Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:5310

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-10-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
19/1548
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De zaak gaat over een verzoek om nadeelcompensatie in de schade op agrarische percelen in 2016 na zware regenval in het voorjaar.

Tussen partijen is niet in geschil dat de percelen onder water hebben gestaan. Ze zijn het zelfs min of meer eens over de precieze momenten waarop de percelen onder water zijn komen te staan. Het debat tussen partijen is echter ontaard in een uitvoerige technische discussie tussen deskundigen. De rechtbank ondezoekt eerst of de uitvoering van één of meerdere projecten heeft geleid tot een verminderde afvoercapaciteit. De rechtbank concludeert dat slechts door één schadeoorzaak de schade mogelijk zou hebben kunnen ontstaan, namelijk de faunapassages in de duiker onder de Turnhoutsebaan. Als hierdoor schade is veroorzaakt, moet verweerder dus een vergoeding uit hoofde van artikel 7.14 van de Waterwet toekennen, tenzij hij kan aantonen dat de schade ook zonder de aanleg van faunapassages zou zijn ontstaan. Verweerder is hierin geslaagd en heeft daarom het verzoek terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/1548

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 oktober 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. Th.J.H.M. Linssen),

en

het Dagelijks Bestuur van het Waterschap De Dommel, verweerder

(gemachtigde: mr. R.M. Pieterse).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om nadeelcompensatie -als bedoeld in artikel 7:14 Van de Waterwet- toe te kennen afgewezen.

Bij besluit van 16 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft partijen vragen gesteld. Partijen hebben een antwoord gegeven en hebben gereageerd op elkaars antwoorden. De zaak is behandeld op de online zitting van 16 oktober 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde alsmede de deskundige [naam 4] De gemachtigde van verweerder is verschenen, alsmede [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

  • -

    Eiseres exploiteert een melkveebedrijf aan de [vestigingsplaats 2] . De percelen waar in juni 2016 wateroverlast is opgetreden, liggen ten noorden van de Poppelsche Leij (NL1), direct ten westen van de Turnhoutsebaan en ten zuiden van de Tijvoortsche Leij (NL13). De percelen hebben een omvang van ruim 1,5 hectare en zijn kadastraal bekend als gemeente Goirle, [nummering] De gronden worden gebruikt voor beweiding en voor de teelt van gras en snijmais als ruwvoer voor het rundvee.

  • -

    Eiseres heeft op 18 oktober 2016 bij verweerder een verzoek om nadeelcompensatie als bedoeld in artikel 7:14 van de Waterwet ingediend. De schade is ontstaan als gevolg van hevige regenval in de periode van 31 mei 2016 t/m 30 juni 2016 op de percelen aan de [vestigingsplaats 2] Op de percelen wordt mais en gras geteeld. Als gevolg van slechte afwatering is de net ingezaaide mais verdronken. De schade is begroot op € 3.900,80 voor het aankopen van 1,4 ha mais en 0,16 ha gras.

  • -

    Het waterschap heeft in 2006 aan de provincie een vergunning verleend voor de aanleg van de faunapassage in de duikers onder de Turnhoutsebaan en de parallelweg Krombeemden ter uitvoering van het projectplan ‘Inrichtingsplan De Vloeder Zuid’. Er zijn daarna nog twee projecten ten oosten van de Turnhoutsebaan uitgevoerd. Een daarvan is het projectplan ‘Herinrichting Beekdal Poppelsche Leij – Krombeemden’ uit 2013. Hierbij zijn meanders aangelegd en is de watergang tussen de Turnhoutsebaan en de Poppelseweg 100 meter langer geworden. Ook is er naast de watergang een hoogwatergeul aangelegd en zijn de kades langs de Poppelsche Leij verlegd. Het tweede project betreft de realisering van een waterbergingsgebied ten oosten van de Poppelseweg (het project “Realisering van de gestuurde waterberging Vloeder-Zuid”).

2.1

De rechtbank stelt voorop dat het in deze procedure niet kan gaan over schade door onrechtmatig handelen van verweerder, maar alleen over schade die is ontstaan als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van waterbeheer. Eiseres heeft een verzoek om nadeelcompensatie op basis van artikel 7.14 van de Waterwet gedaan vanwege de uitvoering van drie projecten, te weten

(1.) “Inrichtingsplan De Vloeder Zuid” en de daarmee samenhangende vergunning voor de aanleg faunapassages Turnhoutsebaan,

(2.) “Herinrichting Beekdal Poppelsche Leij – Krombeemden” en

(3.) “Realisering van de gestuurde waterberging Vloeder-Zuid”.

Daarnaast denkt eiseres dat de schade is ontstaan door het ingestelde maairegime van verweerder.

2.2

Voor zover wordt gesteld dat verweerder iets te laat of verkeerd heeft gedaan en daardoor onrechtmatig heeft gehandeld, is dat geen reden om een verzoek om nadeelcompensatie toe te kennen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2925).
De uit artikel 7.15 van de Waterwet voortvloeiende verplichting tot compensatie staat los van de verplichting uit hoofde van artikel 7.14 van de Waterwet.

3. Verweerder stelt zich (kort samengevat) op het standpunt dat op het schademoment in 2016 sprake was van een overvloedige neerslag in de gebieden bovenstrooms van het perceel van eisers. Op de percelen van eisers was geen sprake van een buitensporige neerslag. Echter, door de overvloedige neerslag bovenstrooms is volgens verweerder de schade ontstaan en niet door de uitvoering van de drie projecten. Verweerder onderbouwt zijn stellingen met het rapport ‘Van Huisbezoek naar hydrologisch advies’ en daaropvolgende memo’s en standpunten.

4. Eisers stellen zich (kort samengevat) op het standpunt dat de uitvoering van de projecten heeft geleid tot een verminderde afvoercapaciteit van de Poppelsche Leij. Daardoor is deze sneller buiten de oevers getreden, helaas op haar percelen. Eiseres stelt dus dat de schade is ontstaan door het overstromen van de Poppelsche Leij. Eiseres is van mening dat het watersysteem in staat zou zijn geweest om de neerslag vanuit de gebieden in België te verwerken, als de projecten niet waren uitgevoerd. Als de projecten niet zouden zijn uitgevoerd, zou de waterstand 15 centimeter lager zijn geweest. Eiseres onderbouwt haar stellingen met het “Rapport inzake de hydrologische aspecten van de wateroverlast in juni 2016 op de percelen langs de Poppelsche Leij onder Goirle” van februari 2018 door [naam 4] en zijn daaropvolgende aanvullingen (in reactie op stellingen en nadere standpunten van verweerder).

5. Tussen partijen is niet in geschil dat de percelen onder water hebben gestaan. Ze zijn het zelfs min of meer eens over de precieze momenten waarop de percelen onder water zijn komen te staan. Het debat tussen partijen is echter ontaard in een uitvoerige technische discussie tussen deskundigen. Deze technische discussie wordt door de rechtbank op de volgende wijze beslecht. Als eiseres aannemelijk kan maken dat door uitvoering van één of meerdere projecten sprake is van een verminderde afvoercapaciteit, dan zal het vervolgens aan verweerder zijn om aannemelijk te maken dat er zoveel neerslag is gevallen dat de schade hoe dan ook zou zijn opgetreden. Verweerder beroept zich immers op overmacht. De rechtbank zal eerst enkele uitgangspunten vaststellen naar aanleiding van de reacties van partijen op de door de rechtbank gestelde vragen (rechtsoverweging 6). Daarna worden de invloeden van de uitgevoerde projecten besproken (rechtsoverweging 7). Één schadeoorzaak zal de rechtbank niet bespreken. Op de online zitting suggereerden eisers voor het eerst dat de duiker onder de Turnhoutsebaan in 2016 mogelijk deels was verstopt door een dode boom. Deze boom is aangetroffen bij het schoonmaken van de duiker in 2020. Dit argument is niet eerder in de procedure naar voren gebracht en de rechtbank is van oordeel dat het inbrengen van dit argument in strijd is met een goede procesorde.

6. De rechtbank stelt het volgende vast op basis van de stukken waaronder de antwoorden van partijen op de vragen van de rechtbank. De percelen van eiseres liggen aan de westzijde van de Turnhoutsebaan nabij de Poppelsche Leij. Het perceel watert ook af naar de Poppelsche Leij via de NL13. De laagste insteekhoogte van de NL13 is circa 13,95 m + NAP. Wanneer in de Poppelsche Leij een waterstand van 13,95 m + NAP optreedt, zal dit ook de minimale waterstand in de NL13 worden. Vanaf dat moment zou wateroverlast vanuit de NL13 kunnen optreden, al is er wel een terugslagklep tussen de NL13 en de Poppelsche Leij. De hoogte van de insteek van de Poppelsche Leij ter hoogte van de Turnhoutsebaan is minimaal 14.10 m + NAP volgens de algemene hoogtekaart Nederland. Vanaf die waterstand zal inundatie op de betreffende percelen optreden. Dit wordt bevestigd door de deskundige van eiseres.

7.1

Ten aanzien van de verschillende door eiseres als schadeoorzaak opgevoerde projecten overweegt de rechtbank het volgende.

7.2

De Poppelsche Leij stroomt verder naar het oosten door een duiker onder de Turnhoutsebaan. In deze duiker zijn de faunapassages aangebracht. De faunapassages zullen onder normale omstandigheden geen invloed hebben op de waterstand in de Poppelsche Leij, omdat het water dan onder de faunapassages staat. Als er veel water door de Poppelsche Leij stroomt, komen de faunapassages (deels) onder water te staan. De faunapassages zullen dan voor opstuwing zorgen aan de westzijde van de Turnhoutsebaan (dus aan de zijde waar ook de percelen van eiseres liggen) als de faunapassage (deels) onder water staat. Dat volgt ook uit het rapport ‘Van Huisbezoek naar hydrologisch advies’. Vast staat ook dat tijdens het schademoment in 2016 de faunapassage deels onder water heeft gestaan. De rechtbank laat op dit moment in het midden hoeveel dit opstuwend effect in 2016 daadwerkelijk was (althans zou kunnen zijn geweest). Dit komt later in de uitspraak aan de orde. Dit opstuwend effect is wel een schadeoorzaak waar verweerder voor verantwoordelijk is.

7.3

De aanwezigheid van begroeiing in de watersystemen heeft ook invloed op de waterstand in de Poppelsche Leij. Dat volgt ook uit het rapport ‘Van Huisbezoek naar hydrologisch advies’. Het maaionderhoud is volgens de rechtbank niet aangepast als gevolg van de drie projecten die eisers als schadeoorzaak heeft genoemd. Conform het maaibestek in 2016 wordt het traject van de Poppelsche Leij buiten de Vloeder tweemaal per jaar gemaaid in periode 3 (dat betekent dat in juni of juli wordt gemaaid). Het bestuurlijk vastgelegde onderhouds- en maaibeleid is volgens de rechtbank in beginsel aan te merken als een rechtmatige uitoefening van een publiekrechtelijke taak in het kader van het waterbeheer. De wijze van onderhoud kan worden geacht een gevolg te zijn van een belangenafweging tussen relevante waterstaatkundige belangen en de belangen van eiseres. Niet uit te sluiten is dat de gemaakte keuze om twee keer per jaar te maaien gevolgen kan hebben voor de afvoercapaciteit van de waterloop. Eiseres heeft echter niet gesteld dat twee keer maaien per jaar (in het gebied buiten de Vloeder) te weinig is. Bovendien gebeurt dit alle jaren en treedt niet alle jaren schade op. Ten tijde van de wateroverlast waren de b-watergang bij de percelen van eiseres en de NL1 (gedeelte Poppelsche Leij) niet gemaaid. De watergang NL1 is vóór 15 juli gemaaid, maar wel ná de heftigste buien (30 mei en 1 juni). Dit is, achteraf gezien, te laat, maar dat is geen reden om een verzoek om nadeelcompensatie toe te kennen. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 2 van deze uitspraak. Als te laat zou zijn gemaaid, dan is dat een onrechtmatige overheidsdaad en die leent zich niet voor nadeelcompensatie. De rechtbank laat deze schadeoorzaak verder buiten beschouwing. In het midden kan blijven of na de laatste maaibeurt in 2015 sprake was van een bovenmatige begroeiing.

7.4

Dan het project “Herinrichting van de Poppelsche Leij”. Hierbij zijn meanders en een hoogwatergeul aangelegd in de Poppelsche Leij tussen de Turnhoutsebaan en de Poppelseweg (dus ten oosten en benedenstrooms van de percelen van eiseres). De Poppelsche Leij is daar 100 meter langer door geworden. De deskundige van eiseres geeft zelf aan dat er geen opstuwend effect is bij het perceel van eisers als gevolg van de verlenging van de Poppelsche Leij en de verkleining in de dwarsprofielen. Eiseres heeft niet onderbouwd dat de minder ondiepe uitvoering van de hoogwatergeul tot een hogere waterstand bij haar percelen zou leiden. Bovendien is een onjuiste uitvoering van het project geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding (zie rechtsoverweging 2 van deze uitspraak).
In kader van het project zijn verder kades verlegd en aangebracht. Hierdoor kan een kleinere oppervlakte van het gebied ten oosten van de Turnhoutsebaan (bovenstrooms van de stuw) overstromen bij zware regenval. Percelen ten zuiden van de watergang aan de andere kant van de kades (de percelen voormalig in eigendom van de heer [naam 5] ) kunnen door de kades niet meer overstromen en deden dat eerst wel. De deskundige van eiseres stelt dat door deze kades de waterstand in de Poppelsche Leij bij het perceel van eiseres 4 à 5 centimeter hoger zou staan. Volgens verweerder heeft de bekading van de Poppelsche Leij tussen de Turnhoutsebaan en de stuw De Vloeder juist een waterstand verlagend effect. De bekading van dit traject is immers verder van de beek afgelegd, wat resulteert in een grotere bergingscapaciteit. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft onderbouwd dat de in het kader van het project aangelegde kades geen oorzaak kunnen zijn geweest van de wateroverlast op de percelen van eiseres in 2016. In de stellingen van de (deskundige) van eiseres ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat, als deze stellingen juist zouden zijn, sprake zou moeten zijn van een structureel hogere waterstand in de Poppelsche Leij ter hoogte van de percelen van eiseres in alle jaren met enige regenval, alsmede dat het gebied ten oosten van de Turnhoutsebaan veel vaker tot de kades onder water zou staan. Dat is niet het geval geweest. Weliswaar kan door de verlegging van de kades tussen de Poppelseweg en de Vloeidijk ter plaatse een minder groot gebied overstromen, maar dit wordt ondervangen door de benedenstrooms daarvan aangelegde waterberging De Vloeder-Zuid. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ter zitting is bevestigd dat de percelen van de heer [naam 5] niet lager liggen dan de waterberging Vloeder-Zuid.

7.5

Tot slot de uitvoering van het project Gestuurde waterberging Vloeder-Zuid. Dit project omvat onder andere de vervanging van de schotbalkstuw Vloeder-Zuid door een kiepstuw. De nieuwe stuw is minder breed dan de oude stuw. Daarentegen is de drempelhoogte 10 cm lager. De deskundige van eiseres geeft aan dat de nieuwe stuw en het niet inzetten van de waterberging geen schadeoorzaken zijn (omdat hij zich kan verenigen met de stelling van verweerder op dat punt). Ook dit is géén schadeoorzaak waardoor de schade bij eiseres zou hebben kunnen ontstaan. Bovendien is bij de wateroverlast in 2008, 2015 en 2020 het bergingsgebied Vloeder-Zuid achter de stuw in werking getreden. Tijdens de wateroverlast in 2016 is het waterbergingsgebied De Vloeder-Zuid niet in werking getreden. De situaties in 2008, 2015 en 2020 zijn volgens de rechtbank niet te vergelijken met de situatie in 2016.

7.6

De rechtbank concludeert dat slechts door één schadeoorzaak de schade mogelijk zou hebben kunnen ontstaan, namelijk de faunapassages in de duiker onder de Turnhoutsebaan. Als hierdoor schade is veroorzaakt, moet verweerder dus een vergoeding uit hoofde van artikel 7.14 van de Waterwet toekennen, tenzij hij kan aantonen dat de schade ook zonder de aanleg van faunapassages zou zijn ontstaan.

8. Zou de schade ook zijn ontstaan als die faunapassages er niet waren geweest? In het verweerschrift is onderbouwd dat ook zonder de door eisers of de deskundige van eisers gestelde peilverhoging als gevolg van de projecten wateroverlast/schade op percelen van eiseres zou zijn ontstaan. Verweerder gaat er van uit dat er door de ware regenval circa 50 centimeter water op de percelen heeft gestaan. De deskundige van eiseres heeft kritiek op de onderbouwing omdat volgens die rekenkundige onderbouwing de percelen van eiseres zouden overstromen op momenten dat er juist in werkelijkheid geen overstroming plaatsvond. Volgens hem moet dit naar beneden toe worden gecorrigeerd. De rechtbank leidt uit de berekening van eiseres af dat er minimaal een correctie met 25 centimeter zou moeten plaatsvinden. Het (worst case) effect van deze faunapassages is volgens de deskundige van eiseres een ongeveer 5 centimeter hogere waterstand. De rechtbank concludeert hieruit echter dat, als deze faunapassages er niet zouden liggen, de percelen van eiseres nog steeds zouden overstromen vanuit de Poppelsche Leij door de zware neerslag met (50-25-5=) 20 centimeter water. Ook als de door verweerder gehanteerde marge (15 centimeter die ter zitting nog eens is vermeerderd met 15 centimeter vanwege discussie over de invloed van een knik in de bedding van de Poppelsche Leij voor de grens tussen Nederland en België op de juistheid van de uitkomst van de berekening van verweerder), zouden de percelen van eiseres nog steeds zouden overstromen vanuit de Poppelsche Leij door de zware neerslag met (50-30-5=) 15 centimeter water onder water hebben gestaan. Verweerder kan zich daarom beroepen op overmacht en hoeft geen vergoeding toe te kennen. In het midden kan blijven of het opstuwende effect van de faunapassages nu in werkelijkheid 5 centimeter of minder is geweest.

9. Gelet op het bovenstaande is het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 30 oktober 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.