Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:5165

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
01/995090-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als werkgever handelingen verricht en/of nagelaten in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet. Als gevolg daarvan is een werknemer van verdachte bij het uitvoeren van de werkzaamheden overleden.

Het beroep op eendaadse samenloop wordt verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 EVRM met twee maanden overschreden. De rechtbank volstaat met die constatering en verbindt daar geen gevolgen aan.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 100.000,--.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/995090-18

Datum uitspraak: 22 september 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

gevestigd te [plaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 augustus en 8 september 2020. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 april 2020.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. zij op of omstreeks 8 november 2017 te Etten-Leur als werkgever al dan niet opzettelijk handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet of de daarop berustende bepalingen, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de werkneemster [slachtoffer] ontstond of te verwachten was, immers heeft zij toen daar -in strijd met artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet schriftelijk vastgelegd, welke risico's de arbeid aan de productielijn Midline 5 bij de stapelaar/lift aan de zijde van de square-unit voor de werknemers met zich bracht met daarin tevens een beschrijving van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen ten aanzien van die arbeid en/of -in strijd met artikel 8 lid 4 van de Arbeidsomstandighedenwet niet toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van aan de te verrichten werkzaamheden aan de productielijn Midline 5 verbonden risico's met name bij het betreden van de rollenbanen en/of de square unit en/of het verrichten van werkzaamheden aan- in en/of bij de lift/stapelaar aan de zijde van de square-unit en/of -in strijd met artikel 7.7 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, terwijl bewegende delen van een arbeidsmiddel, te weten de lift/stapelaar van de productielijn Midline 5 gevaar opleverden, deze niet van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen voorzien, dat het gevaar zoveel mogelijk werd voorkomen en/of

-in strijd met artikel 7.5 lid 2 en 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit onderhouds-, reparatie-, reinigings-, productie- en/of afstelwerkzaamheden aan een arbeidsmiddel, te weten de lift/stapelaar van de productielijn Midline 5 uitgevoerd terwijl dat arbeidsmiddel niet was uitgeschakeld en drukloos of spanningsloos was gemaakt;

2. zij op of omstreeks 8 november 2017 te Etten-Leur, zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of onzorgvuldig in haar bedrijf een werkneemster, genaamd [slachtoffer] werkzaamheden heeft laten verrichten aan/in/bij een lift/stapelaar van de productielijn Midline 5 en/of de square unit van die productielijn, terwijl zij, verdachte - de risico's en de gevaren van die werkzaamheden en/of het gebruik van die goederenlift/goederenheffer niet of onvoldoende had geïnventariseerd en/of beoordeeld en/of geen, althans onvoldoende maatregelen had getroffen om die gevaren en/of die riscio's te voorkomen en/of te beperken en/of - niet had toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van aan de te verrichten werkzaamheden aan de productielijn Midline 5 verbonden risico's met name bij het betreden van de rollenbanen en/of de square unit en/of het verrichten van werkzaamheden aan- in en/of bij de lift/stapelaar aan de zijde van de square-unit en/of

- er niet voor had gezorgd dat bewegende delen van die lift/stapelaar van de productielijn Midline 5, die gevaar opleverden, van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen waren voorzien, dat het gevaar zoveel mogelijk werd voorkomen en/of - er niet voor heeft gezorgd dat die lift/stapelaar was uitgeschakeld, drukloos of spanningsloos was gemaakt bij het verrichten van voornoemde werkzaamheden, tengevolge waarvan aan haar, verdachtes schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] tussen de naar boven komende lift en een daarboven gelegen balk bekneld is geraakt, waardoor zij zodanig letsel heeft bekomen, te weten hoofd- en/of borstletsel, in ieder geval zodanig letsel, dat zij aan de gevolgen daarvan is overleden;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide tenlastegelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft overeenkomstig de op geschrift gestelde pleitnotitie bepleit verdachte vrij te spreken.

Het oordeel van de rechtbank.

DE BEWIJSMIDDELEN

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

NADERE OVERWEGINGEN VAN DE RECHTBANK

De toedracht

Mevrouw [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) was sinds lange tijd werkzaam bij [verdachte] , waar zij laatstelijk werkzaamheden verrichtte die bestonden uit het bedienen van verschillende machines behorend tot de productielijn Midline 5 (hierna: de productielijn). Met deze productielijn werden dozen gefabriceerd. Het laatste deel van de productielijn bestond uit een zogenoemde square unit, waarop platte, ongevouwen dozen via een rollenbaan werden aangevoerd richting het volgende onderdeel van de lijn, te weten de stapelaar/lift, die de dozen op pallets stapelde. Langs de productielijn staan verschillende bedieningspanelen die ieder een gedeelte van de productielijn bedienen. Bij de square unit stond een paneel waarmee de rollenbaan van de square unit werd bediend. Bij de stapelaar/lift stond een bedieningspaneel voor de bediening van dit gedeelte van de productielijn.

Op 8 november 2017 trad er een storing in de productielijn op, omdat er bij de square unit op de rollenbaan vlak voor de stapelaar/lift dozen scheef lagen. Het slachtoffer wilde de storing opheffen en heeft de rollenbaan stil gelegd via het bedieningspaneel bij de square unit. Daarna heeft zij de rollenbaan betreden en de dozen recht gelegd. Nadat zij dit gedaan had is zij richting de stapelaar/lift gelopen om hier een tussenlegvel vanaf te pakken. De stapelaar/lift was echter op dat moment niet stil gelegd, dan wel uitgeschakeld. Vervolgens is de stapelaar/lift in beweging gekomen terwijl het slachtoffer daar met haar hoofd en een deel van haar bovenlichaam boven hing. Het slachtoffer werd door de lift mee omhoog getild en zij is vervolgens met haar hoofd bekneld geraakt tussen de lift en de bovenliggende dwarsbalk. Hierbij heeft zij letsel bekomen ten gevolge waarvan zij is overleden.

T.a.v. feit 1

Artikelen 5 en 8 van de Arbeidsomstandighedenwet (eerste en tweede gedachtestreepje)

Artikel 5, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet legt de verplichting op aan de werkgever om bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast te leggen welke risico's de arbeid voor de werknemers met zich brengt.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen en uit de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat de risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) uit 2014 een RI&E op hoofdlijnen betreft en dat een verdiepende RI&E voor de Midline 5 stond gepland voor eind 2017, maar nog niet had plaatsgevonden ten tijde van het arbeidsongeval. De verdediging heeft aangevoerd dat derhalve niet naar de RI&E uit 2014 moet worden gekeken, maar naar die uit 2005. Hierin was het beknellingsgevaar bij de lift niet opgenomen en de risico’s van de gedeeltelijk ontbrekende fysieke afscherming of andere beveiligingsinrichting waren niet beoordeeld. De verdediging heeft gesteld dat verdachte zich niet bewust was van het risico op beknelling en zich daardoor ook niet bewust was van het ontbreken van dit risico in haar RI&E. Zij vertrouwde immers op de RI&E uit 2005 en hierin was dat risico niet benoemd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vaststaat dat er bij de productielijn ter hoogte van de square unit en de stapelaar/lift voor de werknemers een risico op beknelling bestond. Dat risico heeft zich geopenbaard op 8 november 2017. Het beknellingsrisico was niet onderkend in een RI&E. Niettemin moest verdachte naar het oordeel van de rechtbank van het risico op beknelling hebben geweten, dan wel had verdachte van dit risico kunnen weten. In de eerste plaats omdat dit gedeelte van de productielijn niet volledig was omheind met een hekwerk, zodat het voor werknemers mogelijk was om de rollenbaan te betreden en in de directe nabijheid van de stapelaar/lift te komen. Uit meerdere getuigenverklaringen van werknemers die jarenlang werkzaam waren bij verdachte blijkt dat dit in de praktijk ook met regelmaat gebeurde. Er was dus sprake van een inherent gevaarlijke situatie die voor verdachte kenbaar was. Ook staat in de productiehal een nieuwere soortgelijke machine van hetzelfde merk die wel over een dergelijke inloopbeveiliging beschikt. Verder was het beknellingsgevaar ter plaatse zichtbaar, zo blijkt uit de waarneming ter plaatse van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Tot slot heeft de heer [persoon] , service technieker van de leverancier van de machine, in 2015 in diens inspectierapport een waarschuwing opgenomen waarbij verdachte erop wordt gewezen dat met het indrukken van de gele drukknop op het bedieningspaneel bij de square unit, niet de stapelaar/lift wordt stil gelegd maar alleen de rollenbaan.

Dit alles maakt dat verdachte wist of had moeten weten dat er een risico op beknelling bestond op de plaats van de productielijn waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Desondanks was dat risico niet onderkend in een RI&E, hetgeen tot de nadrukkelijke verantwoordelijkheid behoorde van verdachte.

Artikel 8, vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet legt aan de werkgever de verplichting op toe te zien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de aan de te verrichten werkzaamheden verbonden risico’s.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat in de gebruiksaanwijzing van de machine is opgenomen dat het verboden is de rollenbaan te betreden. Uit de verklaringen van een aantal productiemedewerkers van verdachte volgt dat de rollenbaan door hen met juist wel werd betreden, namelijk indien zich een storing voordeed in het productieproces, en dat deze werkwijze in die situatie gebruikelijk was. Uit diezelfde verklaringen volgt verder dat de instructies die aan hen gegeven waren met betrekking tot het beklimmen van de rollenbaan, niet door de werknemers werden nageleefd en dat daartegen ook niet werd opgetreden. Leidinggevenden van deze medewerkers wisten daarvan en stonden het toe.

Hieruit volgt dat verdachte er niet op toezag dat de werknemers zich hielden aan de voorschriften in de gebruiksaanwijzing van de machine. Sterker nog, er gold een beleid dat in strijd was met hetgeen in de gebruiksaanwijzing stond: er waren instructies of voorschriften die bepaalden dat in geval van een storing de rollenbaan beklommen moest worden. En ten slotte zag verdachte er niet op toe dat zelfs die instructies, hoewel in strijd met de gebruiksaanwijzing, werden nageleefd.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank hetgeen onder het eerste en tweede gedachtestreepje van feit 1 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen.

Artikelen 7.1 en 7.5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (derde en vierde gedachtestreepje)

Artikel 7.1, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit legt aan de werkgever de verplichting op bewegende delen van een arbeidsmiddel die gevaar opleveren van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen te voorzien dat het gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen en uit de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op de ongevalslocatie hebben vastgesteld dat tussen de square-unit en de stapelaar/lift (in het proces-verbaal gerelateerd als Palletiser) geen scherm aanwezig was dat het gevaar dat het bewegende deel van de stapelaar/lift opleverde zoveel mogelijk voorkwam en dat er geen beveiligingsinrichtingen aanwezig waren die het gevaar van de lift zoveel mogelijk voorkwam.

Ook ten aanzien van dit gedachtestreepje heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte zich ten tijde van het ongeval niet bewust was van het gevaar dat de bewegende delen opleverden en dat daarmee ook het bewustzijn ontbrak van de omstandigheid dat een afscherming en aanvullende beveiligingsinrichtingen nodig waren. De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen zij heeft overwogen ten aanzien van het overtreden van artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet, volgt dat verdachte redelijkerwijs had kunnen en moeten weten dat de bewegende delen van de stapelaar/lift gevaar voor de werknemers opleverden. Op haar rustte aldus de verplichting om dit gevaar zoveel mogelijk te voorkomen. Desondanks heeft verdachte dit nagelaten.

Artikel 7.5, tweede en derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit legt de verplichting op dat onderhouds-, reparatie-, reinigings-, productie- en/of afstelwerkzaamheden aan een arbeidsmiddel worden uitgevoerd terwijl dat arbeidsmiddel is uitgeschakeld en drukloos of spanningsloos is gemaakt.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen en uit de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat het slachtoffer de rollenbaan en square-unit heeft betreden, terwijl de lift/stapelaar niet was uitgeschakeld en druk- of spanningsloos was gemaakt. Het slachtoffer deed dit tijdens de uitvoering van de productiewerkzaamheden. Dit wordt niet betwist door de verdediging.

De verdediging beroept zich echter op de laatste zin uit artikel 7.5, tweede lid Arbeidsomstandighedenbesluit, namelijk dat indien het niet mogelijk is om het apparaat uit te schakelen en druk- of spanningsloos te maken, er doeltreffende maatregelen dienen te worden genomen om de werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren. Aan dat vereiste heeft verdachte volgens de verdediging voldaan. Om de productielijn druk- en spanningsloos te maken, dient de zogeheten ‘Lockout Tagout Tryout procedure (LTT procedure) te worden toegepast. Dit is volgens de verdediging een arbeidsintensieve procedure waarbij de hele productielijn stil komt te liggen. Uit de handleiding van de machine blijkt dat voor korte ingrepen die tot het normale productieproces behoren de operator de vuistslagknop van de betreffende zone dient in te drukken. De verdediging concludeert hieruit dat de laatste zin van artikel 7.5, tweede lid, Arbeidsomstandighedenbesluit van toepassing is, namelijk dat de machine niet druk- of spanningsloos hoefde te worden gemaakt door het slachtoffer en dat het vierde gedachtestreepje aldus niet bewezen kan worden.

De rechtbank volgt dit betoog van de verdediging niet. Artikel 7.5, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit schrijft voor dat er doeltreffende maatregelen dienen te worden genomen om productiewerkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren indien het niet mogelijk is om het arbeidsmiddel uit te schakelen en druk- of spanningsloos te maken. De LTT procedure maakt het echter mogelijk om de Midline 5 druk- en spanningsloos te maken, hetgeen ook wordt erkend door de verdediging. Deze omstandigheid maakt reeds dat de uitzonderingsclausule van de laatste zin van artikel 7.5, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit niet aan de orde is. Dat de handleiding een andere werkwijze beschrijft maakt niet dat de wettelijke verplichting die voortvloeit uit het Arbeidsomstandighedenbesluit buiten beschouwing kan worden gelaten. Dat het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Inspectie SZW, na het ongeval heeft ingestemd met de ‘Procedure veilig werken aan de Midline 5’ waarin niet wordt voorgeschreven dat de Midline 5 druk- of spanningsloos wordt gemaakt voor kleine ingrepen doet hier niet aan af, nu dat pas na het ongeval heeft plaatsgevonden en verdachte hiermee niet met terugwerkende kracht is vrijgesteld van deze verplichting.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank hetgeen onder het derde en vierde gedachtestreepje van feit 1 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen.

Toerekening aan verdachte

Een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de verboden gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

De rechtbank overweegt dat het slachtoffer werkzaam was ten behoeve van de rechtspersoon en dat haar werkzaamheden bij de productielijn pasten binnen de normale bedrijfsvoering van verdachte en dat die werkzaamheden verdachte tevens dienstig zijn geweest. Verdachte heeft het handelen van het slachtoffer aanvaard door onvoldoende maatregelen te treffen en onvoldoende in haar zorgplichten te voorzien, terwijl het in haar macht lag om dit wel te doen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ontstaan van het ongeval en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Opzet

In het economisch strafrecht dient de term opzet te worden uitgelegd als kleurloos opzet. Dit betekent dat het opzet alleen gericht moet zijn op de verweten gedraging, in dit geval telkens een nalaten, en niet op de wederrechtelijkheid daarvan.

Verdachte wordt bekend verondersteld met de op haar rustende verplichting tot het naleven van de zorgplichten voortvloeiende uit de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit. Uit het bovenstaande volgt dat verdachte heeft nagelaten de genoemde zorgplichten na te leven. Gelet op hetgeen bij de individuele zorgplichten is overwogen, in het bijzonder ten aanzien van de wetenschap van verdachte, ligt in het nalaten van verdachte het opzet besloten.

Verdachte had redelijkerwijs moeten weten dat als gevolg van het nalaten de betreffende zorgplichten na te leven, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de werknemers ontstond of te verwachten was. De zorgplichten waren in dit geval gericht op de veiligheid van de werkzaamheden bij een complexe technische machine die een omvangrijke productielijn behelsde. Het risico op levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid is evident als werknemers in een dergelijke machine bekneld raken.

T.a.v. feit 2

Voor het aannemen van schuld als delictsbestanddeel in artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht moet het gaan om een verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De dader had anders moeten handelen (verwijtbaarheid) en anders kunnen handelen (vermijdbaarheid). Een en ander wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is afhankelijk van het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Overigens moeten de aard en de ernst van de gevolgen van het tenlastegelegde bij de beoordeling van de mate van schuld buiten beschouwing worden gelaten, hoe tragisch dat gevolg ook is. Wel dient vast komen te staan dat tussen de gemaakte fout en de dood/het letsel voldoende oorzakelijk verband (causaliteit) bestaat, terwijl tot slot voor culpoze strafbaarheid de voorzienbaarheid nog steeds als een voorwaarde geldt.

De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen zij heeft overwogen ten aanzien van feit 1, volgt dat aan voornoemde eisen is voldaan. Er is gebleken dat verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan de op de haar op grond van de Arbeidsomstandighedenwet rustende zorgplichten en had kunnen weten dat er levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers te verwachten viel. Door dit nalaten heeft het slachtoffer de rollenband betreden en is zij bekneld geraakt tussen de lift en de dwarsbalk van de stapelaar. Verdachte had niet schriftelijk vastgelegd welke risico’s de arbeid aan de productielijn Midline 5 met zich bracht, zag niet toe op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de risico’s, er waren geen schermen of beveiligingsinrichtingen aanwezig die het gevaar zoveel mogelijk beperkten en het arbeidsmiddel was niet uitgeschakeld en drukloos of spanningsloos gemaakt tijdens de productiewerkzaamheden. Het causale verband tussen de beknelling van het slachtoffer – aan de gevolgen waarvan zij is overleden – en het nalaten van verdachte is hiermee gegeven.

Het is de combinatie van al de tenlastegelegde omstandigheden tezamen die maakt dat verdachte tekort is geschoten in de naleving van de op haar rustende bijzondere zorgplicht, en waardoor het ongeval heeft kunnen plaatsvinden. Dat deze omstandigheden aan verdachte als rechtspersoon toegerekend kunnen worden, volgt uit hetgeen hierover bij feit 1 is overwogen.

Door dit alles tezamen, in onderling verband bezien, heeft verdachte de op haar rustende zorgplicht voor de veiligheid van het slachtoffer vermijdbaar en verwijtbaar veronachtzaamd en daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam gehandeld. Dat verdachte de risico’s en gevolgen die zich hebben voorgedaan toen het misging had kunnen en moeten voorzien en anders had moeten en kunnen handelen, volgt uit hetgeen hierover bij feit 1 is overwogen ten aanzien van de overtreding van artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet. De rechtbank acht daarom bewezen dat het aan de schuld van verdachte is te wijten dat het slachtoffer, mevrouw [slachtoffer] , is komen te overlijden.

DE CONCLUSIE

Gelet op de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven. De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. zij op 8 november 2017 te Etten-Leur als werkgever opzettelijk handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet of de daarop berustende bepalingen, terwijl daardoor, naar zij redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de werkneemster [slachtoffer] ontstond of te verwachten was, immers heeft zij toen daar -in strijd met artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet schriftelijk vastgelegd, welke risico's de arbeid aan de productielijn Midline 5 bij de stapelaar/lift aan de zijde van de square-unit voor de werknemers met zich bracht met daarin tevens een beschrijving van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen ten aanzien van die arbeid en

-in strijd met artikel 8 lid 4 van de Arbeidsomstandighedenwet niet toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van aan de te verrichten werkzaamheden aan de productielijn Midline 5 verbonden risico's met name bij het betreden van de rollenbanen en de square unit en het verrichten van werkzaamheden bij de lift/stapelaar aan de zijde van de square-unit en -in strijd met artikel 7.7 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, terwijl bewegende delen van een arbeidsmiddel, te weten de lift/stapelaar van de productielijn Midline 5 gevaar opleverden, deze niet van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen voorzien, dat het gevaar zoveel mogelijk werd voorkomen en

-in strijd met artikel 7.5 lid 2 en 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit productiewerkzaamheden aan een arbeidsmiddel, te weten de lift/stapelaar van de productielijn Midline 5 uitgevoerd terwijl dat arbeidsmiddel niet was uitgeschakeld en drukloos of spanningsloos was gemaakt;

2. zij op 8 november 2017 te Etten-Leur, aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of onzorgvuldig in haar bedrijf een werkneemster, genaamd [slachtoffer] werkzaamheden heeft laten verrichten bij een lift/stapelaar van de productielijn Midline 5 en de square unit van die productielijn, terwijl zij, verdachte - de risico's en de gevaren van die werkzaamheden en het gebruik van die lift niet of onvoldoende had geïnventariseerd en beoordeeld en onvoldoende maatregelen had getroffen om die gevaren en/of die risico’s te voorkomen en/of te beperken en - niet had toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van aan de te verrichten werkzaamheden aan de productielijn Midline 5 verbonden risico's met name bij het betreden van de rollenbanen en de square unit en het verrichten van werkzaamheden bij de lift/stapelaar aan de zijde van de square-unit en

- er niet voor had gezorgd dat bewegende delen van die lift/stapelaar van de productielijn Midline 5, die gevaar opleverden, van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen waren voorzien, dat het gevaar zoveel mogelijk werd voorkomen en

- er niet voor heeft gezorgd dat die lift/stapelaar was uitgeschakeld, drukloos of spanningsloos was gemaakt bij het verrichten van voornoemde werkzaamheden, ten gevolge waarvan aan haar, verdachtes schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] tussen de naar boven komende lift en een daarboven gelegen balk bekneld is geraakt, waardoor zij zodanig letsel heeft bekomen, te weten hoofd- en borstletsel, dat zij aan de gevolgen daarvan is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Eendaadse samenloop

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, op grond waarvan alleen artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet dient te worden toegepast. De rechtbank overweegt dat het feitencomplex bij feit 1 en feit 2 weliswaar gelijkluidend is, maar dat het beschermd belang van beide feiten onderling verschilt. Feit 1 betreft een economisch delict dat specifiek betrekking heeft op voorschriften waaraan een werkgever en andere aangewezen (rechts)personen zich dienen te houden en die ten doel hebben de arbeidsomstandigheden van werknemers te beschermen. Feit 2 betreft een commuun delict waarin het veroorzaken van de dood door schuld is strafbaar gesteld. Hierbij vormt het menselijk leven het beschermd belang. Nu de strekking van de ten laste gelegde feiten meer dan enigszins uiteen loopt, kan niet worden gesproken van hetzelfde feit. De rechtbank stelt derhalve vast dat er geen sprake is van eendaadse samenloop.

De rechtbank stelt verder vast dat er geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden zijn die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 100.000,-.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft, ingeval de rechtbank tot een bewezenverklaring mocht komen, verzocht rekening te houden met de omstandigheden dat ten aanzien van feiten 1 en 2 sprake is van eendaadse samenloop, dat verdachte een coöperatieve opstelling had tijdens en na het onderzoek en dat de redelijke termijn is overschreden.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de aard van het door verdachte uitgeoefende bedrijf en de financiële omstandigheden van verdachte.

Strafverzwarende omstandigheden

Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat zij handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop berustende bepalingen. Als gevolg daarvan is werkneemster [slachtoffer] bij de uitoefening van haar werkzaamheden om het leven gekomen. Verdachte droeg als werkgever de verantwoordelijkheid voor de veiligheid en het welzijn van haar werknemers op de werkplaats en was uit dien hoofde verplicht om passende en adequate maatregelen te treffen tegen de op de arbeidslocatie aanwezige gevaren. Dit heeft verdachte nagelaten. Verdachte heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de veiligheidsrisico’s die aan het verrichten van de werkzaamheden door haar werknemers waren verbonden. Hiermee is verdachte ernstig tekort geschoten in haar zorgplicht jegens haar werknemers in het algemeen en mevrouw [slachtoffer] , in het bijzonder. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Strafmatigende omstandigheden

Verdachte heeft er blijk van gegeven dat zij de ernst van de gevolgen van de bewezen verklaarde feiten inziet. Nadat het arbeidsongeval had plaatsgevonden, heeft verdachte het veiligheidsbeleid aangescherpt en een scherm geplaatst tussen de rollenbaan en de stapelaar/lift. Voorts weegt de rechtbank mee dat verdachte zich betrokken toont bij de nabestaanden van [slachtoffer] .

De strafmodaliteit

Omdat verdachte een rechtspersoon is, heeft de rechtbank geen andere mogelijkheid dan aan verdachte een geldboete op te leggen als straf.

Redelijke termijn

De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar overgelegde pleitaantekeningen betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat het tijdsverloop niet geheel of gedeeltelijk is toe te rekenen aan de officier van justitie of dat dient te worden afgeweken van het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt. Een en ander maakt dat bij het doen van deze uitspraak door de rechtbank op 22 september 2020 de redelijke termijn met iets minder dan twee maanden is overschreden. Gelet op deze geringe overschrijding is de rechtbank van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat inbreuk is gemaakt op de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het EVRM, zonder verdachte daarvoor te compenseren in de hoogte van de op te leggen straf.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een geldboete van € 100.000,-.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 51, 57 en 307 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 5, 8 en 32 van de Arbeidsomstandighedenwet en de artikelen 7.5 en 7.7 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert de misdrijven:

T.a.v. feit 1

overtreding van het bepaalde bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon T.a.v. feit 2

aan haar schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1 en feit 2:

Een geldboete van € 100.000,- (honderdduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.G.J.M. van Ekert, voorzitter,

mr. H. Slaar en S.C. van Bergen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C. Pauw, griffier,

en is uitgesproken op 22 september 2020.