Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4978

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-10-2020
Datum publicatie
20-10-2020
Zaaknummer
C/01/349773 / HA ZA 19-551
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Letselschade. Wegwerkzaamheden uitgevoerd in opdracht gemeente. Aannemer plaatst borden om verkeer op fietspad naar overzijde weg te sturen. Aannemer verzuimt om dat verkeer na passeren werkzaamheden met borden terug te sturen en om tegemoetkomend verkeer met borden op tegenliggers te wijzen. Aanrijding op fietspad tussen fietser en tegemoetkomende snorfietser. Verzekeraar snorfietser heeft uitkering gedaan aan fietser en diens vordering op aansprakelijke partijen van hem gekocht. Verzekeraar spreekt gemeente en aannemer aan uit 6:162 BW. De gemeente is aansprakelijk omdat plaatsen bebording een overheidstaak is die zich niet aan particulieren laat overdragen. De aannemer is opgetreden ter uitoefening overheidstaak. Artikel 6:171 BW is niet van toepassing. De aannemer is zelf ook aansprakelijk want zij heeft haar zorgplicht tegenover verkeer op fietspad geschonden. Kelderluik-criteria.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0769
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/349773 / HA ZA 19-551

Vonnis van 14 oktober 2020

in de zaak van

de naamloze vennootschap

UNIGARANT N.V.,

gevestigd te Hoogeveen,

eiseres,

advocaat mr. D.D. Markvoort te Hoogeveen,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BERG EN DAL,

zetelend te Groesbeek,

gedaagde,

advocaat mr. A.J. Schoonen te Apeldoorn,

en tegen

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INFRASCOOP B.V.,

zetelend te Cuijk,

gedaagde,

advocaat mr. B. Fluit te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Unigarant en de Gemeente en Infrascoop genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het incidenteel vonnis van 8 januari 2020;

  • -

    de conclusie van antwoord van de Gemeente van 19 februari 2020;

  • -

    de conclusie van antwoord van Infrascoop van 19 februari 2020;

  • -

    de brieven van partijen voor de rol van 6 mei 2020, waarin zij allen aangeven dat zij schriftelijk willen doorprocederen en afzien van een mondelinge behandeling;

  • -

    de conclusie van repliek van Unigarant van 24 juni 2020;

  • -

    de conclusie van dupliek van de Gemeente van 24 juni 2020;

  • -

    de conclusie van dupliek van Infrascoop van 24 juni 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Op 7 oktober 2016 vond er een ongeval plaats op het fietspad langs de Nieuweweg in Groesbeek (gemeente Berg en Dal). De heer [naam fietser] (hierna: [naam fietser] ) reed vanuit Nijmegen in de richting van Groesbeek op het van de rijbaan gescheiden fietspad aan de - voor hem - rechterkant van de weg. De heer [naam snorfietser] (hierna: [naam snorfietser] ) reed met zijn snorfiets vanuit Groesbeek in de richting van Nijmegen op datzelfde fietspad, maar in tegengestelde richting. Hij reed dus aan de - voor hem - linkerkant van de weg. Zijn snelheid bedroeg circa 24 km/h. [naam fietser] en [naam snorfietser] hebben elkaar bij het passeren geraakt, waardoor [naam fietser] is gevallen en letsel heeft opgelopen.

2.2.

[naam snorfietser] reed op het fietspad aan de - voor hem - linkerkant van de Nieuweweg, omdat hij kort daarvoor door een verkeersbord naar de overkant van de weg was verwezen in verband met wegwerkzaamheden. Het verkeer op het fietspad uit de richting Groesbeek werd daar omgeleid via het fietspad aan de overzijde van de Nieuweweg. Ten tijde van het ongeval ontbrak bebording om het verkeer op het fietspad na het passeren van de wegwerkzaamheden weer naar de eigen rijbaan aan de overkant (rechterkant) van de Nieuweweg te verwijzen.

2.3.

Infrascoop is de aannemer die de wegwerkzaamheden feitelijk uitvoerde in opdracht van de Gemeente. Unigarant is de (WAM-) verzekeraar bij wie [naam snorfietser] zijn snorfiets had verzekerd.

2.4.

Het gedeelte van het fietspad waar het ongeval plaatsvond, is bedoeld voor eenrichtingsverkeer. Enkel in verband met de wegwerkzaamheden werd een gedeelte van het fietspad tijdelijk gebruikt voor verkeer uit beide richtingen. Vanuit Nijmegen werd het verkeer op het fietspad - in ieder geval tot aan de plek van het ongeval - niet middels bebording gewaarschuwd voor de mogelijkheid van tegemoetkomend verkeer.

2.5.

[naam fietser] heeft (via zijn rechtsbijstandsverzekeraar Klaverblad) [naam snorfietser] en de Gemeente (als wegbeheerder) aansprakelijk gesteld. De Gemeente heeft de aansprakelijkheid echter afgewezen. Ook Unigarant heeft de Gemeente aansprakelijk gesteld. De Gemeente heeft die aansprakelijkstelling doorgeleid naar (de aansprakelijkheidsverzekeraar van) Infrascoop. De Gemeente en Infrascoop hebben deze aansprakelijkstelling afgewezen.

2.6.

Unigarant heeft uiteindelijk de schade met [naam fietser] geregeld. In april 2019 heeft Unigarant in dat kader met [naam fietser] een vaststellingsovereenkomst gesloten (door Unigarant ondertekend op 10 april 2019 en door [naam fietser] op 17 april 2019). In totaal heeft Unigarant € 30.906,36 aan [naam fietser] uitgekeerd. In de vaststellingsovereenkomst is onder meer het volgende vastgelegd (waarbij Unigarant is aangeduid als verzekeraar, [naam fietser] als benadeelde of belanghebbende en [naam snorfietser] als verzekerde):

FEITEN

[…]

Verzekeraar heeft de aansprakelijkheid voor de geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval niet erkend. Verzekeraar treft met benadeelde een regeling en koopt de vordering om regres te nemen op de aansprakelijke veroorzaker(s) van het ongeval.

[…]


WAT WORDT OVEREENGEKOMEN?

[…]

Finale kwijting

5. Tegenover de overeengekomen schadevergoeding en de hiervoor genoemde betaling(en), verleent belanghebbende aan verzekeraar en verzekerde finale kwijting. Door deze overeenkomst te ondertekenen verklaart belanghebbende geen enkele vordering meer te hebben op verzekeraar en diens verzekerde voor de schade, die is ontstaan door dit verkeersongeval en het letsel dat belanghebbende daarbij heeft opgelopen. […]

8 Cessie

Belanghebbende verkoopt de totale vordering van € 30.906,36 op de aansprakelijke partij(en) en draagt deze in eigendom over, gelijk verzekeraar deze vordering koopt en bij deze in eigendom aanvaardt. […]

3 Het geschil en de standpunten van partijen

3.1.

Unigarant vordert, samengevat:

Primair: een verklaring voor recht dat de Gemeente en Infrascoop ieder voor zich volledig aansprakelijk zijn voor de schade van [naam fietser] als gevolg van het ongeval, met hoofdelijke veroordeling van de Gemeente en Infrascoop tot betaling van € 30.906,36;

Subsidiair: een verklaring voor recht dat de Gemeente en Infrascoop ieder voor zich aansprakelijk zijn voor de schade van [naam fietser] , voor een door de rechtbank te bepalen percentage, met veroordeling van de Gemeente en Infrascoop tot betaling van het met die percentages corresponderend gedeelte van € 30.906,36.

3.2.

Aan deze vorderingen legt Unigarant het volgende ten grondslag.

3.2.1.

De Gemeente is wegbeheerder en kan onrechtmatig handelen verweten worden (artikel 6:162 BW). Zij is toerekenbaar tekortgeschoten in de naleving van haar algemene zorgplicht ten aanzien van de veiligheid voor weggebruikers. Er was op de plek van het ongeval door het ontbreken van correcte bebording een gevaarzettende situatie met grote kans op ongelukken en het was voor de Gemeente niet bezwaarlijk om daartegen maatregelen te nemen. Als de bebording onvoldoende en/of onjuist is geweest, dan is sprake van handelen of nalaten van de gemeente zelf, ook al is voor de feitelijke uitvoering gebruik gemaakt van een andere partij. Het moet ervoor worden gehouden dat als [naam fietser] was gewezen op de mogelijkheid van tegemoetkomend verkeer en/of [naam snorfietser] tijdig was teruggestuurd naar de eigen weghelft, het ongeval niet was gebeurd. Unigarant beroept zich hierbij op de omkeringsregel.

3.2.2.

Infrascoop was verantwoordelijk voor de bebording en had volgens Unigarant daarmee een eigen zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van de verkeerssituatie ter plaatse van de werkzaamheden. De situatie was onveilig door het ontbreken van de correcte bebording. De onjuiste/onvolledige bebording is debet aan het ongeval. Ook hierbij beroept Unigarant zich op de omkeringsregel.

3.3.

De Gemeente verweert zich, samengevat, als volgt.

Verbalisanten hebben na het ongeval geconstateerd dat iets voorbij de wegwerkzaamheden het bord “fietsers oversteken” ontbrak. Dat bord kan zijn gestolen of Infrascoop heeft het niet geplaatst. Niet de Gemeente is hiervoor verantwoordelijk/aansprakelijk, maar Infrascoop. De Gemeente wist niet dat het bord ontbrak. Het handelen of nalaten van Infrascoop kan niet aan de Gemeente worden tegengeworpen. Artikel 6:171 BW mist toepassing, omdat de overheid als opdrachtgever buiten het bestek van dit artikel valt.

Subsidiair geldt dat de verzekerde van Unigarant, [naam snorfietser] , een aantal verwijten kan worden gemaakt. Als bestuurder van een motorrijtuig heeft hij een bijzondere zorgplicht ten opzichte van de zwakkere verkeersdeelnemers. [naam snorfietser] had na het passeren van de wegwerkzaamheden moeten en kunnen oversteken naar de eigen/oorspronkelijke rijbaan. Verder mocht hij met zijn scooter helemaal niet aan het verkeer deelnemen en [naam snorfietser] had zijn snelheid moeten aanpassen op het moment dat hij de fietser zag. Het ongeval is daarom volledig toe te rekenen aan [naam snorfietser] .

3.4.

Infrascoop verweert zich, samengevat, als volgt.

Unigarant is niet ontvankelijk in haar vorderingen, omdat zij niet heeft gesteld dat aan alle voorwaarden voor cessie is voldaan.

Verder is er geen sprake van toerekenbaar onrechtmatig handelen of nalaten door Infrascoop jegens [naam fietser] . Infrascoop heeft geen zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van weggebruikers. Die zorgplicht rust bij de Gemeente. Eventueel onrechtmatig handelen door de Gemeente kan niet aan Infrascoop worden toegerekend.

Ook is niet voldaan aan het relativiteitsvereiste (6:163 BW). Een schending door Infrascoop van een contractuele bepaling in relatie tot de Gemeente, strekt niet tot bescherming van de schade zoals [naam fietser] die heeft geleden.

Bovendien ligt de causale oorzaak van het ongeval bij de gedragingen van [naam fietser] en [naam snorfietser] zelf. [naam snorfietser] mocht overigens niet op de bromfiets rijden en hij had al voor de plek van het ongeval kunnen én moeten terugkeren naar zijn eigen rijbaan. [naam snorfietser] heeft dus ernstige verkeersfouten gemaakt. Alleen Unigarant als WAM-verzekeraar van [naam snorfietser] moet de schade dragen.

De omkeringsregel is hier niet van toepassing. Als er al een zorgplicht op Infrascoop zou rusten, mag zij normaal en oplettend gebruik door weggebruikers verwachten. [naam snorfietser] kon (ook zonder bebording) zien dat de werkzaamheden ten einde waren en dat hij weer kon oversteken. Daar had hij geen specifieke aanwijzing van Infrascoop voor nodig.

Uiterst subsidiair wijst Infrascoop erop dat artikel 185 van de Wegenverkeerswet (verder: WvW) van toepassing is. [naam snorfietser] is alleen niet aansprakelijk (jegens [naam fietser] ) als sprake is van overmacht en dat is niet het geval. Unigarant dient daarom in ieder geval 50% van de schade zelf te dragen, die naar 100% moet worden verhoogd in verband met de uiteenlopende ernst van de over en weer gemaakte fouten en de ernst van het letsel. Hiermee heeft Unigarant bij het regelen van de schade geen rekening gehouden.

4 De overwegingen

De aansprakelijkheid van de Gemeente:

4.1.

De rechtbank stelt allereerst aan de orde de vraag of de Gemeente onrechtmatig jegens [naam fietser] heeft gehandeld (6:162 BW). Tussen partijen is niet in geschil dat de Gemeente kan worden aangemerkt als de wegbeheerder van het fietspad waar het ongeval plaatsvond en van het weggedeelte waar Infrascoop haar werkzaamheden uitvoerde.

In het algemeen geldt voor de aansprakelijkheid van de wegbeheerder het volgende toetsingskader (vgl. recent HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283, en de daarin aangehaalde eerdere jurisprudentie).

4.1.1.

Op de wegbeheerder rust de plicht ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt. Deze verplichting is in artikel 6:174 leden 1 en 2 BW verwoord als een risicoaansprakelijkheid. Bij het antwoord op de vraag of de weg voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, en dus niet gebrekkig is, komt het derhalve aan op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is. Daarbij is ook van belang hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Deze maatstaven komen overeen met de zogenoemde “kelderluikcriteria” (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136; Kelderluik). De aansprakelijkheid van de wegbeheerder op grond van art. 6:174 BW betreft (de toestand van) de openbare weg, waaronder ingevolge artikel 6:174 lid 6 BW mede zijn te verstaan het weglichaam en de weguitrusting. Die aansprakelijkheid is beperkt tot gebreken die samenhangen met de verkeersfunctie van de openbare weg.

4.1.2.

De wegbeheerder kan daarnaast, mede uit hoofde van zijn algemene zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van weggebruikers, aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:162 BW. Daarvoor zal de wegbeheerder dan het verwijt moeten kunnen worden gemaakt dat hij in de nakoming van deze plicht is tekortgeschoten. Ook dan moet worden getoetst of is voldaan aan de genoemde “kelderluikcriteria”. De rechtbank verwijst naar het arrest van 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283 en de conclusie van A-G Hartlief vóór dit arrest over de verhouding tussen de artikelen 6:174 BW en 6:162 BW. In de lagere rechtspraak is aangenomen dat de maatstaven die gelden voor het bepalen van de aansprakelijkheid van de wegbeheerder op grond van de artikelen 6:174 BW en 6:162 BW niet of nauwelijks verschillen.

4.2.

In het voorliggende geval beroept Unigarant zich uitdrukkelijk enkel op de aansprakelijkheid van de Gemeente uit hoofde van 6:162 BW. De rechtbank zal beoordelen of de Gemeente als wegbeheerder uit hoofde van de op haar rustende algemene zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van weggebruikers aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW en daarbij toetsen aan de kelderluikcriteria (hiervoor genoemd in 4.2.1).

4.3.

Unigarant stelt niet dat het fietspad in het algemeen qua aanleg, inrichting of onderhoud niet voldeed aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld. De vordering van Unigarant rust hoofdzakelijk op haar stelling dat rond de plaats van het ongeval tijdelijk een gevaarlijke situatie was ontstaan, doordat de bebording rond de wegwerkzaamheden in de buurt van het ongeval niet correct was. Het fietsverkeer vanuit Nijmegen werd immers niet (tijdig) door een verkeersbord gewaarschuwd voor tegemoetkomend verkeer op de eigen rijbaan en het fietsverkeer vanuit Groesbeek werd na het passeren van de wegwerkzaamheden niet door een verkeersbord naar de eigen rijbaan teruggestuurd, aldus Unigarant.

4.4.

De Gemeente wijst erop dat Infrascoop verantwoordelijk was voor (het plaatsen van) de bebording rond de wegwerkzaamheden. Als Infrascoop daarbij fouten heeft gemaakt, kan de Gemeente daarvoor niet op de voet van artikel 6:171 BW aansprakelijk worden gehouden. De overheid als opdrachtgever valt immers buiten het bestek van de in dat artikel neergelegde (risico-) aansprakelijkheid, aldus de Gemeente.

Dit verweer kan de Gemeente niet baten. De rechtbank is van oordeel dat het plaatsen van voldoende/juiste bebording voor het regelen van het verkeer en het waarborgen van de verkeersveiligheid, in het algemeen de uitoefening van een overheidstaak als zodanig betreft. Redenen waarom dat hier anders zou zijn, zijn gesteld noch gebleken. Als het gaat om de uitoefening van de overheidstaak als zodanig, dan is - zo blijkt uit de Parlementaire Geschiedenis - de toepassing van artikel 6:171 BW niet aan de orde. De uitoefening van een overheidstaak laat zich immers niet aan particulieren overdragen. Wanneer iemand in zijn hoedanigheid ter uitoefening van een overheidstaak optreedt, zullen zijn gedragingen in het maatschappelijk verkeer in het algemeen als gedragingen van het betreffende overheidslichaam hebben te gelden. Leveren deze gedragingen een onrechtmatige daad op, dan zal deze daarom in het algemeen als een onrechtmatige daad van dat overheidslichaam moeten worden beschouwd (vgl. PG boek 6, p. 729-731).

Hieruit volgt dat als de bebording rond de plaats van de aanrijding tussen [naam fietser] en [naam snorfietser] onvoldoende/onjuist is geweest, er sprake is van handelen en/of nalaten van de Gemeente zelf, ook al heeft de Gemeente voor de feitelijke uitoefening van haar overheidstaak een derde - hier: Infrascoop - ingeschakeld. Voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van de Gemeente is daarom beslissend de op 7 oktober 2016 bestaande verkeerssituatie rond de plaats van het ongeval.

4.5.

De Gemeente kan alleen dan aansprakelijk worden geacht wegens onrechtmatig handelen jegens [naam fietser] , indien het zó waarschijnlijk is dat zich op het fietspad waar [naam fietser] reed een ongeval zou kunnen gaan voordoen, dat de Gemeente de gevaarlijke situatie naar maatstaven van zorgvuldigheid had moeten voorkomen. Anders gezegd, van onrechtmatig handelen is pas sprake als de Gemeente door haar handelen en/of nalaten meer risico heeft genomen dan redelijkerwijze verantwoord is. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Zoals uit het hiervoor aangehaalde Kelderluik-arrest van de Hoge Raad volgt, hangt het antwoord op de vraag of gevaarzetting wel of niet onrechtmatig is met name af van (a) de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, (b) de hoegrootheid van de kans dat dit tot ongevallen leidt, (c) de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en (d) de mate van bezwaarlijkheid van het nemen van veiligheidsmaatregelen.

4.6.

De rechtbank stelt voorop dat op de Gemeente als wegbeheerder een zorgplicht rustte ten aanzien van de veiligheid van de verkeersdeelnemers rond de door Infrascoop uitgevoerde wegwerkzaamheden. Om die wegwerkzaamheden te kunnen uitvoeren, was het kennelijk noodzakelijk dat het verkeer op het fietspad vanuit Groesbeek om die werkzaamheden heen zou worden geleid over het fietspad aan de andere zijde van de weg. Dat fietspad was in normale omstandigheden - dus zonder die wegwerkzaamheden - bedoeld voor eenrichtingsverkeer. Door tegengesteld verkeer op een rijbaan (fietspad) te laten rijden waar dat normaal niet het geval is, ontstaat een mogelijke gevaarlijke situatie. De rechtbank volgt Unigarant in haar stelling dat de kans op ongelukken op de plaats van de aanrijding tussen [naam fietser] en [naam snorfietser] relatief groot was met mogelijk ernstige gevolgen. Unigarant heeft in dat kader onbetwist gesteld dat het een relatief smal fietspad betreft, dat het fietspad vanuit Nijmegen ter plaatse heuvelaf gaat, dat er daar een flauwe bocht in de weg zit en dat aan weerszijden van de weg bomen staan die het zicht belemmeren. Deze omstandigheden maken het naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk dat het verkeer op het fietspad in ieder geval erop wordt gewezen dat er (tijdelijk) tegemoetkomend verkeer te verwachten is. Vast staat echter dat het fietsverkeer vanuit Nijmegen - de richting waar [naam fietser] vandaan kwam - daarvoor in ieder geval tot aan de plek van het ongeval niet door een verkeersbord werd gewaarschuwd. Voor zover de Gemeente stelt dat die waarschuwing op de plek van het ongeval niet nodig was, omdat het tegenliggend verkeer al direct na de wegwerkzaamheden (en dus al voor de plek van de aanrijding) naar de eigen rijbaan hoorde terug te keren, kan die stelling haar niet baten. Ten tijde van het ongeval ontbrak immers een verkeersbord om het fietsverkeer vanuit Groesbeek - de richting waar [naam snorfietser] vandaan kwam - direct ná het passeren van de wegwerkzaamheden weer naar de eigen rijbaan aan de overkant van de weg te laten oversteken. De rechtbank volgt de Gemeente niet in haar stelling dat [naam snorfietser] zelf in de gaten had moeten hebben dat hij de werkzaamheden gepasseerd was en er dus geen enkele reden meer was om aan de (voor hem) linkerkant van de weg te blijven rijden. De enkele omstandigheid dat er vóór de plaats van het ongeval zichtbare feitelijke mogelijkheden bestonden om de Nieuweweg weer over te steken, is onvoldoende reden om van een gemiddelde weggebruiker te mogen verwachten dat hij na de wegwerkzaamheden op eigen initiatief terugkeert naar de eigen weghelft. Juist omdat er vóór die werkzaamheden wel een verkeersbord was geplaatst ten behoeve van het verkeer op het fietspad (vanuit Groesbeek) met als doel dat verkeer om te leiden.

Ten slotte heeft de Gemeente niet gesteld dat het voor haar bezwaarlijk was om aanvullende bebording te (laten) plaatsen rond de wegwerkzaamheden.

Het moet er daarom voor worden gehouden dat de Gemeente ten onrechte heeft nagelaten het verkeer vanuit Nijmegen tijdig te (laten) waarschuwen voor tegemoetkomend verkeer en/of het verkeer vanuit Groesbeek zo snel mogelijk terug te (laten) sturen naar de eigen weghelft. Hiermee heeft de Gemeente meer risico genomen dan in de gegeven omstandigheden verantwoord was. De Gemeente heeft hiermee de op haar rustende zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van de verkeersdeelnemers rondom de wegwerkzaamheden - waaronder [naam fietser] - geschonden.

4.7.

De Gemeente verweert zich subsidiair met de stelling dat het ontstaan van het ongeval volledig te wijten is aan het rijgedrag van [naam snorfietser] . Voor zover de Gemeente met die stelling heeft bedoeld het causale verband tussen het ontbreken van bebording en het ongeval te betwisten, kan de rechtbank de Gemeente daarin niet volgen. [naam fietser] kan zich namelijk met succes op de zogenoemde omkeringsregel beroepen. Ingevolge vaste rechtspraak houdt de omkeringsregel in, dat het bestaan van causaal verband (in de zin van conditio-sine-qua-non-verband) tussen een onrechtmatige gedraging of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken bewijst - waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt - dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan. Voor toepassing van deze regel is vereist dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het specifieke gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt (vgl. HR 29 november 2002, NJ 2004, 304).

4.8.

Met Unigarant is de rechtbank van oordeel dat de omkeringsregel in deze zaak van toepassing is. De Gemeente heeft immers - zo volgt uit het voorgaande - een verkeers- en veiligheidsnorm geschonden, die er mede toe strekt om het gevaar van een (frontale) aanrijding op het fietspad waar [naam fietser] op reed te voorkomen. Dat gevaar heeft zich hier juist verwezenlijkt. De Gemeente heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat het ongeval ook bij een juiste bebording zou hebben plaatsgevonden. Er moet immers van worden uitgegaan dat áls de Gemeente [naam snorfietser] direct na de wegwerkzaamheden middels een verkeersbord zou hebben teruggestuurd naar zijn eigen weghelft, [naam fietser] en [naam snorfietser] elkaar op de plek van het ongeval niet zouden zijn tegengekomen. Redenen om aan te nemen dat [naam snorfietser] de aanwijzing op dat verkeersbord zou hebben genegeerd, zijn gesteld noch gebleken. Het ongeval zou in dat geval dus niet hebben plaatsgevonden.

De verwijten die de Gemeente aan [naam snorfietser] maakt over zijn - kort gezegd - roekeloze rijgedrag, kunnen aan de aansprakelijkheid van de Gemeente naar [naam fietser] toe niets afdoen. Daargelaten of [naam snorfietser] inderdaad een verwijt kan worden gemaakt. De Gemeente heeft niet gesteld dat het verkeersgedrag van [naam fietser] zelf heeft bijgedragen aan het ongeval.

4.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [naam fietser] de Gemeente op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk kon houden voor de schade die hij als gevolg van het ongeval op 7 oktober 2016 heeft geleden.

De ontvankelijkheid van Unigarant in haar vorderingen tegen Infrascoop

4.10.

Naar het oordeel van de rechtbank is Unigarant - anders dan Infrascoop betoogt - ontvankelijk in haar vorderingen tegen Infrascoop. De rechtbank begrijpt Unigarant aldus, dat zij na de afwijzing van aansprakelijkheid door de Gemeente en Infrascoop, uit coulance de al geleden schade van [naam fietser] aan hem heeft vergoed. Unigarant heeft immers een uitkering aan [naam fietser] gedaan, maar daarbij uitdrukkelijk de aansprakelijkheid van haar verzekerde - [naam snorfietser] - niet erkend. Unigarant beroept zich in deze procedure op de cessie van de vordering die [naam fietser] op de Gemeente en Infrascoop stelt te hebben als gevolg van het ongeval.

Infrascoop onderbouwt haar beroep op de niet-ontvankelijkheid enkel met de stelling dat Unigarant niet heeft gesteld waar die cessie uit blijkt en niet heeft gesteld dat aan alle vereisten voor een geldige cessie is voldaan. Hierin ziet de rechtbank niet een voldoende gemotiveerde betwisting van de door Unigarant gestelde cessie. De cessie is voldoende kenbaar en duidelijk opgenomen in de vaststellingsovereenkomst van Unigarant en [naam fietser] van april 2019 (vgl. hiervoor onder 2.6). In de dagvaarding (sub 12) verwijst Unigarant uitdrukkelijk naar de cessie in deze overeenkomst, die als productie 27 aan de dagvaarding is gehecht. Voor de levering van de vordering is op grond van artikel 3:94 lid 1 BW nog vereist dat mededeling van de cessie wordt gedaan aan de schuldenaar/schuldenaren van de gecedeerde vordering. Infrascoop stelt niet dat die mededeling niet aan haar is gedaan. Bovendien is deze mededeling vormvrij en kan, indien een eerdere mededeling ontbreekt, de dagvaarding in deze zaak als zodanig worden gekwalificeerd.

De rechtbank gaat er daarom van uit, dat Unigarant rechthebbende is geworden van de vordering die [naam fietser] als gevolg van het ongeval meent te hebben op de Gemeente en op Infrascoop. Die vordering ligt daarom hier ter beoordeling voor.

De aansprakelijkheid van Infrascoop

4.11.

Dan is aan de orde de vraag of Infrascoop onrechtmatig jegens [naam fietser] heeft gehandeld. Daarvoor geldt hetzelfde toetsingskader als voor de Gemeente. De rechtbank verwijst naar haar overweging onder 4.5.

De rechtbank stelt binnen dat kader voorop dat Infrascoop niet heeft betwist dat zij in relatie tot de Gemeente verantwoordelijk was voor (het plaatsen van) de bebording rond de wegwerkzaamheden die zij in opdracht van de Gemeente uitvoerde. Zij heeft daarmee - anders dan zij zelf in haar verweer betoogt - wel degelijk een eigen zorgplicht op zich genomen ten aanzien van de veiligheid van de verkeersdeelnemers rond de door haar uitgevoerde wegwerkzaamheden.

De overwegingen van de rechtbank onder 4.6 gelden ook voor Infrascoop. De daarin besproken (en verworpen) verweren van de Gemeente zijn in wezen ook door Infrascoop naar voren gebracht. Die verweren van Infrascoop falen om de in 4.6 gegeven redenen. Verder geldt dat ook Infrascoop niet heeft gesteld dat het voor haar bezwaarlijk was om aanvullende bebording te plaatsen rond de wegwerkzaamheden.

De rechtbank concludeert dat Infrascoop ten onrechte heeft nagelaten het verkeer vanuit Nijmegen tijdig te waarschuwen voor tegemoetkomend verkeer en/of het verkeer vanuit Groesbeek zo snel mogelijk terug te sturen naar de eigen weghelft. Hiermee heeft Infrascoop meer risico genomen dan in de gegeven omstandigheden verantwoord was.

4.12.

Hieruit volgt dat Infrascoop een op haarzelf rustende zorgplicht ten aanzien van de veiligheid van de verkeersdeelnemers rondom de wegwerkzaamheden - waaronder [naam fietser] - heeft geschonden. Daarom faalt het verweer van Infrascoop dat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste (vgl. artikel 6:163 BW).

4.13.

Ook Infrascoop heeft het causale verband tussen het ontbreken van bebording en het ongeval betwist, waarbij zij zich op het standpunt stelt dat Unigarant geen beroep op de omkeringsregel toekomt. Infrascoop stelt in haar conclusie van dupliek verder dat de oorzaak van het ongeval ligt in het door één van beide bestuurder, of beiden, niet zoveel mogelijk rechts houden en de onvoldoende oplettendheid en te hoge snelheid waarmee [naam snorfietser] gezien de omstandigheden reed.

4.14.

De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen onder 4.7 en 4.8. Ook in het geschil tussen Unigarant en Infrascoop is de omkeringsregel van toepassing. Ook Infrascoop heeft immers - zo volgt uit het voorgaande - een verkeers- en veiligheidsnorm geschonden, die er mede toe strekt om het gevaar van een (frontale) aanrijding op het fietspad waar [naam fietser] op reed te voorkomen en dat gevaar heeft zich verwezenlijkt. Ook Infrascoop heeft niet aannemelijk gemaakt dat het ongeval ook bij een juiste bebording zou hebben plaatsgevonden. Er moet immers van worden uitgegaan dat áls Infrascoop [naam snorfietser] direct na de wegwerkzaamheden middels een verkeersbord zou hebben teruggestuurd naar zijn eigen weghelft, [naam fietser] en [naam snorfietser] elkaar op de plek van het ongeval niet zouden zijn tegengekomen. Redenen om aan te nemen dat [naam snorfietser] de aanwijzing op dat verkeersbord zou hebben genegeerd, zijn door Infrascoop niet gesteld en niet gebleken. Het ongeval zou in dat geval dus niet hebben plaatsgevonden.

De verwijten die Infrascoop aan [naam snorfietser] maakt over zijn roekeloze rijgedrag, kunnen aan de aansprakelijkheid van Infrascoop naar [naam fietser] toe niets afdoen. Daargelaten of [naam snorfietser] inderdaad die verwijten kunnen worden gemaakt. Dat het verkeersgedrag van [naam fietser] zelf heeft bijgedragen aan het ongeval, heeft Infrascoop onvoldoende onderbouwd. Infrascoop stelt in dat kader dat [naam fietser] niet voldoende rechts heeft gehouden en onvoldoende oplettend is geweest. De rechtbank kan Infrascoop daarin niet volgen, omdat [naam fietser] op de plek van het ongeval geen rekening hoefde te houden met een tegenligger.

4.15.

De verwijzing van Infrascoop in haar verweer naar artikel 185 WVW kan haar niet baten. In de relatie tussen [naam fietser] en Infrascoop - de relatie die hier ter beoordeling voorligt - mist dat artikel toepassing.

4.16.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [naam fietser] ook Infrascoop op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk kon houden voor de schade die hij als gevolg van het ongeval op 7 oktober 2016 heeft geleden.

De vorderingen van Unigarant

4.17.

De Gemeente en Infrascoop hebben niet betwist dat [naam fietser] in ieder geval voor een bedrag van € 30.906,36 aan schade heeft geleden als gevolg van het ongeval. In verband met de hiervoor besproken cessie van die vordering, komt de vordering van [naam fietser] op de Gemeente en Infrascoop nu aan Unigarant toe.

De vorderingen van Unigarant zijn daarom toewijsbaar.

4.18.

De Gemeente en Infrascoop zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Unigarant worden begroot op:

- dagvaardingen € 173,24

- overige explootkosten 0,00

- griffierecht 1.992,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.390,00 (2,0 punten × tarief € 695,00)

Totaal € 3.555,24

5 De beslissing

De rechtbank,

5.1.

verklaart voor recht dat de Gemeente en Infrascoop hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van [naam fietser] , die is ontstaan als gevolg van het ongeval dat op 7 oktober 2016 plaatsvond op de Nieuweweg in Groesbeek;

5.2.

veroordeelt de Gemeente en Infrascoop hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan Unigarant te betalen een bedrag van € 30.906,36;

5.3.

veroordeelt de Gemeente en Infrascoop hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Unigarant tot op heden begroot op € 3.555,24, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.4.

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2020.