Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:5482

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-11-2020
Datum publicatie
24-03-2021
Zaaknummer
19/597
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/597

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Drossaert).

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat de loonaanvullingsuitkering van eiser eindigt op 1 december 2018 en dat hij vanaf deze datum in aanmerking komt voor een vervolguitkering.

Bij besluit van 9 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en vastgesteld dat de loonaanvullingsuitkering van eiser ongewijzigd doorloopt.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser ontving tot 20 oktober 2018 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en vanaf deze datum een WGA-loonaanvullingsuitkering. Het arbeidsongeschiktheidspercentage bedroeg 80 tot 100%. Bij besluit van 8 september 2017 stelde verweerder vast dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser wijzigde naar 68,35%. Eiser stelde beroep in tegen dat besluit en dat werd ongegrond verklaard.

Het bestreden besluit

2. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage ertoe leidt dat er een resterende verdiencapaciteit geldt en eiser te maken krijgt met de zogenoemde inkomenseis. Omdat eiser voorheen volledig arbeidsongeschikt was gaat de inkomenseis voor hem pas gelden na 24 maanden. Eerst op 8 september 2017 is eiser geïnformeerd over zijn verminderde arbeidsongeschiktheid, zodat de inkomenseis voor eiser pas vanaf 1 oktober 2019 gaat gelden. Hij wordt daar tegen die tijd nog nader over geïnformeerd. Dit betekent dat de uitkering van eiser ook vanaf 1 december 2018 ongewijzigd doorloopt op basis van een loonaanvullingsuitkering.

Het standpunt van eiser

3. Eiser voert – kort samengevat – aan dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het motiveringsbeginsel. Er heeft ten onrechte geen hoorzitting plaatsgevonden. Ook heeft er ten onrechte geen medisch en arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. Dit onderzoek had wel moeten plaatsvinden. Als eiser namelijk volledig en duurzaam arbeidsongeschikt wordt bevonden, moet een uitkering van 75% in plaats van 70% aan hem worden toegekend. Als onderbouwing van dit standpunt heeft eiser een medische rapportage van dr. M.E. Sewnath, orthopeed, en

drs. A.H.M. Bernaert, medisch adviseur ingediend.

Het oordeel van de rechtbank

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de bezwaarprocedure af mocht zien van het horen van eiser. Verweerder heeft namelijk op 9 januari 2019 telefonisch gesproken met de gemachtigde van eiser en de gemachtigde is ermee akkoord gegaan dat er geen hoorzitting wordt gehouden. De rechtbank vat dat op als een verklaring van eiser in de zin van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat hij geen gebruik wil maken van het recht gehoord te worden. Bovendien is met het bestreden besluit volledig tegemoetgekomen aan het bezwaar, zodat verweerder ook op grond van artikel 7:3, aanhef en onder e, van de Awb mocht afzien van een hoorzitting.

5. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet met zich brengt dat verweerder een nieuw medisch en/of arbeidsdeskundig onderzoek had moeten laten plaatsvinden. Het bestreden besluit vloeit namelijk voort uit het besluit van 8 september 2017. Toen heeft een medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden en dat was bij de overgang van de loongerelateerde uitkering naar de loonaanvullingsuitkering. In het besluit van 8 september 2017 had verweerder zich uit moeten laten over de gevolgen van de wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage voor de uitkering van eiser en de termijn van 24 maanden moeten noemen. Met het bestreden besluit heeft verweerder dat gerepareerd. In het bestreden besluit is geen sprake van een omzetting van de loonaanvullingsuitkering naar een vervolguitkering, zodat een nieuw medisch en arbeidsdeskundig onderzoek niet aan de orde is. Bovendien geldt de inkomenseis pas vanaf 1 oktober 2019 voor eiser. Op de datum van het bestreden besluit ligt die datum nog in de toekomst, zodat ten tijde van het bestreden besluit ook nog geen medisch en arbeidskundig onderzoek gedaan kon worden naar de arbeidsongeschiktheid van eiser op 1 oktober 2019. Ten slotte heeft eiser zich na 8 september 2017 niet toegenomen arbeidsongeschikt gemeld, zodat verweerder ook geen aanleiding had voor een nieuwe beoordeling van de arbeidsongeschiktheid. Eiser heeft dat pas in beroep gedaan en verweerder heeft die melding terecht doorgeleid naar de primaire afdeling, zodat verweerder het verzoek tot herziening en herbeoordeling kan afhandelen. De rechtbank deelt het standpunt van eiser dat hem tekort wordt gedaan doordat bij het bestreden besluit geen medisch en arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden dan ook niet.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C.W. Emmen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 6 november 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Centrale Raad van Beroep.