Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:5174

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
C/01/356048 / FA RK 20-837
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IPR.

De Nederlandse wetgeving en internationale verdragen staan er niet aan in de weg dat door dezelfde partijen zowel in Nederland als ook in een ander land, een echtscheidingsprocedure wordt opgestart. Er wordt geen beroep op litispendentie gedaan.

Het enkele feit dat de vrouw, dan wel haar schoonouders, een procedure zijn gestart in X en dat aldaar het recht van X wordt toegepast maakt niet dat in de Nederlandse procedure het recht van X moet worden toegepast. Voor de echtscheidingsprocedure in Nederland is van belang dat in de Nederlandse procedure een rechtskeuze is gemaakt voor de toepassing van X recht.

De man heeft in zijn verweerschrift enkel gesteld en verwezen naar een rechtskeuze die de vrouw zou hebben gemaakt. Uit de bewoordingen van de man in zijn verweerschrift valt niet af te leiden dat de man een rechtskeuze maakt. De rechtbank is van oordeel dat ook de man geen rechtskeuze heeft gemaakt voor toepassing van het recht van X.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 12
Burgerlijk Wetboek Boek 10 56
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

locatie 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rekestnummer: C/01/356048 / FA RK 20-837

Beschikking d.d. 6 augustus 2020

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. C.M. Achekar, gevestigd te Almere,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. P.J. van den Hoogen, gevestigd te Eindhoven.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 28 februari 2020;

- het verweerschrift;

- de correspondentie waaronder:

 een F9-formulier d.d. 10 maart 2020 van mr. Groen;

 een brief met bijlage d.d. 3 juli 2020 van mr. Van den Hoogen;

 een brief met bijlagen d.d. 10 juli 2020 van mr. Van den Hoogen.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020. Vanwege de maatregelen rondom het coronavirus zijn de vrouw en haar advocaat telefonisch gehoord en de man en zijn advocaat gelijktijdig via een Skypeverbinding. Zowel de man als de vrouw zijn bijgestaan door een eigen tolk.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] dan wel [datum] te [land X] . Partijen hebben de [X] nationaliteit.

2.2.

Scheiding

2.2.1.

De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.2.2.

De man betwist primair de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en de toepassing van Nederlands recht op het verzoek.

2.2.3.

Rechtsmacht

Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift hadden beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland. Daarin is na de indiening van het verzoekschrift geen verandering gekomen. Aldus komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om over het verzoek tot echtscheiding te oordelen (artikel 3 Brussel II bis).

2.2.4.

De Nederlandse wetgeving en internationale verdragen staan er niet aan in de weg dat door dezelfde partijen zowel in Nederland als ook in een ander land, in dit geval [land X] , een echtscheidingsprocedure wordt opgestart.

Op grond van artikel 12 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), welk artikel in deze zaak van toepassing is, kan de Nederlandse rechter oordelen dat de Nederlandse procedure wordt aangehouden totdat de buitenlande rechter een beslissing heeft gegeven. Door de man is geen beroep gedaan op artikel 12 Rv. De man beroept zich enkel op het feit dat in [land X] een procedure is opgestart om de bevoegdheid van de Nederlandse rechter te betwisten. Dat staat echter niet aan het opstarten van een echtscheidingsprocedure in Nederland in de weg.

2.2.5.

Door de man is voorts nog aangevoerd dat partijen naar [X] recht verplicht zijn om een scheidingsprocedure in [land X] te voeren. Zo deze verplichting bestaat valt niet in te zien op grond van welke rechtsregel deze verplichting directe werking in Nederland toekomt.

2.2.6.

De rechtbank is van oordeel dat zij bevoegd is om van het verzoek tot echtscheiding van de vrouw kennis te nemen.

2.2.7.

Toepasselijk recht

De man stelt dat op grond van artikel 10:56, lid 2, BW het recht van [land X] moet worden toegepast op het verzoek tot echtscheiding. De man legt daaraan ten grondslag dat de vrouw in [land X] een zogenaamde Dowry-procedure is gestart en neemt daarbij de aard van de door de vrouw gevraagde voorzieningen in [land X] in aanmerking.

2.2.8.

De vrouw is van mening dat Nederlands recht moet worden toegepast. Zij wijst er op dat de procedure in [land X] een voorprocedure is die is opgestart door haar schoonouders en dat die procedure nog niet ziet op een feitelijk verzoek tot echtscheiding. De vrouw betwist dat zij gekozen heeft voor de toepassing van het recht van [land X] op de Nederlandse procedure.

2.2.9.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 10:56, lid 2, BW kan het recht van een vreemde Staat worden toegepast op een echtscheidingsprocedure die voor de Nederlandse rechter wordt gevoerd indien beide partijen de nationaliteit van die Staat bezitten. Aan die voorwaarde is voldaan. Daarnaast moeten partijen dan gezamenlijk een keuze voor het recht van die Staat hebben gemaakt. Daarvan is geen sprake.

Een rechtskeuze kan ook door één van de echtgenoten worden gemaakt, maar dan mag de andere echtgenoot die keuze niet weerspreken.

Het enkele feit dat de vrouw, dan wel haar schoonouders, een procedure zijn gestart in [land X] en dat aldaar het recht van [land X] wordt toegepast maakt niet dat in de Nederlandse procedure het recht van [land X] moet worden toegepast. Voor de echtscheidingsprocedure in Nederland is van belang dat in de Nederlandse procedure een rechtskeuze is gemaakt voor de toepassing van [X] recht. Het opstarten van de procedure in [land X] brengt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet mee dat om die reden door de vrouw in de Nederlandse procedure een rechtskeuze voor [X] recht is gemaakt.

2.2.10.

Op grond van artikel 10:56, lid 3, BW moet een rechtskeuze uitdrukkelijk worden gedaan of anderszins voldoende blijken uit de in het verzoekschrift of verweerschrift gebruikte bewoordingen. De man heeft in zijn verweerschrift enkel gesteld en verwezen naar een rechtskeuze die de vrouw zou hebben gemaakt. Uit de bewoordingen van de man in zijn verweerschrift valt niet af te leiden dat de man een rechtskeuze maakt. De rechtbank is van oordeel dat ook de man geen rechtskeuze heeft gemaakt voor toepassing van het recht van [land X] .

2.2.11.

De verwijzing van de man naar het feit dat partijen een werkelijke maatschappelijke band met [land X] hebben kan verder onbesproken blijven. Op grond van artikel 10:56, lid 2, BW is de vraag of partijen een werkelijke maatschappelijke band met [land X] hebben alleen van belang indien één van partijen een rechtskeuze voor dat recht heeft gemaakt, maar daarvan is geen sprake.

2.2.12.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een rechtskeuze voor [X] recht in de Nederlandse procedure. De rechtbank past op grond van artikel 10:56, lid 1, BW Nederlands recht tot op het verzoek tot echtscheiding.

2.3.

Vervolg van de procedure

2.3.1.

De rechtbank is van oordeel dat de zaak thans gereed is voor een mondelinge behandeling van alle (overige) voorliggende verzoeken. Daarbij zal ook de vraag naar de juiste huwelijksdatum worden besproken.

2.3.2.

Daartoe zullen partijen bij afzonderlijk bericht worden opgeroepen. De rechtbank kan op dit moment geen mededeling doen over de termijn waarbinnen die oproep wordt verzonden. De verdere behandeling en beslissing wordt aangehouden zoals hierna wordt overwogen.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

verklaart zich bevoegd om van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen;

3.2.

bepaalt dat Nederlands recht van toepassing is op het verzoek tot echtscheiding;

3.3.

houdt iedere verdere behandeling en beslissing pro forma aan in afwachting van een te plannen mondelinge behandeling.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.E. Roll, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 6 augustus 2020.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt..