Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:5377

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
09-11-2020
Zaaknummer
363412 KG ZA 20-600
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

opheffen beslag/schending artikel 21 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/363412 / KG ZA 20-600

Vonnis in kort geding van 4 november 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. R. Eringa te Sint-Oedenrode,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.P. de Man te Rosmalen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

De procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 oktober 2020 met 8 producties;

  • -

    de door mr. De Man op 20 oktober 2020 ingediende producties;

  • -

    de mondelinge behandeling op 21 oktober 2020 via Skype;

  • -

    de pleitnota van [eiser] ;

  • -

    de pleitnotities van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn ex-echtelieden. Bij beschikking van 13 februari 2019 (C/01/330263/FA RK 18-430) is de echtscheiding tussen hen uitgesproken.

2.2.

Bij verzoekschrift van 10 september 2020 heeft [gedaagde] de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om conservatoir beslag te mogen leggen op aan [eiser] toebehorende onroerende zaken. Op 11 september 2020 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank aan [gedaagde] het gevraagde verlof verleend waarbij de vordering is begroot op € 180.000,00 inclusief rente en kosten.

2.3.

Op grond van dat verlof heeft de deurwaarder in opdracht van [gedaagde] op 15 september 2020 conservatoir beslag gelegd op de in het beslagrekest genoemde onroerende zaken.

2.4.

Op 24 september 2020 heeft [gedaagde] de dagvaarding in de bodemzaak aan [eiser] betekend.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - kort gezegd - bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis

veroordeling van [gedaagde] om de conservatoire beslagen op te heffen op straffe van verbeurte van een dwangsom en [gedaagde] voorts te veroordelen in de proceskosten en in de nakosten met vermeerdering van de wettelijke rente.

3.2.

De grondslagen van de vorderingen en het daarop gevoerde verweer van [gedaagde] zullen hierna – voor zover relevant - in de beoordeling worden weergegeven.

3.3.

Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De opheffing van een conservatoir beslag kan, aldus artikel 705 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. Genoemde bepaling stelt niet de voorwaarde dat eiser bij opheffing een spoedeisend belang moet hebben; het verweer van [gedaagde] dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering moet daarom worden verworpen.

4.2.

Als meest verstrekkende stelling legt [eiser] aan zijn vordering tot opheffing van het conservatoire beslag ten grondslag dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 21 Rv doordat zij niet alle voor de beoordeling van het verzoekschrift van belang zijnde feiten heeft vermeld.

4.3.

Uit artikel 21 Rv vloeit voor partijen de verplichting voort alle voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Deze verplichting geldt ook bij een beslagrekest op voet van artikel 700 Rv1. De nauwgezette naleving van de in artikel 21 Rv neergelegde verplichting klemt te meer bij een beslagrekest, aangezien toewijzing van een dergelijk verzoek zeer ingrijpende gevolgen voor de wederpartij kan hebben en de rechter zijn beslissing geeft op basis van een summier onderzoek en aan de hand van uitsluitend door verzoeker aangereikte informatie. Dit ex parte karakter van de beslagprocedure brengt met zich dat van de verzoeker in dergelijke procedures eens te meer kan worden verlangd dat hij melding maakt van alle in Nederland of in het buitenland lopende, doorlopen of beëindigde procedures die relevant kunnen zijn voor een goede beoordeling van de vordering of het recht ter zake waarvan verlof wordt verzocht. Het onjuist en/of onvolledig informeren van de voorzieningenrechter die op het beslagrekest een beslissing moet geven kan aanleiding geven om het gevraagde verlof te weigeren of om een latere vordering tot opheffing van het beslag reeds om die reden toe te wijzen2.

4.4.

[gedaagde] heeft in haar beslagrekest als grondslag van haar vordering op [eiser] verdeling van het vennootschapsvermogen van de door hen op 1 januari 2003 aangegane VOF (boerenbedrijf) gegeven. [gedaagde] heeft evenwel verzuimd te melden dat met betrekking tot deze vordering reeds een tweetal gerechtelijke procedures (bij deze rechtbank en het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch) zijn gevoerd tussen partijen in het kader van de echtscheiding en de in dat verband tevens beoordeelde nevenverzoeken ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en – in dat kader – het vennootschapsvermogen. Deze kwestie is reeds voor het eerst in de echtscheidingsbeschikking van 13 februari 2019 aan de orde geweest. In het tegen deze beschikking ingestelde hoger beroep heeft het Hof in zijn beschikking van 16 januari 2020 (C/01/330263/FA RK 18-430) het verzoek van [gedaagde] om verdeling van het vennootschapsvermogen beoordeeld. Ondanks het feit dat het Hof – anders dan de rechtbank – de verrekening van het vennootschapsvermogen c.q. de verdeling van de VOF wel als een nevenvoorziening als bedoeld in artikel 827 lid 1 Rv beschouwde (en [gedaagde] derhalve wel ontvankelijk achtte in haar daartoe strekkende verzoeken) heeft het Hof de verzoeken van [gedaagde] afgewezen, onder meer – voor zover hier relevant - omdat zij haar aanspraken niet had gegrond op de juiste bepalingen in de vennootschapsakte en zij voorts haar verzoeken onvoldoende had onderbouwd. Tegen deze beschikking is vervolgens cassatieberoep ingesteld op 13 februari 2020. Blijkens het door [gedaagde] in het geding gebrachte (concept-) verzoekschrift tot cassatie handhaaft [gedaagde] de in hoger beroep ingenomen stelling dat haar aandeel in het vennootschapsvermogen (doordat verrekening ervan ingevolge de huwelijkse voorwaarden achterwege is gebleven) valt in de als gevolg van de ontbinding van het huwelijk te verdelen huwelijksgoederengemeenschap. In de inmiddels – in het verlengde van het gelegde beslag - aanhangig gemaakte bodemprocedure (ingeleid met de dagvaarding van 24 september 2020) vordert [gedaagde] (wederom) afwikkeling van het vennootschapsvermogen en betaling van de waarde van haar aandeel in het vennootschappelijk vermogen. In het lichaam van die dagvaarding maakt [gedaagde] melding van de inmiddels over deze kwestie gevoerde procedures bij rechtbank, Hof en – inmiddels – Hoge Raad en worden de beschikkingen van rechtbank en Hof ook overgelegd.

4.5.

Degene die verlof tot het leggen van conservatoir beslag vraagt wordt in de beslagsyllabus expliciet geattendeerd op het voorschrift van artikel 21 Rv. Hij krijgt daar zelfs concrete aanknopingspunten voor aspecten die in dit soort gevallen van belang kunnen zijn. In de beslagsyllabus (versie november 2020, maar de versie die gold ten tijde van het indienen van het verzoek op 10 september 2020 was op dit punt gelijkluidend) is op pagina 8 in randnummer 2 expliciet opgenomen dat in het beslagrekest melding gemaakt dient te worden van alle in Nederland of in het buitenland lopende, doorlopen of beëindigde procedures die relevant zijn voor een goede beoordeling van de zaak, waaronder mede begrepen eerder ingediende beslagrekesten bij dezelfde of een andere rechtbank.

4.6.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] zich in haar verzoekschrift van 10 september 2020 niet aan de waarheidsplicht heeft gehouden door de eerder gevoerde procedures niet te noemen. Dit verzuim levert een flagrante schending op van het voorschrift van artikel 21 Rv en de daarop geënte en voortbordurende aanwijzingen uit de Beslagsyllabus.

4.7.

Door informatie over de eerder gevoerde procedures achterwege te laten (deze zelfs in het geheel niet te noemen) heeft [gedaagde] de beslagrechter onvolledig geïnformeerd als gevolg waarvan de beslagrechter bij het nemen van zijn beslissing van 11 september 2020 op het verkeerde been is gezet. De achtergehouden informatie was – nu zij direct betrekking had op de vordering ter zake waarvan [gedaagde] beslag wenste te leggen – evident voor de beoordeling van wezenlijk en materieel belang. Dat [gedaagde] , naar mr. De Man ter zitting heeft gesteld, voornoemde informatie niet doelbewust heeft achtergehouden in het beslagrekest omdat bij het beslagrekest haast was geboden, doet er niet aan af dat deze informatie niet in het beslagrekest was opgenomen. [gedaagde] had spoedshalve kunnen volstaan met het vermelden van de inmiddels gevoerde procedures en het bijvoegen van de betreffende beschikkingen (zoals zij dat ook heeft gedaan in de dagvaarding in de bodemprocedure). Bovendien komt het argument van tijdnood de voorzieningenrechter enigszins onwaarachtig voor nu het hem – zoals ook met partijen ter zitting besproken - ambtshalve bekend dat aan [gedaagde] eerder al, op 20 augustus 2020, verlof was verleend voor het leggen van conservatoir beslag. Aangezien in dat beslagrekest en het daarop gebaseerde verlof niet de juiste kadasternummers waren gebruikt kon de deurwaarder geen beslag leggen en diende een nieuw verlof te worden aangevraagd, dit keer gebaseerd op de juiste kadastrale gegevens. Ook in het eerste, op 20 augustus 2020 ingediende beslagrekest werd door [gedaagde] geen melding gemaakt van de reeds eerder tussen partijen gevoerde procedures. Nu tussen het eerder verleende verlof en het nieuwe verzoek van 10 september 2020 20 dagen zijn verstreken had [gedaagde] in ieder geval ten tijde van het indienen van het tweede verzoek ruimschoots de tijd om dit keer wel melding te maken van de relevante processuele voorgeschiedenis. Mr. De Man verklaarde ter zitting desgevraagd dat hij ten tijde van het indienen van het eerste beslagrekest op de hoogte was van de eerder (door andere advocaten) namens [gedaagde] gevoerde procedures.

4.8.

De voorzieningenrechter acht de handelwijze van [gedaagde] zodanig in strijd met de goede procesorde dat hij aanleiding ziet om – met gebruikmaking van de hem bij schending van artikel 21 Rv gegeven bevoegdheid – de vordering van [eiser] tot opheffing van de beslagen toe te wijzen. Om diezelfde reden zal de voorzieningenrechter ten aanzien van de proceskosten afwijken van de in gedingen tussen gewezen echtelieden gebruikelijke compensatie van kosten en [gedaagde] veroordelen in de kosten van de procedure.

4.9.

Gelet op het bovenstaande moet het beslag worden opgeheven. Om proceseconomische redenen zal de rechter het beslag zelf opheffen.

4.10.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

  • -

    kosten dagvaarding € 102,96

  • -

    griffierecht € 304,00

  • -

    salaris advocaat € 980,00

totaal: € 1.386,96

4.11.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op de op 15 september 2020 ten laste van [eiser] gelegde beslagen,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.386,96, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Schoorlemmer en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2020.

1 HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9675

2 Vide Gerechtshof Amsterdam 22 november 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BV7108 en 10 januari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV0477