Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:5404

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
09-11-2020
Zaaknummer
362845 KG ZA 20-550
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

executiegeschil, opheffing beslag, vordering afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/362845 / KG ZA 20-550

Vonnis in kort geding van 4 november 2020

in de zaak van

[eiser] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

eiser,

advocaat mr. B.P.J. Tillemans te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

VAN LANSCHOT KEMPEN WEALTH MANAGEMENT N.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaat mr. S. Winkels-Koerselman te Best.

Partijen zullen hierna [eiser] en Van Lanschot genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 september 2020 met 14 producties

  • -

    de akte houdende eiswijziging, tevens overlegging producties met producties 1 en 15 t/m 25

  • -

    de akte inbrengen producties van Van Lanschot met 7 producties

  • -

    de mondelinge behandeling via een skypeverbinding op 28 oktober 2020

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van Van Lanschot.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Van Lanschot heeft in 2002 en in de jaren daarna (tot medio juli 2008) aan [eiser] diverse hypothecaire geldleningen verstrekt van in totaal € 2.668.653,40 (hierna: de lening). Hiermee heeft [eiser] onder meer het woonhuis gelegen aan de [adres 1] , het appartement aan de [adres 2] en het appartement aan het [adres 3] gefinancierd.

2.2.

Bij brief van 14 december 2010 heeft Van Lanschot de lening van [eiser] opgezegd en opgeëist.

2.3.

Van Lanschot is vervolgens overgegaan tot openbare verkoop van de aan haar verhypothekeerde onroerende zaken. Na openbare verkoop resteerde voor [eiser] nog een restschuld van € 1.608.925,61 exclusief rente en kosten.

2.4.

Bij vonnis van 14 november 2012 van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: het vonnis) is [eiser] bij verstek veroordeeld tot – kort gezegd – betaling van in hoofdsom een bedrag van € 1.624.036,65, te vermeerderen met de wettelijke rente alsmede met de beslag-, proces- en nakosten. Het vonnis is op 29 november 2012 aan [eiser] betekend.

2.5.

Ter voorkoming van executiemaatregelen is vervolgens tussen Van Lanschot en [eiser] op 14 juni 2016 een vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) gesloten om afspraken te maken over de voldoening van de vordering van ruim € 1,6 miljoen uit hoofde van het vonnis van 14 november 2012.

De inhoud van de VSO luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…) Artikel 1: Financieel

  1. Ter voldoening van de vastgestelde restantvordering ad € 1.624.036,65, te vermeerderen met de wettelijke rente (…) alsmede met de beslag-, proces- en nakosten (…) voldoet de heer [eiser] aan Van Lanschot een bedrag van € 100.000,- ineens.

  2. Betaling van (…) € 100.000,- zal binnen drie maanden na ondertekening van deze overeenkomst ineens worden gedaan (…)

Artikel 2: Additionele betaling

  1. Indien de heer [eiser] vanaf 1 januari 2018 tot en met 31 december 2022 in enig jaar of in al die jaren een inkomen verwerft van meer dan (in totaal) € 150.000,- bruto per jaar, dan zal c.q. zullen (één of meer) additionele betaling(en) plaatsvinden, te weten elk jaar dat de heer [eiser] een inkomen heeft verworven van (in totaal) € 150.000,- bruto of meer.

  2. A. De additionele betaling bedraagt 25% van het bruto inkomen in enig jaar indien het inkomen in dat jaar (in totaal) € 150.000,- tot € 200.000,- bruto bedraagt.

B. De additionele bedraagt 30% van het bruto inkomen in enig jaar indien het inkomen in dat jaar (in totaal) € 200.000,- bruto of meer bedraagt (…)

6. Of de additionele vergoeding verschuldigd is, zal jaarlijks door Van Lanschot worden vastgesteld, na ontvangst door Van Lanschot Bankiers van onder meer de jaaropgaven en de jaarlijkse aangifte IB (…)

7. Indien een additionele betaling over enig jaar verschuldigd is, zal betaling daarvan plaatsvinden uiterlijk op 31 juli van het jaar volgende op het jaar waarover de additionele betaling verschuldigd is aan Van Lanschot (…)

Artikel 5: Informatieplicht

  1. De heer [eiser] spant zich in om zoveel als mogelijk inkomsten in een jaar te genereren en zal Van Lanschot periodiek informeren over zijn financiële situatie (…)

  2. Tot zekerheid althans ter controle van de totale inkomsten in enig jaar verplicht de heer [eiser] zich om Van Lanschot jaarlijks te informeren over zijn totale inkomsten (…) onder meer door overlegging van jaaropgaven waaruit de inkomsten blijken alsmede een afschrift van de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2016 tot en met 2022, en wel steeds uiterlijk op 15 mei in het op enig jaar volgende kalenderjaar (…)

Artikel 7: Ontbinding (…)

1. In het geval dat de heer [eiser] de in artikel 1 en/of 2 opgenomen betalingsregeling niet, niet tijdig of niet geheel nakomt, is Van Lanschot gerechtigd deze overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, zulks na de heer [eiser] behoorlijk in gebreke te hebben gesteld. Alsdan kan Van Lanschot aanspraak maken op al hetgeen zij van de heer [eiser] uit hoofde van het vonnis van 14 november 2012 van de heer [eiser] te vorderen heeft, onder aftrek van de in het kader van deze overeenkomst reeds ontvangen betalingen (…)”.

2.6.

Tijdens de onderhandelingen over de inhoud van de tussen partijen gesloten VSO heeft [eiser] zich laten bijstaan c.q. laten adviseren door de heer [financieel adviseur eiser] (financieel adviseur).

2.7.

Op 16 januari 2019 heeft [eiser] voor een maximum bedrag van € 1.012.500,00 ten gunste van de Rabobank een hypotheek verschaft op een appartement in [woonplaats] .

2.8.

Bij brieven van 10 juli 2019 en 13 augustus 2019 (overgelegd als producties 4 en 5 van de zijde van Van Lanschot) heeft Van Lanschot [eiser] aangeschreven met het verzoek om de IB-aangifte alsmede de jaaropgaven over 2018 te verstrekken. Na diverse herinneringen heeft [eiser] deze verstrekt. Hieruit is gebleken dat [eiser] in 2018 meer dan € 150.000,00 heeft verdiend. Bij brief van 26 augustus 2019 heeft Van Lanschot [eiser] – onder verwijzing naar artikel 2 van de VSO – gesommeerd tot betaling van € 38.974,75 (25% over een bruto jaarinkomen van € 155.899,00).

2.9.

Bij e-mail van 27 augustus 2019 heeft [financieel adviseur eiser] namens [eiser] gereageerd op voornoemde brief van Van Lanschot. Kort samengevat heeft [financieel adviseur eiser] meegedeeld dat [eiser] het geld niet heeft om de additionele betaling aan Van Lanschot te voldoen.

2.10.

Naderhand hebben partijen diverse gesprekken met elkaar gevoerd en ook hebben zij nog uitvoerig gecorrespondeerd via e-mail over de financiële verplichtingen van [eiser] jegens Van Lanschot en over de wijze waarop deze zouden moeten worden voldaan. Op 16 maart 2020 heeft Van Lanschot een voorstel gedaan om het bedrag van € 38.974,75 in te lossen, rekening houdend met de financiële situatie van [eiser] . Het voorstel kwam er op neer dat [eiser] met ingang van 1 april 2020 maandelijks € 500,00 zou voldoen aan Van Lanschot, welk bedrag met ingang van 1 mei 2021 zou worden verhoogd tot € 3.000,00 per maand totdat het bedrag volledig is ingelost.

2.11.

[financieel adviseur eiser] heeft vervolgens namens [eiser] op 29 maart 2020 laten weten in te kunnen stemmen met dit voorstel, met dien verstande dat [eiser] vanaf mei 2021 in plaats van € 3.000,00 minimaal € 2.000,00 aan Van Lanschot wenst te voldoen.

2.12.

Per e-mail van 30 maart 2020 heeft Van Lanschot gevraagd om de jaaropgaven 2019 en de IB-aangifte 2019, alvorens op het (tegen)voorstel van [eiser] in te gaan. Op 6 april 2020 heeft Van Lanschot hiervoor een herinnering gestuurd, omdat zij nog niets van [eiser] had ontvangen. Op 7 april 2020 heeft [financieel adviseur eiser] namens [eiser] de gevraagde informatie alsnog verstrekt.

2.13.

Op 8 april 2020 heeft Van Lanschot aan [financieel adviseur eiser] meegedeeld dat ook uit de jaaropgave van 2019 kan worden afgeleid dat [eiser] in dat jaar meer dan € 150.000,00 heeft verdiend en dat dit zou betekenen dat zij opnieuw een bedrag van hem te vorderen heeft. Om een goed beeld te krijgen van de totale financiële situatie van [eiser] heeft Van Lanschot gevraagd om toezending van zijn financiële gegevens. Omdat Van Lanschot die gegevens op 1 mei 2020 nog niet had ontvangen, heeft zij weer een herinnering verstuurd.

2.14.

Op 6 mei 2020 heeft [financieel adviseur eiser] een budgetoverzicht aan Van Lanschot doen toekomen (productie 14 van de zijde van [eiser] ). Omdat hieruit kon worden afgeleid dat de uitgaven van [eiser] hoger zijn dan de inkomsten, heeft Van Lanschot vervolgens gevraagd hoe [eiser] dit gaat oplossen.

2.15.

Nadat partijen uitvoerig met elkaar hebben gecorrespondeerd, zonder dat dit heeft geresulteerd in concrete afspraken, heeft Van Lanschot [eiser] bij brief van 6 juli 2020 in gebreke gesteld conform het bepaalde in artikel 7 lid 1 van de VSO. In die brief is [eiser] een termijn van twee weken gegund om de additionele betaling van € 38.974,75 – die reeds op 31 juli 2019 moest zijn voldaan – alsnog te voldoen. Verder heeft Van Lanschot [eiser] verzocht om – uiterlijk op 31 juli 2020 – over te gaan tot betaling van de additionele vergoeding over 2019, zijnde een bedrag van € 44.723,75.

2.16.

Bij brief van 20 juli 2020 heeft [eiser] bij monde van zijn advocaat gereageerd op de ingebrekestelling van 6 juli 2020 en zich op het standpunt gesteld dat hij op grond van de VSO een ander bedrag aan Van Lanschot is verschuldigd. Hij heeft dat onderbouwd aan de hand van de volgens hem geldende partijbedoeling. Volgens [eiser] moet artikel 2 van de VSO namelijk zodanig worden uitgelegd, dat:

a. indien en voor zover [eiser] in de periode 2018 tot 2022 een inkomen zou verwerven van meer dan € 150.000,00 bruto per jaar een additionele betaling zal plaatsvinden van:

1) 25% na belasting van het meerdere (> € 150.000,00 bruto) indien het inkomen in een betreffend jaar € 150.000,00 tot € 200.000,00 bruto zou bedragen, en;

2) 30% na belasting van het meerdere (> € 200.000,00 bruto), indien het inkomen in enig jaar € 200.000,00 of meer zou bedragen. Hiermee rekening houdende is [eiser] over 2018 een bedrag verschuldigd van € 737,00 en over 2019 een bedrag van € 3.611,00.

2.17.

Op 25 augustus 2020 heeft Van Lanschot een bedrag van € 500,00 ontvangen van [eiser] .

2.18.

Bij e-mail van 31 augustus 2020 heeft Van Lanschot de VSO met onmiddellijke ingang ontbonden (op grond van artikel 7 lid 1 van de VSO) en aangekondigd aanspraak te maken op al hetgeen zij te vorderen heeft uit hoofde van het verstekvonnis. Op diezelfde dag heeft zij op grond van het verstekvonnis executoriaal beslag laten leggen onder [A] en op 7 september 2020 onder het [B] . Beide beslagen hebben doel getroffen, zij het dat onder [B] ook al een beslag loopt van de belastingdienst.

2.19.

Bij brief van 8 september 2020 heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat Van Lanschot niet de bevoegdheid tot ontbinding van de VSO heeft, omdat [eiser] zijn verplichtingen uit de VSO stipt en tijdig is nagekomen en voor zover [eiser] al achterstallig is geweest in de betaling van hetgeen hij – in zijn visie – uit hoofde van de VSO wel aan Van Lanschot is verschuldigd (over 2018 en 2019 een totaalbedrag van € 3.848,00), in dat geval sprake is van een tekortkoming die gezien haar geringe betekenis ontbinding van de VSO niet rechtvaardigt. Tevens heeft [eiser] Van Lanschot aansprakelijk gesteld voor alle geleden schade en de nog te lijden schade als gevolg van de onrechtmatige beslagleggingen.

2.20.

Bij e-mail van 15 september 2020 heeft Van Lanschot iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert na wijziging van eis:

I. de door Van Lanschot krachtens het vonnis van de Rechtbank 's-Hertogenbosch d.d. 14 november 2012 gelegde executoriale beslagen onder de naamloze vennootschap [A] en de stichting [B] op te heffen, dan wel Van Lanschot te veroordelen voornoemde gelegde beslagen binnen twee dagen na dit vonnis op te heffen, op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom ter hoogte van € 5.000,00, althans een in goede justitie te bepalen hoogte, voor elke dag of deel van de dag dat Van Lanschot met opheffing van de gelegde beslagen in gebreke blijft;

II. Van Lanschot te verbieden de verdere executie van het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch d.d. 14 november 2012 jegens [eiser] ten uitvoer te leggen, althans zulks te verbieden zonder voorafgaand verlof van de voorzieningenrechter totdat een uitspraak in een bodemprocedure over de uitleg van de door partijen getroffen regeling in deze zaak in kracht van gewijsde is gegaan, op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom ter hoogte van € 50.000,00, althans een in goede justitie te bepalen hoogte;

III. Van Lanschot te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de kosten van de procedure, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit vonnis.

3.2.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van ondeugdelijkheid van het ingeroepen recht, nu er volgens hem sprake is van een beslaglegging voor een niet bestaande vordering, althans dat aan Van Lanschot niet de bevoegdheid tot ontbinding van de VSO toekomt, reden waarom de executoriale beslaglegging onder derden op ondeugdelijke gronden is geschied. De uitleg die Van Lanschot geeft aan het bepaalde in artikel 2 van de VSO is immers onjuist en doet bovendien geen recht aan de belangen van [eiser] .

Daarnaast kan [eiser] de betaling van het restantbedrag van € 3.848,00 alsnog zo spoedig mogelijk (na opheffing van het beslag) voldoen evenals de eventuele overige additionele betalingen over de resterende looptijd van de VSO, uitgaande van opheffing van de gelegde beslagen en onverkorte nakoming van de VSO door partijen met een uitleg die recht doet aan de belangen van beide partijen.

Ook stelt [eiser] zich op het standpunt dat het belang van opheffing van het beslag voor hem zwaarder weegt dan het belang van Van Lanschot bij handhaving daarvan. [eiser] is afhankelijk van zijn financiële middelen voor zijn levensonderhoud en de zorg voor zijn kinderen. Bovendien heeft Van Lanschot reeds binnen drie maanden na de totstandkoming van de VSO van [eiser] al een bedrag van € 100.000,00 ontvangen, waarvoor hij ook van een derde heeft moeten lenen en waarop hij tot op de dag van vandaag maandelijks nog € 2.500,00 aflost.

Verder maakt Van Lanschot misbruik van recht door het leggen van executoriaal derdenbeslag. Als gevolg hiervan wordt [eiser] immers ernstig belemmerd in de mogelijkheid om in zijn levensbehoeften (en die van zijn kinderen) te blijven voldoen, terwijl deze inbreuk een verband ontbeert met het te dienen belang van de beslaglegger. Van opeisbaarheid van de vordering zoals deze volgt uit het verstekvonnis is geen sprake, omdat Van Lanschot niet de bevoegdheid had om de VSO te ontbinden. Het beslag is dan ook onrechtmatig, waarmee vaststaat dat Van Lanschot de wet verkeerd toepast, althans op een dusdanige wijze toepast die de wetgever voor de regeling niet voor ogen had. Hiermee is aangetoond dat er sprake is van misbruik van recht.

Tot slot stelt [eiser] nog een spoedeisend belang bij zijn vordering te hebben, nu hij in financiële problemen is geraakt door de beslaglegging en nog verder in de problemen zal komen, als de beslaglegging wordt gehandhaafd. Het beslag heeft zo goed als het gehele maandelijkse inkomen van [eiser] getroffen, als gevolg waarvan lopende verplichtingen niet meer betaald zullen kunnen worden.

3.3.

Van Lanschot voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In het vonnis is [eiser] bij verstek veroordeeld tot betaling van € 1.624.036,65, te vermeerderen met rente en kosten. [eiser] heeft tegen het vonnis geen verzet aangetekend, zodat het vonnis onherroepelijk is geworden. Met de door hem ingestelde vordering(en) wil [eiser] de tenuitvoerlegging van het vonnis voorkomen. Daarmee is dit kort geding, zoals Van Lanschot terecht heeft aangevoerd, een executiegeschil in de zin van artikel 438 Rv. Omdat Van Lanschot tot beslaglegging is overgegaan, heeft [eiser] spoedeisend belang bij beoordeling van zijn vordering(en). [eiser] is dan ook ontvankelijk in zijn vordering(en).

4.2.

Aan de orde is dus de vraag of onder de omstandigheden van het geval de tenuitvoerlegging van voornoemde uitspraak ontoelaatbaar kan worden geacht, wat volgens [eiser] wel en wat volgens Van Lanschot juist niet het geval is.

4.3.

Uit het arrest Hotel-Restaurant De Zeester (ECLI:NL:HR:2019:2026) blijkt dat als een vordering in kort geding tot schorsing van de tenuitvoerlegging betrekking heeft op een uitspraak waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat, zoals in het onderhavige geval, de rechterlijke beslissing in beginsel steeds ten uitvoer kan worden gelegd. De rechter kan de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen dan slechts beëindigen of schorsen, indien hij van oordeel is dat sprake is van misbruik van de executiebevoegdheid. Daarvan kan volgens vaste rechtspraak sprake zijn als de executant (in dit geval Van Lanschot), mede gelet op de belangen van de geëxecuteerde (in dit geval [eiser] ) die zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van de na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (Hoge Raad 22 april 1983, NJ 1984/145; Ritzen/Hoekstra). Zie ook: Hoge Raad 22 december 2006, NJ 2007/173 (Schmidt/Thunnissen).

4.4.

Van een evidente misslag is pas sprake wanneer naar objectieve maatstaven buiten twijfel staat dat een beslissing onjuist is. Zie: Hoge Raad 13 maart 2020, NJ 2020/111 (Nijmegen/Hilzaco). Dat is in de onderhavige zaak niet het geval, althans gesteld noch gebleken is dat de rechterlijke beslissing berust op juridische of feitelijke misslagen, zodat dit aspect verder ook geen nadere bespreking behoeft.

4.5.

De vraag die dan dient te worden beantwoord is of Van Lanschot anderszins misbruik maakt van haar executiebevoegdheid.

4.6.

In dit verband heeft [eiser] onder meer aangevoerd, althans zo begrijpt de voorzieningenrechter uit zijn stellingen, dat van opeisbaarheid van de vordering zoals deze volgt uit het verstekvonnis geen sprake is. Partijen hebben immers na een lang onderhandelingstraject een VSO gesloten en afspraken gemaakt over de voldoening van die vordering juist ter voorkoming van executiemaatregelen. Volgens [eiser] heeft Van Lanschot de VSO op onjuiste gronden ontbonden, omdat zij een andere uitleg geeft aan het bepaalde in artikel 2 van de VSO (zie hiervoor onder 2.5) dan de bedoeling van partijen is geweest. Volgens Van Lanschot moet artikel 2 sub A en B zo worden gelezen dat [eiser] een additionele betaling dient te voldoen van 25 respectievelijk 30% van het bruto inkomen in enig jaar dat zijn inkomen in één of meer van de jaren 2018 tot en met 2022 (in totaal) € 150.000,00 tot € 200.000,00 bedraagt respectievelijk meer dan € 200.000,00. Die uitleg is volgens [eiser] echter helemaal niet logisch en bovendien buiten iedere proportie. De uitleg die Van Lanschot aan artikel 2 van de VSO geeft zou immers betekenen dat bij een bruto jaarinkomen van € 149.999,99 geen additionele betaling hoeft te worden voldaan, terwijl bij een bruto jaarinkomen van één cent meer opeens een bedrag van € 37.500,00 is verschuldigd. Dit resulteert volgens [eiser] in een uitgavenpatroon, dat 175% bedraagt ten opzichte van het inkomstenpatroon. Een opgave voor [eiser] , die voorshands – mede gelet op zijn maandelijkse vaste lasten die bekend zijn bij Van Lanschot – gedoemd is te mislukken. Omdat geen enkel weldenkend persoon zich zou willen dan wel zou kunnen committeren aan een betalingsverplichting als resultaat van de door Van Lanschot aan artikel 2 van de VSO gegeven uitleg, kan het niet anders zijn dan dat de uitleg die [eiser] geeft aan artikel 2 van de VSO de enige juiste is. Hiervan uitgaande moet het ervoor gehouden worden dat [eiser] zijn verplichtingen uit de VSO stipt en tijdig is nagekomen en voor zover hij al achterstallig is geweest ten aanzien van hetgeen hij – in zijn visie – uit hoofde van de VSO wel is verschuldigd, in dat geval sprake is van een tekortkoming van dusdanig geringe betekenis is, dat ontbinding van de VSO niet gerechtvaardigd is.

4.7.

Voorshands meent de voorzieningenrechter dat Van Lanschot art. 2 van de VSO juist uitlegt. De zinsnede in art. 2 VSO dat in het geval van een bruto inkomen van meer dan 150.000 (maar minder dan € 200.000 bruto) een additionele betaling van 25% van het bruto inkomen verschuldigd is, is niet voor misverstand vatbaar. De additionele betaling ziet niet (alleen) op het meerdere boven € 150.000 bruto maar op het bruto inkomen in enig referentiejaar. Wat de voorzieningenrechter betreft is deze uitleg van art. 2 VSO ook redelijk. Van Lanschot heeft krachtens het vonnis recht op een bedrag van € 1.624.036,65, te vermeerderen met de wettelijke rente alsmede met de beslag-, proces- en nakosten. Van [eiser] mag worden verwacht dat hij, naast het bedrag van € 100.000, in de overeengekomen periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2022 maximaal betalingen verricht in mindering op de in het vonnis vastgestelde schuld aan Van Lanschot.

4.8.

Ook voor zover in rechte zou moeten worden uitgegaan van de juistheid van de door [eiser] gegeven uitleg aan artikel 2 van VSO, kan – anders dan [eiser] heeft betoogd – uit de stellingen van partijen worden afgeleid dat [eiser] zijn verplichtingen uit de VSO niet behoorlijk is nagekomen.

Vastgesteld kan immers worden dat [eiser] in strijd met de VSO heeft nagelaten om uit eigener beweging uiterlijk op 15 mei 2019 zijn inkomensgegevens over het jaar 2018 te verstrekken aan Van Lanschot. Pas nadat Van Lanschot hierom bij brieven van 10 juli 2019 en 13 augustus 2019 heeft verzocht, is [eiser] hiermee alsnog over de brug gekomen. Als dan vervolgens aan [eiser] wordt meegedeeld dat hij op grond van die gegevens een additionele betaling aan Van Lanschot moet voldoen, laat hij blijkens de (in de dagvaarding onder 2.24 aangehaalde) e-mail van 24 september 2019 van [financieel adviseur eiser] – in strijd met de in artikel 5.1 van de VSO opgenomen inspanningsverplichting – aan Van Lanschot weten om onder zijn betalingsverplichting over 2019 uit te komen: “wij zijn bezig maatregelen te treffen dat 2019 onder de 150k blijft”. Zeer opmerkelijk is dan, zoals Van Lanschot terecht heeft aangevoerd, dat [eiser] in de periode die daarna volgt, de verschuldigdheid van de additionele betaling van € 38.974,75 over 2018 in feite niet betwist, maar enkel steeds aangeeft het bedrag niet (ineens) te kunnen voldoen. Eerst bij brief van 20 juli 2020 (productie 7 bij dagvaarding) heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat hij op grond van de VSO een geheel ander bedrag aan Van Lanschot is verschuldigd. Zelfs als dit standpunt al juist zou zijn, dan nog had de additionele betaling (volgens de berekeningen van [eiser] een bedrag van € 737,00 met betrekking tot 2018) op 31 juli 2019 moeten plaatsvinden en een bedrag van € 3.611,00 (met betrekking tot 2019) op 31 juli 2020. Daar waar Van Lanschot een substantiële vordering op [eiser] heeft, terwijl [eiser] pas op 25 augustus 2020 een betaling doet van slechts € 500,00, kan in het licht van het vorenstaande voorshands niet worden gezegd dat er sprake is van een geringe tekortkoming. Al met al is het dus niet heel aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geconcludeerd dat Van Lanschot niet de bevoegdheid had om de tussen partijen gesloten VSO te ontbinden.

4.9.

Dan resteert nog de vraag of er sprake is van na de rechterlijke beslissing aan het licht gekomen feiten die klaarblijkelijk aan de zijde van [eiser] een (financiële) noodtoestand doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

Hiervan is niet gebleken, althans niet in voldoende mate. [eiser] heeft enkel een gebrek aan draagkracht gesteld maar verder geen andere feiten en omstandigheden ter zake naar voren gebracht. De gestelde noodtoestand zou, naar [eiser] stelt, juist ontstaan ten gevolge van (de executie van) het vonnis en niet door na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten.

Als [eiser] , zoals door hem wordt gevreesd, al in staat van faillissement komt te verkeren als gevolg van een veroordelend vonnis dat wordt geëxecuteerd, levert die omstandigheid in ieder geval geen noodtoestand op. Dat doet immers onvoldoende af aan het gerechtvaardigde belang van Van Lanschot om zoveel mogelijk haar vordering trachten te innen.

Bovendien valt een en ander ook moeilijk te rijmen met de omstandigheid dat [eiser] zichzelf in deze situatie lijkt te hebben gebracht. Gebleken is namelijk dat [eiser] op 16 januari 2019 – dus na de totstandkoming van de VSO – een nieuwe hypothecaire geldlening is aangegaan, met een inschrijving van € 1.012,500,00 voor de bouw van een appartement. Uit het als productie 14 bij dagvaarding overgelegde maandoverzicht blijkt dat [eiser] op dit moment € 8.600,00 per maand aan inkomsten heeft, terwijl hij per maand aan huur en hypotheek in totaal € 4.092,00 betaalt. Zoals Van Lanschot terecht heeft aangevoerd, past dit niet bij iemand die maandelijks ook al een bedrag van € 1.030,00 aan alimentatie, € 2.500,00 aan aflossing van een persoonlijke lening en € 2.500,00 aan de fiscus verschuldigd is. Dit allemaal nog los van zijn verplichtingen jegens Van Lanschot.

4.10.

Verder zijn er ook geen andere nieuwe feiten of omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan de executie van het vonnis niet kan worden aanvaard, of die meebrengen dat Van Lanschot in redelijkheid geen gebruik mag maken van haar recht tot executie van het vonnis. [eiser] is het vonnis op nagenoeg geen enkel punt nagekomen en heeft slechts zekerheid aangeboden tot een bedrag ter hoogte van € 3.848,00 (over de jaren 2018 en 2019), daar waar Van Lanschot een substantiële vordering heeft op [eiser] .

4.11.

Al met al acht de voorzieningenrechter de conclusie dat Van Lanschot haar bevoegdheid zou hebben misbruikt niet gerechtvaardigd. Voor zover [eiser] met zijn stellingen heeft bedoeld dat de beslaglegging niet rechtsgeldig is omdat gebruikmaking van haar bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, volgt de voorzieningenrechter ook dit standpunt – in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen – niet.

4.12.

De voorzieningenrechter is – samenvattend – van oordeel dat Van Lanschot aldus geen misbruik van haar bevoegdheid maakt door tot tenuitvoerlegging van het vonnis over te gaan. Van Lanschot heeft een in redelijkheid te respecteren belang bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging van het vonnis over te gaan.

4.13.

De conclusie van alles wat hierboven staat is dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. Wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen nadere bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in dit vonnis is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

4.14.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Van Lanschot worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.636,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Van Lanschot tot op heden begroot op € 1.636,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2020.