Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:537

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
04-02-2020
Datum publicatie
04-02-2020
Zaaknummer
01/880246-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen opzettelijk handelen in cocaïne gedurende ruim drie maanden.

Voorhanden hebben van cocaïne.

Deelneming aan een criminele organisatie.

Gevangenisstraf 18 maanden met aftrek voorarrest.

Beslag afgehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/880246-18

Datum uitspraak: 4 februari 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [1986] ,

wonende te [postcode] , [straatnaam 1] ,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Ter Apel.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 januari 2019, 16 april 2019, 4 juli 2019, 25 september 2019, 17 en 18 december 2019 en 21 januari 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 december 2018.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 22 januari 2019 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juli 2018 tot en met 08 oktober 2018 te Helmond, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 08 oktober 2018 te Helmond tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 508 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2018 tot en met 08 oktober 2018 te Helmond, althans in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere)

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: het tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, in elk geval het opzettelijk aanwezig hebben, van hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding.

Op donderdag 26 juli 2018 is door de districtsrecherche Helmond onder leiding van het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam Schenefeld. Dit onderzoek is opgestart naar aanleiding van onder andere TCI-meldingen met betrekking tot een Marokkaanse man ‘ [alias] ’ uit de wijk [wijknaam 1] in Helmond die in grote partijen cocaïne zou dealen. Mede naar aanleiding van deze TCI-meldingen zijn op diverse telefoonnummers taplijnen aangesloten en zijn verschillende verdachten geobserveerd.

Het opsporingsonderzoek heeft uiteindelijk geleid tot een actiedag op 8 oktober 2018. De woningen en/of verblijfplaatsen van verschillende verdachten worden op die dag betreden en doorzocht.

Verdachte wordt – kort gezegd – beschuldigd van:

- het medeplegen van dealen in cocaïne (feit 1);

- het medeplegen van voorhanden hebben van cocaïne (feit 2);

- het deelnemen aan een criminele organisatie (feit 3).

Bronnen.

- het eindproces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, onderzoek Schenefeld, op ambtseed opgemaakt en ondertekend d.d. 17 december 2018, aantal doorgenummerde bladzijden: 1767;

- de stukken van de rechter-commissaris inhoudende diverse getuigenverhoren;

- een aanvullend proces-verbaal sporenonderzoek met proces-verbaalnummer PL2100-2018198797-13 opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] op 24 oktober 2018;

- een aanvullend proces-verbaal sporenonderzoek met proces-verbaalnummer PL2100-2018198795-19 opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] op 24 oktober 2018;

- een aanvullend proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer 277 opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] op 25 januari 2019;

- een proces-verbaal van bevindingen uitgewerkte tapgesprekken met proces-verbaalnummer 279 opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] op 28 mei 2019;

- een aanvullend overzicht tapgesprekken met label ‘Analyse: Dealer [medeverdachte 8] [telefoonnummer] die voor [alias] werkt’ d.d. 4 december 2019;

- een [alias] -dossier van verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 zal komen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft op gronden zoals vermeld in zijn schriftelijke pleitnota betoogd dat de verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 moet worden vrijgesproken.

Primair heeft de raadsman daartoe aangevoerd dat de startinformatie onvoldoende concreet was voor een redelijk vermoeden van schuld. De machtigingen ten behoeve van de ingezette opsporingsbevoegdheden zijn daarom ten onrechte afgegeven. De onderzoeksresultaten zijn hierdoor onrechtmatig verkregen en moeten worden uitgesloten van het bewijs.

Subsidiair voert de raadsman aan dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank baseert haar oordeel op de in deze bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen.

Verder zal de rechtbank ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis en het feit dat voor een deel dezelfde overwegingen in de zaken van de medeverdachten zullen worden gehanteerd, in navolgende bewijsoverwegingen verdachte en de medeverdachten bij hun achternaam noemen.

De start van het onderzoek.

Door de raadsman is primair bepleit dat de startinformatie onvoldoende concreet was en er geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. Als gevolg daarvan zouden de onderzoeksresultaten onrechtmatig zijn verkregen en moeten daarom worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank verwerpt dit verweer nu de verdenking tegen de verdachte blijkens de processen-verbaal, afkomstig van het Team Criminele Inlichtingen, berustte op voldoende concrete en actuele informatie. De informatie is op betrouwbaarheid getoetst en leidde, na verificatie aan de hand van informatie in algemeen toegankelijke registers, naar verdachte. De informatie kon de verdenking jegens verdachte dragen. Er zal geen bewijsuitsluiting volgen.

De feiten en omstandigheden.

De rechtbank stelt aan de hand van de in bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen vast dat [verdachte] (hierna: [verdachte] ) zich samen met anderen bezighield met criminele activiteiten met betrekking tot de handel in cocaïne.

[verdachte] had de beschikking over voorraden cocaïne. Zo blijkt uit telefoontaps en observaties dat [verdachte] contact onderhoudt met [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) over een voorraad cocaïne die verstopt is in een bosperceel nabij de fietsbrug in de wijk [wijknaam 2] te Helmond. Daarnaast spreekt [verdachte] met [medeverdachte 4] – ook bekend onder de naam [medeverdachte 4]  (hierna: [medeverdachte 4] ) over een voorraad cocaïne die ligt begraven in de tuin behorende bij de woning aan de [straatnaam 2] . Op die plek wordt op 8 oktober 2018 475 gram cocaïne aangetroffen.

In de woning aan de [straatnaam 2] worden op de actiedag [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) aangehouden. Op het adres [straatnaam 2] staat [medeverdachte 2] ingeschreven die daar ook daadwerkelijk verbleef. Ook [verdachte] verbleef gedurende de onderzoeksperiode in de woning aan de [straatnaam 2] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat vanuit de woning aan de [straatnaam 2] cocaïne is verkocht door [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] .

Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat [verdachte] afnemers doorverwijst naar [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) en [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ). Door hen wordt cocaïne verkocht aan verschillende afnemers. Op het moment dat [medeverdachte 5] op vakantie gaat, neemt zijn broertje [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ) een dealtelefoon van [medeverdachte 5] over. De cocaïne die [medeverdachte 7] verkoopt is afkomstig van [verdachte] . [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] overleggen met [verdachte] over onder andere de prijs die voor de cocaïne betaald moet worden.

De hiervoor genoemde verdachten hebben onderling contact. Zo blijkt uit de bewijsmiddelen onder andere dat [medeverdachte 1] cocaïne heeft verstrekt aan [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] , dat [medeverdachte 3] cocaïne heeft verstrekt aan [medeverdachte 5] en dat [medeverdachte 4] cocaïne heeft verstrekt aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het [verdachte] is die opdrachten geeft tot het verstrekken van cocaïne aan een ander.

Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat [medeverdachte 5] op 12 september 2018 bij [medeverdachte 3] is. [verdachte] wordt die dag door een onbekend gebleven persoon gebeld die op dat moment ook bij [medeverdachte 3] is. [medeverdachte 5] neemt het gesprek over en zegt vervolgens tegen [verdachte] dat [medeverdachte 3] rauw heeft ontvangen om te koken, maar dat [medeverdachte 3] te weinig gekookt terug geeft. [verdachte] geeft naar aanleiding hiervan aan [medeverdachte 4] de opdracht de dealtelefoon van [medeverdachte 3] over te nemen. [medeverdachte 3] verkoopt vanaf dat moment geen cocaïne meer voor [verdachte] .

Uit de bewijsmiddelen blijkt tot slot dat er door de verdachten veelal wordt gehandeld in hoeveelheden van 2,5 gram. Ook blijkt uit de telefoontaps dat er grotere hoeveelheden worden verhandeld. Zo belt [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ) op 15 augustus 2018 met [verdachte] met de mededeling dat hij 2 x 25 wil. Gelet op de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat hier gesproken wordt over cocaïne.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1.

Bewijsoverweging.

De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat [verdachte] heeft gehandeld in cocaïne en daarbij heeft samengewerkt met anderen. Betrokkenheid bij een strafbaar feit kan als medeplegen bewezenverklaard worden indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Op grond van hetgeen de rechtbank met betrekking tot de samenwerking heeft vastgesteld, oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Pleegperiode.

Voor wat betreft de pleegperiode overweegt de rechtbank als volgt. De getuige [getuige] verklaart op 26 november 2018 dat hij op dat moment sinds ongeveer een half jaar cocaïne koopt bij [medeverdachte 1] . Uit telefoontaps blijkt dat hij niet alleen bij [medeverdachte 1] cocaïne koopt, maar ook bij [verdachte] . Gelet op deze bewijsmiddelen en hetgeen de rechtbank bij de bespreking van de feiten en omstandigheden heeft vastgesteld met betrekking tot de samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] , acht de rechtbank de periode van 1 juli 2018 tot en met 8 oktober 2018 wettig en overtuigend bewezen.

Conclusie.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, heeft gehandeld in cocaïne in de periode gelegen tussen 1 juli 2018 en 8 oktober 2018, zoals in de bewezenverklaring onder 1 is opgenomen.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2.

Bewijsoverweging.

Op de actiedag van 8 oktober 2018 is op de locatie aan de [straatnaam 2] te Helmond een hoeveelheid cocaïne aangetroffen. In de woning is in een jas die hing over een eetkamerstoel in de woonkamer 5,2 gram cocaïne aangetroffen. Daarnaast is er onder een zitkussen van een tweezitsbank in de woonkamer een plastic bol met 5 plastic zakjes met daarin 24,9 gram cocaïne aangetroffen. In de tuin behorende bij de woning aan de [straatnaam 2] is 475 gram cocaïne aangetroffen. Deze cocaïne lag begraven onder de grond.

De rechtbank stelt vast dat onder het zitkussen van de tweezitsbank in de woonkamer naast de aangetroffen 24,9 gram cocaïne eveneens 20 bolletjes zijn aangetroffen met daarin een substantie gelijkend op cocaïne met een totaalgewicht van 3,5 gram. Deze 20 bolletjes zijn positief indicatief getest op cocaïne. Hoewel de inhoud van deze 20 bolletjes niet nader is onderzocht, is de rechtbank van oordeel dat gelet op de uitslag van de indicatieve test, de verpakkingswijze, de substantie die door verbalisanten qua geur, kleur en vorm wordt omschreven als gelijkend op cocaïne en het feit dat is vastgesteld dat vanuit de woning werd gehandeld in cocaïne, aangenomen kan worden dat de inhoud van deze 20 bolletjes cocaïne betreft.

[medeverdachte 2] en [verdachte] verbleven beiden in de woning aan de [straatnaam 2] . Behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, moeten bewoners van een woning en de gebruikers van een perceel geacht worden weet te hebben van hetgeen zich daar bevindt. Van aanwijzingen voor het tegendeel is geen sprake. Wel heeft de rechtbank vastgesteld dat zowel [verdachte] en [medeverdachte 4] als [medeverdachte 2] vanuit de woning aan de [straatnaam 2] hebben gehandeld in cocaïne. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat [verdachte] en [medeverdachte 4] gebruik hebben gemaakt van de voorraad cocaïne die verstopt lag in de tuin.

Conclusie.

De rechtbank komt op basis van voornoemd uitgangspunt, in combinatie met de overige feiten en omstandigheden, tot de conclusie dat verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk ongeveer 508 gram cocaïne voorhanden heeft gehad.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan het onder 2 ten laste gelegde feit heeft schuldig gemaakt.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 3.

Juridisch kader criminele organisatie.

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, moet uit de bewijsmiddelen blijken dat er sprake is geweest van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven uit de Opiumwet en dat verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen.

Onder een organisatie in de zin van artikel 11b van de Opiumwet (dat aanhaakt bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht) moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één ander persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon, om als deelnemer aan die organisatie te worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met of bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.

Het oogmerk van de organisatie moet zijn gericht op het plegen van meer misdrijven. Voor bewijs van het bestanddeel oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie zijn gepleegd, aan het meer duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

Van deelneming aan een organisatie kan slechts dan sprake zijn wanneer de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie of die gedragingen ondersteunt. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken.

In het bestanddeel deelneming aan een organisatie ligt tevens het opzet van de verdachte besloten. Het opzet van de verdachte moet zijn gericht op het deelnemen aan de organisatie. Voor deelneming aan een criminele organisatie is voldoende dat een verdachte in zijn algemeenheid – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – weet dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Daarbij is niet vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven.

Organisatie.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, bestaande uit meerdere personen. Dit samenwerkingsverband was gericht op de handel in cocaïne in de gemeente Helmond. Uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen, blijkt dat het hier een goed functionerende organisatie betrof, waarbij de samenwerking, die weliswaar plaatsvond in een soms wisselend verband, niet incidenteel is geweest.

Oogmerk organisatie.

Uit de bewijsmiddelen kan verder worden opgemaakt dat het oogmerk van de organisatie gericht was op de handel in cocaïne. De organisatie had ten behoeve van die handel de beschikking over grotere hoeveelheden cocaïne en verschillende dealtelefoons.

Deelneming.

Ten aanzien van de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] kan worden vastgesteld dat zij behoorden tot de organisatie en dat zij betrokken zijn geweest bij gedragingen die rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Zij hebben allen een direct aandeel gehad in een gezamenlijk uitgevoerde handel in cocaïne en zij wisten dat zij deel uitmaakten van een samenwerkingsverband met het voornoemde criminele oogmerk. Binnen het samenwerkingsverband had [verdachte] een sturende en leidende rol. Uit met name de telefoontaps blijkt immers dat [verdachte] instructies geeft aan [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] , welke instructies door hen worden opgevolgd.

Partiële vrijspraken.

De rechtbank acht niet bewezen dat de medeverdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8] ) en [medeverdachte 9] (hierna: [medeverdachte 9] ) deel hebben uitgemaakt van de criminele organisatie. Ten aanzien van hen bevat het dossier geen bewijs dat zij behoorden tot het hiervoor bedoelde samenwerkingsverband.

Het dossier bevat weliswaar aanwijzingen dat [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] zich bezighielden met handel in cocaïne, maar deze aanwijzingen zijn onvoldoende om vast te stellen dat zij die handelingen hebben verricht in het kader van de criminele organisatie rondom [verdachte] .

Ten aanzien van [medeverdachte 6] merkt de rechtbank op dat de enkele vaststelling (op basis van het dossier) dat [medeverdachte 6] cocaïne kocht van [verdachte] en zich bezighield met de handel in cocaïne, niet betekent dat hij behoorde tot het samenwerkingsverband. Uit het dossier is immers niet af te leiden dat [medeverdachte 6] door [verdachte] of door enig ander lid van de criminele organisatie werd aangestuurd of op enige wijze verantwoording aan hen diende af te leggen.

Pleegperiode.

Voor wat betreft de aanvangsdatum van de pleegperiode sluit de rechtbank aan bij hetgeen zij hiervoor heeft overwogen over de aanvangsdatum van het ten laste gelegde onder 1. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aantoonbaar vanaf 1 juli 2018 betrokken is geweest bij gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie.

Conclusie.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte heeft behoord tot een op het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder B, van de Opiumwet gericht samenwerkingsverband en dat hij een sturende rol had in de gedragingen die strekten tot de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk.

Daarom is bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet. Hiermee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder 3.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

in de periode van 1 juli 2018 tot en met 8 oktober 2018 te Helmond, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 8 oktober 2018 te Helmond, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 508 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

in de periode van 1 juli 2018 tot en met 8 oktober 2018 te Helmond heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: het tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

Verder vordert de officier van justitie verbeurdverklaring van de onder verdachte in beslag genomen goederen, met uitzondering van de laptop. De laptop mag terug naar verdachte.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie maakt kenbaar voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt de rechtbank rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Ten aanzien van de in beslag genomen goederen merkt de raadsman op dat de goederen, behoudens de laptop die retour kan naar verdachte, verbeurd verklaard kunnen worden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gehandeld in cocaïne en 508 gram cocaïne aanwezig gehad. Het is algemeen bekend dat cocaïne schade toebrengt aan de gezondheid van de gebruikers van cocaïne. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de samenleving.

Ten nadele van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat de door hem gepleegde strafbare feiten zijn gepleegd in georganiseerd verband, binnen welke organisatie de verdachte een aansturende rol vervulde. Ook neemt de rechtbank het de verdachte kwalijk dat hij anderen betrokken heeft bij zijn criminele activiteiten, waaronder onder anderen een destijds minderjarige jongen.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.

De rechtbank betrekt bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten ten aanzien van handel in cocaïne en het bezit van cocaïne. Het oriëntatiepunt ten aanzien van handel in cocaïne gaat uit van een alleen opererende dader die met enige regelmaat vanuit een pand en/of op straat in harddrugs handelt. In deze zaak is echter sprake van een organisatie bestaande uit meerdere daders die structureel en op professionele wijze in cocaïne handelde. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte een hogere straf op te leggen dan als uitganspunt in de oriëntatiepunten is geformuleerd.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.

Beslag.

Verbeurdverklaring.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn die aan de veroordeelde toebehoorden of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten zijn verkregen, dan wel met betrekking tot welke de feiten zijn begaan.

Teruggave.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerp aan verdachte, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van het in beslag genomen goed.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 33, 33a, 47, 57

Opiumwet art. 2, 10, 11b.

DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef enonder B, van de Opiumwet gegeven verbod.T.a.v. feit 2:Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef enonder C, van de Opiumwet gegeven verbod.T.a.v. feit 3:Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van eenmisdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet.De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

De rechtbank legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen, te weten:- 1 stk telefoonautomaat kl: Blauw SAMSUNG, G480197;

- 1 stk telefoonautomaat kl: wit IPHONE A1387, G480202;

- 1 stk telefoonautomaat kl: zilver APPLE IPHONE A1586, G480203;

- 20 Euro, G480201;

- 50 Euro, G480204;

- 1190 Euro, G480207. Teruggave van het in beslag genomen goed, te weten: - 1 stk Computer kl: zwart DELL Laptop, G480209.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met

ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de

opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J. Bokhorst, voorzitter,

mr. B.A.J. Zijlstra en mr. C.J. Sangers- de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.P.M. van de Wouw, griffier,

en is uitgesproken op 4 februari 2020.