring van [getuige 4] is zijn eerste spontane verklaring, zonder dat hij bevraagd werd. [getuige 4] heeft aangegeven dat zijn verklaring door de verbalisanten verkeerd is weergegeven in het proces-verbaal van verhoor. De rechtbank is echter van oordeel dat die weergave correct is. In het proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] , dat heeft plaatsgevonden ter zake van de verdenking van meineed, is woordelijk weergegeven wat op de auditieve opname van zijn verhoor als getuige in de verkrachtingszaak te horen is. Uit die weergave blijkt dat verdachte wel degelijk heeft verklaard wat de verbalisanten als zijn verklaring over die avond dat aangeefster zou zijn verkracht, hebben genoteerd als zijn verklaring. Ook ten aanzien van de verklaringen van [getuige 5] heeft de rechtbank geen aanknopingspunten voor het standpunt dat die niet betrouwbaar zijn. Nadat [getuige 5] door de rechter-commissaris onder ede is gesteld, heeft zij immers een verklaring afgelegd die op hoofdlijnen overeenkomt met haar eerdere verklaring bij de politie en met de verklaring van [getuige 4] bij de politie.

Hoewel de verklaringen van aangeefster, zoals door de verdediging is betoogd, niet volledig gelijkluidend zijn over waar [getuige 4] en [getuige 5] zich (al dan niet in de woning) bevonden op het moment dat zij werd verkracht door verdachte, ziet de rechtbank in die inconsistentie geen aanleiding om de verklaring van aangeefster ongeloofwaardig te achten. Haar verklaring is immers op de essentiële punten wél consistent en vindt bovendien, zoals hiervoor reeds overwogen, steun in de verklaringen van de getuigen [getuige 6] en [getuige 7] , die van aangeefster hebben vernomen wat er die avond is gebeurd. In deze verklaringen wordt ook gesproken over de emotionele toestand waarin aangeefster verkeerde toen zij vertelde over wat haar die avond in die woning in Helmond was overkomen, hetgeen eveneens bijdraagt aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster.

Ook de omstandigheid dat aangeefster volgens [getuige 5] aanvankelijk, kort nadat zij seks zou hebben gehad met verdachte, aan haar gezegd zou hebben dat zij dit zelf ook had gewild – hetgeen overigens door aangeefster steeds stellig is betwist – maakt het voorgaande niet anders. Uit de hiervoor genoemde verklaringen blijkt immers dat aangeefster kort na die avond aan vriendinnen én (later ook) aan [getuige 5] heeft gezegd dat zij de seks met verdachte niet wilde en dat zij daarbij duidelijk van slag en emotioneel was.

Nu de verklaringen van aangeefster naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar zijn, en deze verklaringen voldoende steun vinden in de overige (eveneens betrouwbaar geachte) bewijsmiddelen, acht de rechtbank de ten laste gelegde verkrachting wettig en overtuigend bewezen.

Pleegdatum

Tijdens het informatieve gesprek dat op 29 maart 2018 met de moeder van aangeefster is gevoerd, heeft zij aangegeven dat haar dochter afgelopen zomer, in de zomervakantie van 2017, vermoedelijk augustus, iets is overkomen. [slachtoffer 2] is geboren op [geboortedatum 3] 2003 en zij heeft in haar aangifte verklaard dat zij dertien jaar oud was toen zij werd verkracht. Hoewel zij op enig moment heeft aangegeven dat zij dacht dat het in 2016 is gebeurd, heeft zij steeds stellig verklaard dat zij zeker weet dat zij op het moment van de verkrachting dertien jaar oud was. Gelet op het voorgaande kan het niet anders zijn dan dat de verkrachting in augustus 2017 heeft plaatsgevonden.

Met betrekking tot het onder parketnummer 01/281371-19 tenlastegelegde feit.

Op 27 mei 2019 heeft aangever [slachtoffer 3] aangifte gedaan van mishandeling, gepleegd op 15 mei 2019. Hij verklaart door verdachte meerdere malen tegen zijn gezicht, hoofd en lichaam te zijn geslagen, waarna hij ten val kwam en vervolgens een aantal trappen kreeg. Aangever heeft naar aanleiding hiervan onder meer meerdere fracturen in het gezicht opgelopen, zo blijkt uit de medische verklaring d.d. 15 mei 2019.

Verdachte bekent aangever met een vuist tegen het hoofd te hebben geslagen en een beetje geduwd en getrokken te hebben, maar stelt dat aangever begon, door verdachte te slaan met zijn platte hand en dat hij vervolgens een buis pakte. Hij heeft zichzelf slechts verdedigd, zo stelt verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de medische verklaring ten aanzien van het door aangever opgelopen letsel steun biedt aan de aangifte ten aanzien van het meermalen slaan, alsmede aan het tenlastegelegde schoppen/trappen. Uit deze medische informatie blijkt immers dat aangever meerdere fracturen in het gezicht heeft opgelopen, maar ook drukpijn aan zijn torso. Dat verdachte aangever slechts één vuistslag in het gezicht heeft gegeven, acht de rechtbank dan ook onaannemelijk.

Om te kunnen vaststellen of sprake is geweest van een zware mishandeling, zoals primair ten laste gelegd, dient te worden beoordeeld of sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Uit het dossier komt niet naar voren dat aangever een lange herstelperiode heeft ondergaan of aanvullende medische ingrepen nodig heeft gehad. Er is in ieder geval niet gebleken van blijvende fysieke schade. Nu nadere informatie over onder meer de noodzaak en de aard van het medisch ingrijpen alsmede het uitzicht op herstel ontbreekt, kan niet worden vastgesteld dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

Nu subsidiair poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ten laste is gelegd, dient te worden beoordeeld of verdachte opzet (in welke gradatie ook) heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Nu uit het dossier niet kan worden afgeleid met welke kracht verdachte heeft geschopt, welk schoeisel hij daarbij droeg en op welke plaats hij aangever heeft geraakt, kan niet worden vastgesteld of hij door tegen het lichaam aangever te schoppen, die op dat moment op de grond lag, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dit betekent dat de subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling niet bewezen kan worden geacht.

De rechtbank is van oordeel dat de mishandeling van aangever, zoals meer subsidiair ten laste is gelegd, door aangever meermalen met veel kracht tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te schoppen, gelet op de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit de verklaring die verdachte op de zitting van 28 oktober 2019 heeft afgelegd, blijkt dat verdachte heeft aangevoerd dat hij handelde uit zelfverdediging. De rechtbank vat deze verklaring op als een beroep op ‘noodweer’ en overweegt als volgt.

Voor een succesvol beroep op noodweer is vereist dat sprake was van een ‘ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding’ van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed. Verdachte heeft verklaard dat zijn ex-schoonvader schreeuwend op hem afkwam en hij een klap of duw kreeg van aangever. Deze verklaring van verdachte vindt echter geen steun in de overige bewijsmiddelen, anders dan de door getuige [getuige 8] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring. Deze verklaring acht de rechtbank, gelet op de andere bewijsmiddelen echter volstrekt ongeloofwaardig. Uit overige bewijsmiddelen volgt het tegenovergestelde, namelijk dat verdachte de agressor was. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten mishandeling niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het verweer wordt verworpen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelenbijlage, in samenhang met de hiervoor opgenomen bewijsoverwegingen, eventueel in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

ten aanzien van parketnummer 01/225238-19, feit 1:

in de periode van 1 augustus 2019 tot en met 18 september 2019 te Eindhoven, in elk geval in Nederland,

een ander, genaamd [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 1998),

(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

- heeft geworven en vervoerd met het oogmerk van uitbuiting (sub 1), en

- heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte wist dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (sub 4), en

- heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer 1] met of voor een derde tegen betaling (sub 9),

en

- (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] (sub 6),

waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:

- het mishandelen (onder andere door het vastpakken bij het gezicht en/of de keel en/of slaan in het gezicht en/of inbeuken en/of het geven van een knietje tegen de ribben en/of trappen tegen het been en/of stompen in de buik van die [slachtoffer 1] ) en bedreigen en onder druk zetten van die [slachtoffer 1] en

- het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [slachtoffer 1] en

- het dreigen die [slachtoffer 1] naar Duitsland (Duisburg) te zullen brengen wanneer zij met het prostitutiewerk wilde stoppen en

- het dreigen dat de vader van die [slachtoffer 1] haar schulden moest afbetalen wanneer zij met het prostitutiewerk wilde stoppen en

- het beperken van de bewegingsvrijheid van die [slachtoffer 1] ,

en waarbij voornoemde (onder sub 4) "enige handeling" heeft bestaan uit:

- het aangaan en/of onderhouden van een liefdesrelatie met voornoemde [slachtoffer 1] en

- het bepalen van een doel (te weten 100.000 euro te verdienen in één jaar), welke behaald diende te worden met de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 1] , waarbij verdachte die [slachtoffer 1] had voorgewend dat zij de klant(en) op zou(den) lichten en

- het maken van foto's voor een advertentie op [website] waarin die [slachtoffer 1] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden en

- het aanmaken en/of onderhouden van een advertentie op [website] waarin die [slachtoffer 1] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden en

- het onderhouden van contacten met en het maken van afspraken met (potentiële) (prostitutie)klant(en) voor die [slachtoffer 1] en het maken van afspraken met die (potentiële) klant(en) over de aard van de prostitutiewerkzaamheden en de daarvoor te betalen bedragen en

- het bepalen of die [slachtoffer 1] prostitutiewerkzaamheden met of zonder condoom moest verrichten en

- het bepalen wanneer die [slachtoffer 1] beschikbaar moest zijn voor de prostitutiewerkzaamheden en

- het bepalen dat die [slachtoffer 1] ook bij ongesteldheid moest werken en

- het controleren van (de werkzaamheden van) die [slachtoffer 1] , bijhouden van haar verdiensten uit haar prostitutiewerkzaamheden en

- het bewegen van die [slachtoffer 1] om (een groot deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem, verdachte, af te dragen en

- het bij zich houden en bewaren van de opbrengsten (contant geld) uit de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 1] en

- het vervoeren van die [slachtoffer 1] naar seksafspraken en

- het bewegen van die [slachtoffer 1] om een auto op haar naam te huren, met het doel die (huur)auto te gebruiken voor het rijden (escort) naar seksafspraken van die [slachtoffer 1] .

ten aanzien van parketnummer 01/225238-19, feit 2:

op een tijdstip in de periode van 1 augustus 2017 tot en met 31 augustus 2017 te Helmond, in elk geval in Nederland,

door geweld of een andere feitelijkheid,

[slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] 2003) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten het brengen en houden van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] ,

waarbij het geweld en/of andere feitelijkheid bestond uit:

- het op het bed duwen van die [slachtoffer 2] en

- het uitdoen van de broek van die [slachtoffer 2] en

- het spreiden van de benen van die [slachtoffer 2] ,

terwijl zij huilde en hem probeerde van zich af te duwen en stop zei.

ten aanzien van parketnummer 01/281371-19:

op 15 mei 2019 te Eindhoven

[slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] meermalen met veel kracht tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te schoppen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft primair een gevangenisstraf geëist voor de duur van 4 jaren met aftrek van het voorarrest en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS-maatregel) met verpleging van overheidswege. Mocht de rechtbank daar niet in meegaan, dan acht de officier van justitie (subsidiair) een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van het voorarrest passend. Voorts vordert de officier van justitie een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Tot slot verzoekt de officier van justitie de imitatie-Rolex te onttrekken aan het verkeer en het notitieboekje en de iPhone verbeurd te verklaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit dat de eis van de officier van justitie om een TBS-maatregel op te leggen uit het niets komt en dat dit ook niet uit de rapportages naar voren is gekomen. Daarnaast is de oplegging van de TBS-maatregel innerlijk tegenstrijdig met de conclusie dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is. Het gevaar voor herhaling wordt door de deskundigen als matig laag ingeschat en er zijn recidive verminderende aspecten. Tot slot is de TBS-maatregel een ultimum remedium.

Tot slot heeft de raadsman opgemerkt dat de geëiste duur van de gevangenisstraf niet in lijn is met de oriëntatiepunten van de rechtspraak (LOVS) en dat de straffen die doorgaans voor mensenhandel worden opgelegd, veel lager zijn.

De raadsman heeft zich gerefereerd ten aanzien van het beslag.

Het oordeel van de rechtbank.

Oplegging van gevangenisstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel, verkrachting en mishandeling.

De mensenhandel vond plaats tussen 1 augustus 2019 en 18 september 2019. In deze periode heeft verdachte het kwetsbare slachtoffer in een positie gebracht waarin zij zich gedwongen voelde om zich beschikbaar te (blijven) stellen voor prostitutiewerkzaamheden. Verdachte heeft er daarbij niet voor geschuwd om geweld te gebruiken tegen het slachtoffer. Het dwingen van iemand om in de prostitutie te (blijven) werken, is een vergaande en ontluisterende manier van uitbuiting, waarbij de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer ondergeschikt wordt gemaakt aan de zucht naar geldelijk gewin van de uitbuiter. Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en haar lichamelijke integriteit aangetast. De bedreigingen en het geweld moeten een grote indruk op haar hebben gemaakt.

Daarnaast heeft verdachte, een bijna dertigjarige man, zich schuldig gemaakt aan de verkrachting van een op dat moment dertienjarig meisje, dat voor het eerst in haar leven dronken was van de sterke drank die zij die avond tijdens drankspelletjes met verdachte had gedronken. Hij heeft dit jonge meisje haar maagdelijkheid ontnomen en op grove wijze misbruik gemaakt van de beschonken toestand waarin zij zich, mede door zijn toedoen, bevond. Dit betreft een zeer ernstig feit dat een enorme impact heeft gehad op het slachtoffer. Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en haar lichamelijke integriteit aangetast. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Dat dit ook geldt voor het aangeefster is naar voren gekomen tijdens de uitoefening van het spreekrecht ter terechtzitting d.d. 28 oktober 2020. Verdachte heeft zich bij zijn strafbaar handelen niet bekommerd om de impact van wat hij deed op en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem aan zijn slachtoffer aangedane leed kennelijk niet inziet. Zijn ontkennende houding heeft zich ter zitting zelfs vertaald in directe uitingen van minachting jegens het slachtoffer. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan mishandeling. Verdachte heeft het slachtoffer met gebalde vuist tegen het hoofd gestompt en hem vervolgens, toen hij door het op hem uitgeoefende geweld reeds op de grond was gevallen, getrapt. Het slachtoffer heeft letsel overgehouden aan deze mishandeling waar hij nog geruime tijd klachten van heeft ondervonden. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte de ernst van het door hem aan zijn slachtoffers aangedane leed totaal niet inziet en hij, gelet op zijn Justitiële documentatie, waaruit blijkt dat hij meermaals voor geweldsdelicten is veroordeeld, kennelijk niet of onvoldoende bereid is zijn crimineel gedrag te veranderen.

De rechtbank heeft bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank anders dan de officier van justitie ten aanzien van het feit onder parketnummer 01/281371-19 tot een bewezenverklaring komt van het meer subsidiair tenlastegelegde, en de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest.

Oplegging van de TBS-maatregel

Ten aanzien van de gevorderde oplegging van de TBS-maatregel overweegt de rechtbank als volgt. Deze maatregel kan, bij een veroordeling voor één van de in artikel 37a, eerste lid, sub 2 omschrijven misdrijven, worden opgelegd als de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist én als er bij de verdachte tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

De rechtbank overweegt allereerst dat de hierna te kwalificeren feiten 1 en 2 onder parketnummer 01/225238-19 misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijvingen een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

Op 6 mei 2020 heeft de psychiater J. van der Meer een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De conclusie luidt:

In diagnostische zin is bij betrokkene sprake van een persoonlijkheidsstoornis. Er is sprake van disfunctioneren op de verschillende levensgebieden. Dit lijkt terug te gaan tot de adolescentie.

(…)

Er zijn ten eerste antisociale persoonlijkheidskenmerken. Het grote aantal veroordelingen en het beperkt doorleefde schuldbesef hierover laten zien dat betrokkene niet in staat of bereid is om zich aan de maatschappelijke norm over het naleven van wetten en regels te houden. Op 14 jarige leeftijd werd betrokkene voor het eerst aangehouden in verband met diefstal. De rapportage van de reclassering laat zien dat betrokkene geneigd is om zich niet aan de regels van toezichthouders te houden. Zo saboteerde hij meerdere keren het elektronische toezicht. Later waren er een aantal veroordelingen vanwege agressie, zoals openlijke geweldpleging en mishandeling. Betrokkene bevestigt dat hij een aantal keren in vechtpartijen terecht kwam. Daarbij wordt lacherig gedaan over een gevecht met een uitsmijter wat ook leidde tot een veroordeling. Dit wijst erop dat er problemen zijn in het reguleren van agressieve impulsen en dat er een gebrekkige gewetensfunctie is. In het psychiatrisch onderzoek in engere zin valt het op dat betrokkene weinig schuldgevoelens heeft over het eerdere gedrag en weinig zicht heeft op zijn eigen rol in het ontstaan van de veroordelingen.

Narcistische persoonlijkheidstrekken worden eveneens vastgesteld. Betrokkene beschrijft zichzelf als zeer gespierd door zijn toewijding en hij vindt zichzelf goed in sociale contacten. Daarbij geeft betrokkene aan goed te weten wat ´hij kan en weet´. Daarbij heeft betrokkene grote toekomstplannen en wil hij een broodjeszaak gaan beginnen, waarvan hij vervolgens een keten van broodjeszaken van denkt te kunnen maken. Zijn zus vertelt dat betrokkene vanaf de pubertijd steeds zelfverzekerder werd, terwijl ze hem eigenlijk kende als een onzeker kind. Betrokkene lijkt zich daarbij groter te maken dan hij zich voelt. Dit past bij het hebben van een opgeblazen gevoel van de eigen belangrijkheid en het overdrijven van de eigen prestaties. Eerder viel het ook de reclassering op dat betrokkene zich nauwelijks kan inleven in zijn slachtoffers en geen oog heeft voor de belangen en gevoelens van de slachtoffers. Dit wordt ook in het huidige onderzoek waargenomen als door betrokkene wordt gesproken over eerdere veroordelingen en dit past bij het hebben van een gebrek aan empathie. Dit alles gaat verder dan wat binnen de culturele context van betrokkene kan worden verwacht en geldt daarom als pathologisch en passend bij narcistische problematiek.”

De rechtbank stelt vast dat de psychiater tot de conclusies komt dat bij betrokkene sprake is van een gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische persoonlijkheidskenmerken en dat ook ten tijde van het tenlastegelegde bij verdachte sprake was van deze stoornis, waarbij nog wordt opgemerkt dat een persoonlijkheidsstoornis een chronische stoornis is die bij verdachte al sinds de vroege volwassenheid bestaat.

Op 6 mei 2020 heeft de psycholoog drs. W.J.L. Lander een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De conclusie luidt:

Uit de justitiële documentatie blijkt dat betrokkene op reeds circa 15-jarige leeftijd voor de eerste maal veroordeeld is vanwege diefstal en hierna volgt een aantal andere veroordelingen vanwege vermogens- en geweldsdelicten. Ook is betrokkene op 24-jarige leeftijd tot een lange gevangenisstraf veroordeeld vanwege een gewapende overval op een juwelier. Betrokkene is thans 31 jaar oud en op basis van het onderzoek naar de levensgeschiedenis blijkt dat betrokkene niet in staat is geweest om een constructief bestaan op te bouwen. Hij heeft geen opleidingen afgemaakt, hij heeft geen stabiele huisvesting, geen vast inkomen en relaties met partners verlopen problematisch. Er heeft geen IQ-meting met behulp van een intelligentietest kunnen plaatsvinden, maar op basis van het schooladvies en de gespreksindrukken wordt de intelligentie van betrokkene op bovengemiddeld niveau geschat. De onderprestatie op beroepsmatig gebied en het weinig constructieve bestaan, zijn aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblematiek.

Betrokkene heeft niet meegewerkt aan het persoonlijkheidsonderzoek met behulp van

vragenlijsten, maar bij het klinisch psychologisch onderzoek blijkt dat betrokkene

een persoon is die geneigd is om problemen te ontkennen en te bagatelliseren en hij heeft

maatschappelijke normen en waarden minder geïnternaliseerd. Tevens heeft betrokkene een beperkt empathisch vermogen, de gewetensfunctie is beperkt ontwikkeld en betrokkene heeft moeite met autoriteit.

Ook heeft hij een overdreven positief zelfgevoel, er is sprake van zelfoverschatting en hij is

weinig zelfkritisch. Uit de SS-R (supernormaliteitsschaal) blijkt overigens ook dat betrokkene tijdens het onderzoek weinig openheid geeft omtrent zijn negatieve gedachten en gevoelens om een positief beeld van zichzelf te presenteren.

Op basis van de justitiële documentatie, het onderzoek naar de levensgeschiedenis en het klinisch psychologisch onderzoek kan worden vastgesteld dat de persoonlijkheid van betrokkene wordt gekenmerkt door antisociale en narcistische trekken. Naar mening van rapporteur zijn deze trekken zodanig vanuit de ontwikkeling in de persoonlijkheid verankerd dat hierdoor het sociaal-maatschappelijke functioneren wordt beperkt en hij hierdoor niet in staat is om een constructief bestaan op te bouwen.

Er is aldus sprake van een psychische stoornis in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken.

(...)

Voor wat betreft klinische, meer recente factoren kan worden genoemd dat betrokkene geen

inzicht in de antisociale persoonlijkheidsstoornis heeft, hij ziet niet de noodzaak van een behandeling en het blijkt dat hij op uitnodigingen van de Reclassering niet heeft gereageerd.

Zijn respons op behandeling en toezicht is blijkbaar gering.

Voor betreft toekomstige probleemgebieden die kunnen bijdragen aan het plegen van gewelddadig gedrag, kan genoemd worden dat betrokkene problematische leefomstandigheden heeft (geen stabiele huisvesting, geen vast inkomen, problematische relatie met zijn vriendin) en dat de verwachting is dat betrokkene zich weer zal onttrekken aan toezicht, behandeling en begeleiding.

Op basis van de HCR-20 V3 wordt het risico op gewelddadig gedrag, zoals thans tenlastegelegd, als matig-hoog getaxeerd. Aan de hand van de SAPROF kunnen als beschermende factoren voor gewelddadig gedrag genoemd worden dat betrokkene een (boven)gemiddelde intelligentie heeft en een sociaal netwerk in de zin van zijn vriendin, zus en moeder.

Op basis van de SAPROF blijken beschermende factoren, maar deze wegen niet op tegen de

risicofactoren voor wat betreft gewelddadig gedrag. Om deze reden blijft het risico op gewelddadig gedrag, zoals thans tenlastegelegd, als matig-hoog getaxeerd.

(…)

Voor wat betreft het klinische oordeel kan worden vermeld dat betrokkene zich in het verleden onttrokken heeft aan toezicht en behandeling, dat hij zich in 2018 schuldig heeft gemaakt aan mishandeling en geweld niet schuwt. Op basis van het klinische oordeel wordt het risico op gewelddadig gedrag als matig-hoog beoordeeld.”

De rechtbank stelt vast dat de psychiater tot de conclusies komt dat er sprake is van een psychische stoornis in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken, en dat deze persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken ook ten tijde van het begaan van de feiten bestond.

De rechtbank neemt de bovenstaande conclusies van de psychiater en de psycholoog over en stelt vast dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Deze stoornis bestaat vermoedelijk al het gehele volwassene leven van verdachte. Verdachte heeft een uitgebreide justitiële documentatie, waarop meerdere geweldsdelicten vermeld staan. Tevens stelt de rechtbank vast dat verdachte geen constructief bestaan heeft opgebouwd en het recidivegevaar op een geweldsdelict wordt ingeschat als matig-hoog. Verdachte heeft geen blijk gegeven oprechte intrinsieke motivatie te bezitten om te komen tot gedragsverandering en toont geen berouw of empathie. Verdachte heeft zich in het verleden tijdens een voorwaardelijke invrijheidsstelling al meermaals onttrokken aan toezicht van de autoriteiten. Verdachte is voorts in het verleden voor een ernstig geweldsdelict (een gewapende overval) veroordeeld. Bij dit vonnis wordt verdachte veroordeeld voor mishandeling, verkrachting van een minderjarig meisje en mensenhandel. Dit zijn zeer ernstige delicten die de veiligheid van anderen in gevaar brengen. De rechtbank heeft, al het bovenstaande in aanmerking genomen, reden om aan te nemen dat de verdachte, ook na een eventuele straf, zal terugvallen in schadelijk, gevaarlijk en strafbaar gedrag.

De rechtbank wijst erop dat de psychiater, gezien de onduidelijkheid over de doorwerking van de stoornis van betrokkene in het tenlastegelegde, heeft aangegeven dat geen interventieadvies of juridisch kader worden gegeven. Ook de psycholoog vermeldt in zijn rapportage dat een interventie-advies ter voorkoming van recidive niet kan worden onderbouwd gezien de ontkenning van betrokkene. De psycholoog rapporteert dat betrokkene zich onttrekt aan begeleiding en toezicht en dat een interventie-advies ten behoeve van het verbeteren van sociaal-maatschappelijk functioneren evenmin zinvol is.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het reclasseringsrapport van 28 april 2020. De reclassering acht het recidiverisico en het risico op letselschade, in afwijking van hetgeen uit het gebruikte risicotaxatie-instrument OXREC, hoog. Het risico dat verdachte zich aan de voorwaarden zal onttrekken wordt eveneens hoog ingeschat. In het rapport is vermeld dat bij verdachte sprake is van een ernstig, frequent en gewelddadig delictpatroon, waarbij ondanks een veelvoud aan strafrechtelijke interventies, waaronder de inzet tot drie keer toe van reclasseringsbegeleiding in het kader van voorwaardelijke invrijheidsstelling, geen blijvende gedragsverandering is bewerkstelligd. De reclassering stelt zich op het standpunt dat het delictgedrag van verdachte hardnekkig is en dat aangeboden interventies in strafrechtelijk kader geen soelaas hebben gebracht. Wanneer het erop aankwam maakte verdachte volgens de reclassering zijn eigen keuzes en was hij niet ontvankelijk voor externe gedragsbeïnvloeding. Verdachte heeft een pro-criminele houding, trekt zich weinig aan van wetten en regels en houdt er geen pro-sociale levensstijl op na.

De rechtbank komt, ondanks dat de deskundigen geen interventieadviezen gegeven hebben en derhalve de rechtbank niet geadviseerd hebben om verdachte een TBS-maatregel op te leggen, tot de conclusie dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen (of goederen) het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist. De deskundigen hebben beschreven dat de respons van verdachte op behandeling en toezicht gering is en het hem aan zelfinzicht ontbreekt. Bovendien heeft verdachte zich eerder op grove wijze aan justitiële voorwaarden onttrokken door zijn enkelband door te knippen en naar Turkije af te reizen. Het hoge risico op herhaling en letselschade, in combinatie met de omstandigheid dat verdachte volgens de deskundigen niet in staat of bereid is om zich aan de maatschappelijke norm over het naleven van wetten en regels te houden en zich zal onttrekken aan voorwaarden, maakt dat de rechtbank geen andere mogelijkheid ziet dan aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen.

De rechtbank overweegt dat verdachte wordt veroordeeld voor misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

De vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van strafrecht

De rechtbank zal voorts, ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten, een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van strafrecht, in de vorm van een contactverbod, opleggen met aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor de duur van 5 jaren. Daarbij beveelt de rechtbank dat vervangende hechtenis voor de duur van één week zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van ten hoogste zes maanden. Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het gevorderde bedrag gedeeltelijk toewijsbaar met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De reiskosten, het gederfde inkomen van € 4.885,- en de huur van de auto (€ 300,-) kunnen worden toegewezen. Wat betreft de immateriële schade kan € 7.500,- worden toegewezen. De rest van het gevorderde bedrag dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

Mocht de rechtbank tot een veroordeling komen van feit 1, dan dienen van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] de kosten voor het hotel te worden afgetrokken, nu er geen sprake is van een direct verband tussen het bewezenverklaarde feit en de schade. Daarnaast dient het bedrag dat de benadeelde partij heeft gevorderd voor de huur van de auto te worden afgetrokken, nu deze post niet is onderbouwd door middel van een factuur. Tot slot is de immateriële schadevergoeding onvoldoende onderbouwd.

Beoordeling. De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een bedrag aan materiele schade gevorderd, groot

€ 5.433,-. Deze materiële kosten bestaan uit het huren van een auto (€ 300,-) en de kosten van de overnachting in het [bedrijf] (€ 248,-). De rechtbank wijst de gevorderde kosten voor het hotel niet toe, omdat dit niet als directe schade valt aan te merken van het strafbare feit, nu aangeefster verklaard heeft dat het hotel geboekt werd om tot rust te komen en dat ze er niet had hoeven werken. De gehuurde auto is betaald van het geld dat aangeefster had verdiend. De rechtbank wijst het daarvoor vastgestelde bedrag van € 300,- dan ook niet toe, gelet op het feit dat dit bedrag reeds valt onder de gevorderde gederfde inkomsten.

De rechtbank wijst het gederfde inkomen, groot € 4.885,-, als materiële schadepost geheel toe.

De rechtbank wijst het gevorderde bedrag aan immateriële schade, groot € 10.000,-, gedeeltelijk toe. Gelet op vergelijkbare jurisprudentie en de beperktere omvang van de bewezenverklaarde periode matigt de rechtbank het gevorderde bedrag en wijst de vordering tot immateriële schade toe voor een bedrag van € 7.500,-.

De rechtbank veroordeelt de verdachte concluderend tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 12.385,-, bestaande uit € 4.885,- materiële schade en

€ 7.500,- immateriële schade. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk in de vordering.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 september 2019 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het gehele gevorderde bedrag toewijsbaar en verzoekt de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot immateriële schadevergoeding onvoldoende is onderbouwd.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering tot vergoeding van de immateriële schade van 7.500,00 euro voldoende onderbouwd en redelijk. De rechtbank acht deze vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2017 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank ziet geen wettelijke basis voor het toewijzen van de reiskosten, nu voor verplaatste schade slechts plaats is als er voor de gekwetste zelf een vorderingsrecht bestaat. De benadeelde partij procedeert met een advocaat, zodat om die reden de gemaakte reiskosten niet als proceskosten toewijsbaar zijn. Deze kosten zullen dan ook worden afgewezen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2017 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.

Onttrekking aan het verkeer. De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte inbeslaggenomen imitatie Rolexhorloge vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit een voorwerp is dat van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Verbeurdverklaring.

Op grond van de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat verdachte met behulp van de onder hem in beslag genomen notitieboekje en telefoon de bewezenverklaarde feiten onder 1 in de zaak met parketnummer 01/225238-19 heeft begaan of voorbereid. Dit maakt dat de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. De rechtbank zal daartoe dan ook beslissen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

33, 33a, 36b, 36d, 36f, 37a, 37b, 38v, 38w, 57, 63, 242, 273f, 300 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van 01/225238-19 feit 1

Mensenhandel

ten aanzien van 01/225238-19 feit 2:

Verkrachting

ten aanzien van 01/281371-19 feit 1 meer subsidiair:

Mishandeling

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen en maatregelen.

Ten aanzien van 01/225238-19 feit 1, feit 2 primair, 01/281371-19 feit 1 meer subsidiair:

Een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht

Gelast de terbeschikkingstelling van verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege

Ten aanzien van 01/225238-19 feit 1:

Een contactverbod voor de duur van 5 jaar

Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaar op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 1998).

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Ten aanzien van 01/225238-19 feit 2 primair:

Een contactverbod voor de duur van 5 jaar

Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaar op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] 2003).

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Ten aanzien van 01/225238-19 feit 2 primair:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 7.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Wijst de vordering voor het overige af.

Ten aanzien van 01/225238-19 feit 2 primair:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van 7.500,00 euro, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 72 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit 7.500,00 euro immateriële schade. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Ten aanzien van 01/225238-19 feit 1:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 12.385,00 euro, bestaande uit 4.885,00 euro materiële schade en 7.500,00 euro immateriële schade. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van 01/225238-19 feit 1:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 12.385,00 euro, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 96 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit 4.885,00 euro materiële schade en 7.500,00 euro immateriële schade. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen goed, te weten:

- 1 STK Horloge.

Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

  • -

    1 STK Notitieblok;

  • -

    1 STK Telefoontoestel.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L. Soeteman, voorzitter,

mr. E. Boersma en mr. C.P.C. Kuijs, leden,

in tegenwoordigheid van mr. W. van Nunen, griffier,

en is uitgesproken op 11 november 2020.