Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:5639

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
20/1261
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor erkenning o.g.v. de Wet wapens en munitie (Wwm). Eiser heeft bij zijn aanvraag een voor dat doel opgesteld psychiatrisch onderzoeksrapport overgelegd waarin staat dat er geen verhoogd risico is als hij een vuurwapen zou bezitten. De minister heeft het administratief beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag door de korpschef van politie ongegrond verklaard, omdat hij met de korpschef twijfelt aan de psychische gesteldheid van eiser. De rechtbank is van oordeel dat de minister dit besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De minister heeft niet onderzocht of en niet gemotiveerd inzichtelijk gemaakt dat het psychiatrisch rapport niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Ook heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd waarom uit op dat moment 3,5 jaar oude politie-informatie kan worden geconcludeerd dat eisers psychische gesteldheid ten tijde van het nemen van het bestreden besluit zich verzette tegen het verlenen van een Wwm-erkenning, terwijl het tegendeel in het (van recentere datum) psychiatrisch rapport wordt bepleit. Tot slot heeft de minister het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd door eiser te verwijten dat hij in 2016 op advies van zijn toenmalige gemachtigde niet meewerkte aan een psychologisch onderzoek en de gang van zaken omtrent het inleveren van zijn wapens frustreerde. Beroep gegrond. De minister moet een nieuwe beslissing op het administratief beroep nemen, omdat hij nader onderzoek moet doen naar de psychische gesteldheid van eiser, waarbij de minister in beginsel een volledige heroverweging zal moeten verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/1261

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. H. Sytema),

en

de minister van Justitie en Veiligheid, de minister

(gemachtigde: mr. H.P.N. de Bruijn).

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft de korpschef van politie (de korpschef) de aanvraag van eiser om erkenning op grond van de Wet wapens en munitie (Wwm) afgewezen.

Bij besluit van 30 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft de minister het door eiser daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De feiten

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1.

Eiser is van 2004 tot en met 2016 in het bezit geweest van een erkenning. Hij heeft een eenmanszaak en houdt zich bezig met de handel, het repareren en herstellen van defensiewapens.

1.2.

In een mutatierapport van de politie van 11 juli 2016 staat dat de (voormalig) echtgenote van eiser op 10 juli 2016 een melding bij de politie heeft gemaakt omdat zij zou vrezen dat eiser in zijn bedrijfspand in Ammerzoden een einde aan zijn leven zou willen maken. Ook gaf zij aan dat er in dit bedrijfspand vuurwapens aanwezig zouden zijn. Daar ter plaatse trof de politie eiser en een vriendin aan. Zij gaf te kennen een aantal berichtjes van eiser te hebben gehad die zij dermate zorgelijk vond dat zij direct naar het bedrijfspand is gereden. Gelet op wat eiser de verbalisanten van politie vertelde, waren zij van oordeel dat eiser labiel overkwam en vonden zij de situatie dusdanig zorgelijk dat zij eiser ter observatie naar het politiebureau hebben overgebracht waarbij uit voorzorg het bedrijfspand werd afgesloten en de inboedel in bewaring werd genomen. Ook is eiser toen beoordeeld door de crisisdienst die de politie in een verslag van 11 juli 2017 heeft teruggekoppeld dat eiser labiel zou zijn.

1.3.

In de periode na 11 juli 2016 is met eiser gesproken over de ontstane situatie en eventuele gevolgen voor zijn bedrijf. Er is tussen de politie en eiser op 20 juli 2016 een overeenkomst gesloten waarin staat dat eiser de korpschef binnen zes weken na het sluiten van de overeenkomst in het bezit zou stellen van schriftelijke verklaring van een arts/psychiater, die bekend is met eisers problematiek, waaruit blijkt dat de problemen van eiser niet in de weg staan aan behoud van zijn erkenning.

1.4.

Op 30 september 2016 heeft eiser een aanvraag voor een nieuwe erkenning ingediend. Eiser heeft hierbij een verslag van het onderzoek door de crisisdienst (verslag acute zorg) overgelegd. Mede op grond van dit verslag heeft de korpschef deze aanvraag afgewezen. Dat besluit staat in rechte vast.

1.5.

Per 1 oktober 2016 is de destijds geldende erkenning van eiser verlopen.

1.6.

Op 28 september 2018 heeft eiser een nieuwe aanvraag voor een erkenning gedaan, begeleid door een verslag van een psychologisch onderzoek verricht door de heer drs. H.S. ten Voorde van 7 september 2018. Bij besluit van 10 december 2018 heeft de korpschef deze aanvraag afgewezen. Ook dat besluit staat in rechte vast.

1.7.

Vervolgens heeft eiser op 10 juni 2019 wederom een nieuwe aanvraag voor een erkenning gedaan. Daarbij heeft hij een rapport gevoegd van psychiater R. Leta van 13 januari 2019. Die concludeert dat hij geen psychiatrische stoornis of persoonlijkheidsstoornis heeft kunnen vaststellen en dat er geen psychiatrische redenen zijn om te denken aan gevaar, indien eiser vuurwapens zou bezitten als erkenninghouder. Deze aanvraag heeft geleid tot de besluitvorming zoals hierboven onder ‘Procesverloop’ is weergegeven.

Het bestreden besluit

2. Door middel van het bestreden besluit heeft de minister het primaire besluit gehandhaafd. De minister heeft in de volgende overwegingen aangehaald op grond waarvan de korpschef twijfelt of het voorhanden hebben van wapens en munitie aan eiser kan worden toevertrouwd. De korpschef heeft overwogen dat uit het op 11 juli 2016 opgemaakte mutatierapport is gebleken dat de verbalisanten van oordeel waren dat eiser die dag labiel overkwam en zij de situatie dusdanig zorgelijk vonden dat zij eiser ter observatie naar het politiebureau hebben overgebracht. Eiser is ook beoordeeld door de crisisdienst, die heeft teruggekoppeld dat eiser labiel was. Hierdoor is bij de korpschef twijfel ontstaan over de psychische toestand van eiser en of het verantwoord is om eiser over wapens en munitie te laten beschikken.

Verder blijkt volgens de korpschef uit mutatierapporten van 3, 4 en 5 oktober 2016 alsmede uit de brieven van de korpschef van 14 en 30 september 2016 dat in de periode na 11 juli 2016 diverse afspraken met eiser zijn gemaakt over het verstrekken van een toereikende verklaring over zijn psychische gesteldheid, de toegang voor de politie tot het pand van eiser, zijn medewerking bij het praktisch afwikkelen van de verlopen erkenning en de daarna geweigerde aanvraag tot erkenning. Eiser is deze afspraken volgens de korpschef echter niet nagekomen en hij heeft daarbij zelfregulerend en onvoorspelbaar gedrag vertoond waarbij de indruk is ontstaan dat hij zich regelmatig willoos heeft laten leiden door zijn toenmalige belangenbehartiger. De houding en het gedrag van eiser acht de korpschef niet passend voor iemand die als toekomstig erkenninghouder een centrale positie inneemt bij de verspreiding van wapens en munitie. Dit maakt dat de korpschef eens te meer twijfelt of het aan eiser voorhanden hebben van wapens en munitie kan worden vertrouwd. De door eiser overgelegde rapportage van psychiater Leta kan niet tot een andere uitkomst leiden.

Het standpunt van eiser

3. Eiser voert aan dat de gegeven motivering het bestreden besluit niet kan dragen wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Eiser stelt zich op het standpunt dat de door de minister gestelde twijfel niet gebaseerd is op een objectief toetsbare motivering, maar op subjectieve indrukken van politieambtenaren die in zijn algemeenheid niet deskundig zijn op het gebied van psychologie of aanverwante gebieden. Ook wijst eiser erop dat de aanleiding voor de melding een onjuiste bleek, aldus de latere verklaring van eisers ex-echtgenote. Zij heeft kort na de gebeurtenissen op 10 juli 2016 verklaard in het telefoongesprek op 10 juli 2016 eisers opmerkingen verkeerd te hebben begrepen. Die verkeerde interpretatie blijkt leidend te zijn geweest voor de weging en beschrijving van de toestand van eiser.

Verder wijst eiser erop dat hij van 10 tot 11 juli 2016 een nacht op het politiebureau heeft moeten doorbrengen na de instap van een arrestatieteam in zijn bedrijfspand, wat begrijpelijkerwijs ook zijn weerslag heeft gehad op zijn gemoedstoestand tijdens de beoordeling door de crisisdienst en in de dagen erna. De conclusie dat hij labiel zou zijn geweest, kan niet uit het verslag van de crisisdienst volgen. De term ‘labiel affect’ die daarin voorkomt duidt op de wisseling in expressie van emoties, niet op de geestesgesteldheid als zodanig. Al met al is het onverantwoord uit deze gebeurtenissen van 10-11 juli 2016 enige, laat staan (te) verregaande conclusies over eisers psychische gesteldheid te trekken. In dat licht is het voor eiser dan ook onbegrijpelijk dat de minister voorbij gaat aan de inhoud en de conclusies van het rapport van psychiater Leta en dat geen waarde wordt gehecht aan het feit dat eiser niet onder behandeling is van een psycholoog of psychiater. Dit klemt temeer nu de gebeurtenissen van juli 2016 inmiddels bijna vier jaar geleden zijn. Ook wijst eiser erop dat de korpschef na de gebeurtenissen van 10 juli 2016 eisers toen nog geldende erkenning niet heeft ingetrokken.

Eiser merkt nog op dat zijn gestelde gedrag rondom beweerdelijke afspraken met de politie noch afzonderlijk noch in samenhang met overige omstandigheden, voldoende grond vormt voor de weigering. Eisers handelswijze is allesbehalve als impulsief of onvoorspelbaar te kwalificeren. Eiser liet zich immers adviseren, wat aantoont dat hij zich welbewust is van zijn positie en daarin weloverwogen stappen wenste te nemen.

De beoordeling door de rechtbank

4. De toepasselijke wettelijke bepalingen en beleidsregels zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

5. De rechtbank is met eiser van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet zorgvuldig is voorbereid en in strijd met artikel 7:26, eerste lid, van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank licht dat oordeel hieronder toe.

5.1.

De in het bestreden besluit gehandhaafde afwijzing van eisers aanvraag voor een erkenning is gebaseerd op de beoordeling van de psychische gesteldheid van eiser. In de Circulaire wapens en munitie 2019 (de Circulaire) staat dat als de aanvrager in tegenstelling tot de korpschef van mening is dat het voorhanden hebben van wapens en munitie wel aan hem kan worden toevertrouwd hij dit dient aan te tonen met een schriftelijke verklaring van een arts/psychiater. Uit deze verklaring moet duidelijk blijken dat de arts/psychiater bekend is met de problemen van betrokkene en dat deze niet (langer) een belemmering vormen om aan betrokkene een vergunning te verlenen voor het voorhanden hebben van (vuur)wapens. Een dergelijke verklaring wordt dan in de beoordeling betrokken, maar daaraan hoeft niet altijd doorslaggevende betekenis te worden toegekend. Dat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

5.2.

De rechtbank stelt voorop dat de minister zich bij het nemen van het bestreden besluit een oordeel heeft gevormd over de psychische gesteldheid van eiser op het moment dat dit besluit werd genomen, te weten op 30 maart 2020. De minister kan in algemene zin worden gevolgd in zijn betoog dat uit vaste rechtspraak volgt dat uit de in de mutatierapporten van de politie neergelegde bevindingen de conclusie kan worden getrokken dat een betrokkene niet met wapens en munitie kan worden toevertrouwd, ook als dat neerkomt op een oordeel over de psychische gesteldheid van een aanvrager. De minister heeft verder, met verwijzing naar vaste rechtspraak, terecht overwogen dat tegen de achtergrond van het grote maatschappelijke veiligheidsbelang reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de erkenning voldoende reden om die te weigeren, op voorwaarde dat deze twijfel onderbouwd wordt en objectief toetsbaar is.1

5.3.

Eiser was door de eerdere besluitvorming omtrent zijn (aangevraagde) erkenning van de twijfels van het bevoegd gezag over zijn psychische gesteldheid op de hoogte. Daarom heeft hij reeds bij zijn aanvraag een rapport van psychiater Leta overgelegd. Deze psychiater is eiser eerder door de korpschef aanbevolen vanwege diens deskundigheid op het gebied van de psychiatrische beoordeling van aanvragen zoals hier aan de orde. Het rapport van psychiater Leta is, zo volgt uit de samenvatting van de context en de gestelde onderzoeksvragen, opgesteld met het oogmerk om te beoordelen of eiser geschikt is om vuurwapens te bezitten als erkenninghouder. Psychiater Leta heeft kennisgenomen van diverse medische informatie, waaronder het verslag van de crisisdienst van 11 juli 2016. Ook heeft hij met diverse personen gesproken, waaronder uiteraard eiser, maar ook met de vriendin die op 10 juli 2016 met eiser aanwezig was in het bedrijfspand van eiser toen de politie daar binnentrad. Psychiater Leta concludeert dat hij bij eiser geen psychiatrische stoornis of persoonlijkheidsstoornis kon vaststellen, zowel actueel als ten tijde van het incident op 10 juli 2016. Op de vraag of er psychiatrische redenen zijn om te denken aan gevaar als eiser vuurwapens zou bezitten als erkenninghouder, antwoordt psychiater Leta (waarbij hij eiser betrokkene noemt):

Nee, bij betrokkene wordt geen relevante psychopathologie aangetroffen, met name geen risicosymptomen als suïcidaliteit, verlaagde realiteitszin of impulsiviteit. Daarnaast werden geen aanwijzingen gevonden voor een gestoorde ontwikkeling van de persoonlijkheid. Hij heeft steeds stabiel gefunctioneerd gedurende zijn volwassen leven. Bij de verschillende life-events die hij heeft doorgemaakt, waaronder een van de grootst denkbare beproevingen, het verlies van een kind, heeft hij getoond over voldoende veerkracht te beschikken. Dit overwegende acht de rapporteur betrokkene niet een verhoogd risico, actueel of in de voorzienbare toekomst, indien hij een vuurwapen zou bezitten als erkenninghouder.

5.4.

De rechtbank overweegt dat de Circulaire voorziet in de situatie zoals hier aan de orde, waarin de aanvrager en de erkenningverlener van opvatting verschillen over de psychische gesteldheid van de aanvrager. In dat geval is een verklaring benodigd van een arts of psychiater die ook bekend is met de problemen die voor de erkenningverlener reden zijn om aan de psychische gesteldheid van de aanvrager te twijfelen. Het hiervoor genoemde rapport van psychiater Leta voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan deze voorwaarden. Weliswaar staat ook in de Circulaire dat aan een dergelijke verklaring niet altijd doorslaggevende betekenis hoeft te worden toegekend, maar uit die formulering (en met name het gebruik van de woorden ‘niet altijd’) volgt naar het oordeel van de rechtbank dat aan de verklaring wel een zwaar gewicht moet worden toegekend. Als de minister zich op het standpunt stelt dat een de verklaring niet kan worden gevolgd, zal hij daarom moeten onderzoeken en gemotiveerd inzichtelijk moeten maken dat het overgelegde rapport waarin tot de verklaring is geconcludeerd niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, inconsequenties bevat, onvoldoende is gemotiveerd of anderszins niet voldoet aan de aan dergelijke rapporten te stellen eisen.2 Dat onderzoek heeft de minister thans ten onrechte in het geheel niet verricht en überhaupt heeft hij niet gemotiveerd waarom het rapport op de genoemde punten tekort zou schieten. Het bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.

5.5.

De minister heeft in het bestreden besluit gesteld dat onomstotelijk is komen vast te staan dat ten aanzien van eiser sprake is (geweest) van een wisselende emotionele gesteldheid, somberheid en relationele problemen. De minister heeft zijn standpunt slechts onderbouwd met verwijzing naar de mutatierapporten van de politie en de rapportage van de crisisdienst over wat op 10 en 11 juli 2016 en vervolgens begin oktober 2016 is voorgevallen. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank niet deugdelijk gemotiveerd hoe uit die gegevens moet volgen dat op 30 maart 2020, (ruim) drieënhalf jaar na dato, de psychische gesteldheid van eiser (nog altijd) maakt dat hem het bezit van wapens en munitie niet kan worden toevertrouwd. Dat klemt temeer omdat psychiater Leta in een beduidend meer recent rapport, zoals hiervoor uiteengezet, tot een ander oordeel komt. De stelling van de minister dat eiser over een langere periode dient aan te tonen dat zijn psychische gesteldheid niet meer aan het bezit van wapens en munitie in de weg staat, is verder niet op de onder 5.2. genoemde objectief toetsbare gegevens gebaseerd. De rechtbank betrekt daarbij dat de minister, ook desgevraagd op de zitting, niet heeft kunnen aangeven hoe lang die periode zou moeten bedragen. Het bestreden besluit is ook om wat hiervoor is overwogen niet deugdelijk gemotiveerd.

5.6.

De rechtbank kan tot op zekere volgen dat de minister eiser een verwijt maakt als het gaat om het niet willen laten verrichten van een psychiatrisch onderzoek waartoe hij zich destijds door middel van de overeenkomst van 20 juli 2016 had verplicht. Dat geldt ook voor de gebeurtenissen in oktober 2016, waarbij eiser bij de inbewaringstelling van de wapens niet meewerkend is geweest en de gang van zaken gefrustreerd heeft. Daar staat tegenover dat eiser, zoals hij op de zitting heeft toegelicht, vanaf juli 2016 werd geconfronteerd met een voor hem volledig onbekende situatie waarin zijn erkenning en daarmee het voortbestaan van zijn onderneming op het spel kwam te staan. Eiser heeft toen een jurist als gemachtigde in de arm genomen die zichzelf profileerde als deskundige op het gebied van Wwm-besluiten. Eiser heeft vervolgens gehandeld op basis van de adviezen van deze gemachtigde. Die zou hem hebben geadviseerd geen nader psychiatrisch onderzoek te ondergaan, omdat dit al op 11 juli 2016 was verricht door de crisisdienst. Ook bij de gebeurtenissen in oktober 2016 heeft hij zich telkens door zijn gemachtigde laten adviseren, zoals ook uit de mutatierapporten van de politie blijkt. Eiser heeft voor het eerst twijfels gekregen over de deskundigheid van deze gemachtigde, toen die eiser medio oktober 2016 zou hebben geadviseerd om zijn onderneming gewoon voort te zetten zonder erkenning. Eiser heeft toen ook direct naar die twijfel gehandeld en afstand genomen van zijn toenmalige gemachtigde. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze verklaring van eiser te twijfelen. Gelet hierop verwijt de minister eiser onterecht dat hij zelfregulerend heeft opgetreden. Eiser heeft in juli 2016 gedaan wat van iemand in zijn situatie verwacht mag worden: advies inwinnen van een deskundige en naar die adviezen handelen. Niet gezegd kan worden dat de door de toenmalige gemachtigde gegeven adviezen voor eiser als niet-deskundige op dat moment al kennelijk onjuist waren waardoor eiser die in redelijkheid niet had mogen opvolgen. Verder heeft eiser op het moment dat die situatie zich wel voordeed, te weten toen de toenmalige gemachtigde adviseerde de onderneming zonder erkenning te openen, daar direct naar gehandeld door afstand van hem te nemen. Dat eiser willoos naar de adviezen van zijn toenmalige gemachtigde heeft gehandeld, kan daarom evenmin worden gezegd. Door anders te overwegen heeft de minister het bestreden besluit ook op deze punten niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.

5.7.

Gelet op wat hiervoor is overwogen kan het bestreden besluit niet in stand blijven. De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien, omdat nader onderzoek door de minister noodzakelijk is zoals hiervoor uiteengezet onder 5.4.

6. Met het oog op het nemen van een nieuwe beslissing op het administratief beroep, merkt de rechtbank nog het volgende op. De minister heeft op de zitting aangegeven in administratief beroep getoetst te hebben of de korpschef het primaire besluit terecht heeft genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich daarmee beperkt tot slechts het geven van een rechtmatigheidsoordeel over het primaire besluit, wat ook volgt uit de opbouw van het bestreden besluit dat goeddeels een reactie betreft op de door eiser aangevoerde beroepsgronden. De rechtbank wijst erop dat de minister in administratief beroep op grond van artikel 7:25 van de Awb in beginsel een volle toetsing op recht- en doelmatigheid moet verrichten, tenzij de aard van de bevoegdheid meebrengt dat daarbij enige terughoudendheid in acht moet worden genomen.3 Mocht de minister zich willen (blijven) beperken tot een beperkte toetsing op rechtmatigheid, dan zal hij dat moeten motiveren.

7. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,– (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,– en een wegingsfactor 1). Ook moet de minister het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het administratief beroep met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 178,– aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,–.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.L. Verbruggen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 12 november 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage: wettelijk kader en beleid

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 7:25

Voor zover het beroepsorgaan het beroep ontvankelijk en gegrond acht, vernietigt het het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

Artikel 7:26

  1. De beslissing op het beroep dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:17 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.

  2. (…)

Wet wapens en munitie

Artikel 7

1. De in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven en ontheffingen worden, onverminderd de bijzondere gronden tot weigering daarvan en onverminderd verordening (EU) nr. 258/2012, geweigerd indien:

  1. de aanvrager niet de door Onze Minister bij regeling vastgestelde gegevens en bescheiden heeft overgelegd;

  2. de aanvrager, of de beheerder bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, in de acht jaren voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 92, 95, 95a, 108 tot en met 110, 115 tot en met 117, 121, 121a, 123 tot en met 124a, 131, 140 tot en met 141a, 142, 157, 164, 166, 168, 170, 179, 180, 242 tot en met 247, 248f, 249, 250, 273f, 274, 279, 281 tot en met 282b, 284 tot en met 285b, 287 tot en met 292, 300 tot en met 303, 307, 312, 317, 350, 352 of 381 tot en met 387 van het Wetboek van Strafrecht, of wegens het plegen van een misdrijf op grond van de Wet wapens en munitie of op grond van de Opiumwet;

  3. er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd;

(…)

Artikel 10

1. Een erkenning wordt geweigerd indien:

  1. de aanvrager of, indien deze een bedrijf uitoefent, de beheerder, niet voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen met betrekking tot leeftijd, zedelijk gedrag en vakbekwaamheid;

  2. de ruimte waarin de handelingen worden verricht niet voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen van beveiliging; of

  3. er reden is om te vrezen dat aan de beheerder het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd.

2. Voor de bij regeling van Onze Minister te onderscheiden categorieën van erkenningen kunnen verschillende eisen worden vastgesteld.

Circulaire wapens en munitie 2019

Paragraaf B1.2

(…)

Psychische gesteldheid

In beginsel is het niet verantwoord om aan iemand die – door oorzaken van zowel interne, als externe aard – onder sterke psychische druk staat, wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of (bijvoorbeeld) alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen. In het bezit van een vuurwapen zou de vergunninghouder een gevaar zijn voor zichzelf en voor de openbare orde en veiligheid. Indien de aanvrager of vergunninghouder – in tegenstelling tot de korpschef – van mening is dat het voorhanden hebben van wapens en munitie wel aan hem kan worden toevertrouwd dan dient hij dit aan te tonen middels een schriftelijke verklaring van een arts/psychiater. Uit deze verklaring moet duidelijk blijken dat de arts/psychiater bekend is met de problemen van betrokkene en dat deze niet (langer) een belemmering vormen om aan betrokkene een vergunning te verlenen voor het voorhanden hebben van (vuur)wapens. Een dergelijke verklaring wordt dan in de beoordeling betrokken, maar daaraan hoeft niet altijd doorslaggevende betekenis te worden toegekend. Dat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo mag van iemand die recent nog onder behandeling was in verband met zijn psychische gesteldheid, worden verwacht dat hij over een langere periode aantoont dat zijn psychische gesteldheid niet meer aan het bezit van wapens en munitie in de weg staat.

Risicofactoren betreffende de psychische gesteldheid van aanvragers of houders van een wapenverlof met het oog op potentieel misbruik van een (legaal) vuurwapen zijn:

• Klinische factoren (psychische stoornis, verslaving, gedwongen opname, forensische zorg en suïcidale gedachten);

• Stressvolle omstandigheden (problemen in relationele sfeer, problemen in de arbeidssfeer of opleiding, gebrekkig sociaal steunsysteem en stressvolle levensomstandigheden);

• Specifieke kenmerken van de aanvrager (agressie, crimineel gedrag, impulsiviteit en zelfregulatie, zelfstandige handelingsbekwaamheid, fascinatie voor geweld, extreme uitingen en/of uitingen van radicalisering).

Deze risicofactoren worden in het aanvraagproces in ieder geval meegewogen. Daarbij gaat het niet zozeer om de klinische kant van de psychische aandoening, maar veel meer om het risico dat de aandoening inhoudt voor risicovol gedrag.

(…).

1 ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2440, en ABRvS 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1305.

2 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 30 januari 2014, ECLI:NL:TGZCTG:2014:17.

3 ABRvS 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2866.