Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:5216

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-10-2020
Datum publicatie
29-10-2020
Zaaknummer
363575 KG ZA 20-607
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

In een executiegeschil als het onderhavige heeft de voorzieningenrechter weinig ruimte om anders te oordelen dan het hof in het incident ex art. 351 Rv omdat de Hoge Raad in zijn arrest van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 heeft bepaald dat in het executiegeschil en het incident ex art. 351 Rv hetzelfde toetsingskader geldt. Daar komt bij dat een van het arrest ex art. 351 Rv afwijkend vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter door het hof (al dan niet in een spoed appel) ook (meteen) weer kan worden vernietigd. Alleen in het geval sprake zou zijn van (een) kennelijke misslag(en) in het arrest van het hof dan wel op grond van feiten die het hof niet in zijn oordeel heeft kunnen betrekken, kan de voorzieningenrechter in afwijking van het arrest van het hof dezelfde vordering als in het incident ex art. 351 Rv is afgewezen, in dit executiegeschil toewijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/363575 / KG ZA 20-607

Vonnis in kort geding van 26 oktober 2020

in de zaak van

[eiseres] handelend onder de naam Mijn Rechterhand bewindvoering, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van

[A] ,

kantoorhoudende te Eindhoven,

eiseres,

advocaat mr. M.H.A.J. Slaats te Eindhoven,

tegen

de stichting

STICHTING SINT TRUDO,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde,

advocaat mr. B. Poort te Eindhoven.

Partijen zullen hierna de bewindvoerder dan wel [A] en Trudo genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 oktober 2020 met producties 1 tot en met 10;

  • -

    de brief van 15 oktober 2020 van mr. Slaats met productie 11;

  • -

    de akte van 15 oktober 2020 van mr. Slaats met aanvullende producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van mr. Poort met een productie;

  • -

    de brief van 16 oktober 2020 van mr. Poort met een productie;

  • -

    de mondelinge behandeling van 19 oktober 2020 te 9.30 uur;

  • -

    de pleitnota van mr. Poort namens Trudo.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Sinds 27 maart 2015 is de bewindvoerder aangesteld als bewindvoerder over de goederen van [A] (hierna te noemen: [A] ).

2.2.

[A] woont met ingang van 27 april 2011 in een zelfstandige huurwoning (een appartement) aan het adres [adres] (hierna: de woning). De woning is een bovenwoning in een complex van duplexwoningen. [A] huurt de woning van Trudo.

2.3.

Trudo heeft in 2017 twee keer een kort gedingprocedure gestart, omdat zij van mening was dat [A] tekort was geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst vanwege bedreiging van medewerkers van Trudo, alsmede overlast die omwonenden hebben ervaren. Bij vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 7 maart 2017 en ook bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 april 2017 is de vordering van Trudo tot ontruiming van [A] uit de woning afgewezen.

2.4.

Daarnaast is Trudo een bodemprocedure jegens [A] gestart bij de kantonrechter van deze rechtbank (zaak- en rolnummer 5849021 / 17-3137). Trudo heeft in deze procedure ontbinding van de huurovereenkomst tussen [A] en Trudo gevorderd, alsmede ontruiming van de woning door [A] .

2.5.

Bij tussenvonnis van 28 december 2017 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter geoordeeld dat de bedreiging (in beginsel) reeds voldoende grond is voor ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. Voorts heeft de kantonrechter geoordeeld dat van overlast onvoldoende is gebleken, dat de situatie met betrekking tot vervuiling van de woning is verbeterd en [A] een kwetsbare huurder is. Daarom heeft de kantonrechter de zaak voor zes maanden, te weten tot 28 juni 2018 aangehouden.

2.6.

Tegen voornoemd vonnis heeft Trudo tussentijds appèl ingesteld. Bij arrest van 10 september 2019 heeft het gerechtshof het tussenvonnis van de kantonrechter bekrachtigd en de zaak terugverwezen naar de kantonrechter van deze rechtbank.

2.7.

Vervolgens heeft de kantonrechter van deze rechtbank bij eindvonnis van 9 april 2020 (hierna: het vonnis) de vordering van Trudo tot ontbinding van de huurovereenkomst toegewezen. Ook de vordering tot ontruiming van de woning is toegewezen en daarbij is een ontruimingstermijn bepaald van zes maanden na betekening van het vonnis.

2.8.

Trudo heeft het vonnis op 29 april 2020 aan [A] laten betekenen en daarbij aangezegd dat [A] uiterlijk op 29 oktober 2020 de woning zal moeten hebben verlaten.

2.9.

Op 6 juli 2020 heeft [A] tegen het tussenvonnis en het vonnis hoger beroep ingesteld. In het kader van deze beroepsprocedure (zaaknummer 200.280.588/01) heeft [A] een provisionele vordering ingediend en daarin gevorderd de veroordeling tot ontruiming van de woning te schorsen ondermeer vanwege nieuwe ontwikkelingen.

2.10.

Bij exploot van 16 september 2020 heeft Trudo [A] aangezegd de woning te ontruimen op 4 november 2020.

2.11.

Het hof in Den Bosch heeft in zijn arrest van 16 oktober 2020 de vordering van [A] tot schorsing van het vonnis voor zover dat ziet op ontruiming van de woning afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

De bewindvoerder vordert, bij vonnis in kort geding, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 9 april 2020 uitgesproken verplichting om de woning te ontruimen, te schorsen, zolang het gerechtshof op het door [A] ingestelde beroep nog niet heeft beslist, althans een zodanige voorlopige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht, met veroordeling van Trudo in de kosten van deze procedure.

3.2.

De bewindvoerder legt daaraan het volgende ten grondslag.

Er is sprake van nieuwe omstandigheden die pas aan de orde zijn gekomen na het in beroep bestreden vonnis van de kantonrechter van 9 april 2020 en ook in het incidenteel arrest van 16 oktober 2020 is met deze nieuwe feiten door het gerechtshof geen rekening gehouden. Tegen die achtergrond heeft [A] recht en belang bij een beoordeling van deze nieuwe feiten en omstandigheden voorafgaand aan een daadwerkelijke (gedwongen) ontruiming.

De nieuwe feiten waar [A] op heeft gewezen betreft de nieuwe situatie dat een van de klagende omwonende per medio augustus 2020 is verhuisd en de overige klagende omwonenden onlangs hebben aangegeven dat zij niet langer willen dat hun eerdere klachten van enkele jaren geleden nog langer tegen [A] worden gebruikt.

3.3.

Trudo voert verweer.

Doorzetten van dit door de bewindvoerder aanhangig gemaakte executiegeschil levert - na het arrest van het gerechtshof van 16 oktober 2020 - volgens Trudo misbruik van recht op. Feitelijk wordt hiermee getracht bij een andere rechter alsnog haar gelijk te halen. Dat is in strijd met de afstemmingsleer van de Hoge Raad en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Wat de voorzieningenrechter betreft maakt [A] geen misbruik van recht door dit executiegeschil door te zetten, noch is dat in strijd met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de zgn. afstemmingsleer van de Hoge Raad ziet op de verhouding tussen een bodemvonnis en het te wijzen vonnis in kort geding. In beginsel dient de voorzieningenrechter zijn vonnis in kort geding af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter. De afstemmingsleer betreft – strikt genomen - niet de verhouding tussen een arrest van het hof in een incident ex art. 351 Rv en het te wijzen vonnis in kort geding in een executiegeschil. Wat de voorzieningenrechter betreft heeft hij in een executiegeschil als het onderhavige weinig ruimte om anders te oordelen dan het hof in het incident ex art. 351 Rv omdat de Hoge Raad in zijn arrest van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 heeft bepaald dat in het executiegeschil en het incident ex art. 351 Rv hetzelfde toetsingskader geldt. Daar komt bij dat een van het arrest ex art. 351 Rv afwijkend vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter door het hof (al dan niet in een spoed appel) ook (meteen) weer kan worden vernietigd. Alleen in het geval sprake zou zijn van (een) kennelijke misslag(en) in het arrest van het hof dan wel op grond van feiten die het hof niet in zijn oordeel heeft kunnen betrekken, kan de voorzieningenrechter in afwijking van het arrest van het hof dezelfde vordering als in het incident ex art. 351 Rv is afgewezen, in dit executiegeschil toewijzen.

4.2.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [A] gesuggereerd dat sprake is van een kennelijke misslag in het vonnis omdat de kantonrechter niet gemotiveerd heeft gereageerd op het verweer van [A] tegen de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis. Het enkele feit dat de kantonrechter niet gemotiveerd heeft gereageerd op dit verweer, maakt niet dat Trudo misbruik van executiebevoegdheid maakt door het vonnis ten uitvoer te leggen. Los daarvan geldt dat het hof de belangen van partijen heeft afgewogen en daarmee heeft gedaan hetgeen [A] de kantonrechter verwijt niet te hebben gedaan.

4.3. “

Nieuwe feiten” waarop [A] zich beroept zijn dat onlangs een buurvrouw is verhuisd die voorheen klachten over hem bij Trudo had ingediend en voorts is er een familie die in het kader van de eerdere ontruimingsprocedure overlastklachten over [A] had ingediend, maar zich daar thans in het kader van de thans hangende procedures niet meer op wenst te beroepen.

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze omstandigheden niet zodanig zijn dat een belangenafweging in het voordeel van [A] dient uit te vallen. Het is immers niet aan de omwonenden om te bepalen of [A] thans in de gelegenheid dient te worden gesteld om in de woning de uitkomst van de hoger beroepsprocedure af te wachten. Nu deze omstandigheden niet relevant worden geacht in het kader van een belangenafweging, zal de vordering van de bewindvoerder worden afgewezen. Daarbij tekent de voorzieningenrechter aan dat hem tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding is gebleken dat [A] zich nog steeds zeer negatief over Trudo uitlaat en omwonenden in juni 2020 nog over overlast door [A] bij Trudo hebben geklaagd (producties 36 en 37 bij Memorie van Antwoord in het incident). De voorzieningenrechter neemt, voor zover dat al nodig is, de belangenafweging door het hof over en maakt die tot de zijne.

4.5.

[A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Trudo worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.636,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten, aan de zijde van Trudo tot op heden begroot op € 1.636,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de proceskosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.3.

veroordeelt de bewindvoerder in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de bewindvoerder niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2020.