Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4881

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
08-10-2020
Zaaknummer
20/2357
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening hangende bezwaar afgewezen, sluiting perceel op grond van artikel 13b van de Opiumwet, perceel is als één geheel aan te merken, sluiting noodzakelijk en evenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/2357

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 september 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , verzoeker,

[naam] , verzoekster,

samen te noemen verzoekers,

(gemachtigde: mr. J.W. Heemskerk),

en

De burgemeester van de gemeente Cranendonck, de burgemeester,

(gemachtigde: mr. F.A. Pommer en mr. Y. Titulaer).

Procesverloop

Bij besluit van 4 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a van de Opiumwet besloten om de woning met het bijbehorende erf (de woonwagenstandplaats) aan [adres] voor de duur van vier maanden te sluiten, met ingang van 13 september 2020 om 12.00 uur.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 27 augustus 2020 heeft de burgemeester laten weten de uitvoering van het besluit op te schorten tot de uitspraak op de ingediende voorlopige voorziening.

De burgemeester heeft op 7 september 2020 verzocht om toepassing van artikel 8:29, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten aanzien van de integrale bestuurlijke rapportage van 30 juni 2020, die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt.

Bij beslissing van 11 september 2020 (kenmerk SHE 20/2357 beslissing) heeft een andere rechter van deze rechtbank bepaald dat beperking van kennisneming van de integrale versie van de bestuurlijke rapportage gerechtvaardigd is.

Bij brief van 15 september 2020 hebben verzoekers laten weten dat zij geen toestemming geven aan de voorzieningenrechter, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid van de Awb, om kennis te nemen van de integrale versie van de bestuurlijke rapportage.

De burgemeester heeft op 21 september 2020 een verweerschrift ingediend.

Verzoekers hebben op diezelfde dag een nader stuk ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2020. Verzoeker is naar de zitting gekomen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Het dictum van deze uitspraak is door de griffier aan partijen telefonisch medegedeeld op 22 september 2020 om omstreeks 15.15 uur.

Overwegingen

Relevante feiten

1. Verzoekers zijn gebruiker en bewoner van de woonwagenstandplaats aan [adres] .

2. Op 30 juni 2020 heeft de burgemeester van de politie een bestuurlijke rapportage ontvangen naar aanleiding van een politieonderzoek dat plaatsvond op 25 en 29 mei 2020 op het woonperceel van verzoekers en op de omliggende woonpercelen op hetzelfde woonwagenterrein.

3. Tijdens dit politieonderzoek zijn op het woonperceel van verzoekers de volgende zaken aangetroffen:

  • -

    3 gouden/goudkleurige horloges van het merk Rolex;

  • -

    1 zilverkleurig horloge, merk Rolex;

  • -

    € 2.000,– aan contant geld, opgeborgen in een dubbele bodem van een blik;

  • -

    850 gram henneptoppen;

  • -

    goederen die in gebruik zijn of zijn geweest bij het voorhanden hebben dan wel vervaardigen, bewerken van verdovende middelen, waaronder een zgn. droogmachine;

  • -

    een weegschaal;

  • -

    strijkzakken waarvan de politie ambtshalve bekend is dat deze worden gebruikt bij de verpakking van hennep;

  • -

    2 doorzichtige zakken met (per zak) 100 gram aan henneptoppen. Op de zakken stond de tekst ‘Enemy State’ resp. ‘Dancehall’. Ambtshalve is bij de politie bekend dat dit benamingen zijn van soorten hennep.

  • -

    Meerdere boodschappentassen met gruis en restanten van hennep;

4. Op de andere percelen van het woonwagenterrein is aangetroffen:

  • -

    een doorgeladen vuurwapen, pistool, merk Glock, met patroonhouder met daarin 9 patronen;

  • -

    23 stuks klein vuurwerk, waarvan een deel opschriften bevatte in de Poolse taal;

  • -

    5 horloges, waarvan 4 van het merk Rolex en 1 van het merk Audemars Piquet;

  • -

    € 1.250,- aan contant geld;

  • -

    1 potje manitol (versnijdingsmiddel behorend bij het versnijden van cocaïne);

  • -

    een zakje met 5,04 gram amfetamine;

  • -

    een geladen vuistvuurwapen, merk Astro Constable li en een patroonhouder met 7 patronen;

  • -

    0,17 gram harddrugs in de vorm van cocaïne/crack;

  • -

    twee flesjes met de tekst “Blue Tube 69”, inhoud per flesje 20 ml, met daarin vloeistof bestaande uit harddrugs speed, ghb, mdma en de alcoholische vloeistof Blue Curaçao;

  • -

    van diefstal afkomstige voertuigen;

  • -

    een van diefstal afkomstige fiets, merk Sparta;

  • -

    een van diefstal afkomstige snorfiets, merk Peugeot;

  • -

    een machete/kapmes;

  • -

    in een wikkel aluminiumfolie werd een zakje aangetroffen met een kristalvormige substantie. Dit bleek 5,04 gram amfetamine te zijn;

  • -

    een doorgeladen vuurwapen aangetroffen, merk Smith & Wesson revolver, model 60 kal. 38, verborgen in het bankstel, met 5 patronen;

  • -

    2 losse patronen die in het inbeslaggenomen vuurwapen passen;

  • -

    een zakje met hennepgruis;

  • -

    2 snowseals met wit poeder;

  • -

    een machete;

  • -

    een boterhamzakje met daarin 37,5 witte tabletten;

  • -

    verschillende goederen die gebruikt worden bij het exploiteren van hennepkwekerijen, waaronder assimilatielampen, koolstoffilters, diverse soorten afvoerslangen en droogrekken;

  • -

    2 weegschaaltjes, mengbakje en vijzel die gebruikt wordt bij het afwegen van harddrugs;

  • -

    8 snowseals gevuld met cocaïne;

  • -

    2 samoerai-zwaarden;

  • -

    pepperspray;

  • -

    10 gram cocaïne, samen met verpakkingsmateriaal, snowseals, vijzel en weegschaal.

5. Bij brief van 10 juli 2020 heeft de burgemeester aan verzoekers laten weten dat hij voornemens is om hun woning voor de duur van vier maanden te sluiten.

6. Op 11 juli 2020 hebben verzoekers in hun zienswijze laten weten wat zij van het voornemen vinden.

7. De burgemeester heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.

Het bestreden besluit

8. In het bestreden besluit heeft de burgemeester zich onder verwijzing naar artikel 13b van de Opiumwet en het “Beleid inzake bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet ” (het beleid) op het standpunt gesteld dat hij bevoegd is om de woning met het bijbehorende perceel van verzoekers voor de duur van vier maanden te sluiten. Gelet op de handelshoeveelheid softdrugs die is aangetroffen en de ernst en context van de aangetroffen attributen in de directe omgeving van de woning, vindt de burgemeester de overtreding voldoende ernstig voor toepassing van de sluitingsmaatregel. Die sluiting is noodzakelijk en evenredig. In de zienswijze van verzoekers ziet de burgemeester geen aanleiding om niet tot sluiting over te gaan. Alleen wanneer er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden waarbij het onredelijk is om aan het beleid vast te houden, zal hiervan worden afgeweken. Van zo’n situatie is volgens de burgemeester hier geen sprake. Het beschermen van de openbare orde weegt volgens de burgemeester daarom in dit geval zwaarder dan de belangen van verzoekers.

Karakter van deze procedure: een voorlopige voorziening

9. Uitgangspunt van de wet is dat het instellen van bezwaar de werking van een besluit niet opschort (artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht, ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daartoe is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. In dat artikel staat dat als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De verzoeker moet dus goede redenen hebben die maken dat hij de uitspraak op zijn bezwaar niet kan afwachten en die een uitzondering op de hoofdregel dat het bezwaar de uitvoering van het besluit niet schorst, rechtvaardigen. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de beslissing op het bezwaar. De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die in een later stadium op het eventuele beroep beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.

Onverwijlde spoed?

10. Het bestreden besluit houdt in dat de woning van verzoekers spoedig zal worden gesloten en heeft dus tot gevolg dat zij die woning zullen moeten verlaten. Hierdoor is sprake van ‘onverwijlde spoed’ in de zin van artikel 8:81 van de Awb.

Voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit

Bevoegdheid tot sluiten

11. Verzoekers voeren allereerst aan dat de burgemeester niet bevoegd is om hun woning te sluiten. Zij vinden dat de bevoegdheid van de burgemeester zich niet uitstrekt tot hun woning maar enkel tot het bijbehorende perceel. Ze betogen dat in hun woning geen drugs is aangetroffen en dat er in hun woning ook geen zaken zijn aangetroffen die gelinkt kunnen worden aan handel in hennep en/of andere drugs vanuit de woning. De ruimte onder de woning waar de 850 gram henneptoppen zijn aangetroffen, maakt volgens verzoekers geen onderdeel uit van de woning en de naastgelegen berging waar de twee zakken met elk 100 gram henneptoppen zijn aangetroffen, vormt geen samenhangend geheel met de woning. Verzoekers wijzen erop dat zij enkel eigenaar zijn van de woning en niet van het perceel waar de woning op staat. Ze betogen verder dat zij geen weet hebben gehad van de aangetroffen drugs en attributen. Verzoekers vinden bovendien dat de burgemeester onterecht in zijn beoordeling heeft betrokken wat er op de andere delen van het woonwagenterrein is aangetroffen omdat er ook geen sprake is van samenhang met de andere percelen.

12. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. In haar uitspraak van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3301, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op grond van de omstandigheden van het geval geoordeeld dat een als woning gebruikte woonwagen en het daarbij behorende bijgebouw een samenhangend geheel vormen. De Afdeling heeft daarbij in aanmerking genomen dat zich in dat bijgebouw, ten behoeve van die woonwagen, de aansluitingen voor gas, water en elektra, alsmede voorzieningen als een douche en een toiletruimte bevinden. Ook heeft de Afdeling daarbij in aanmerking genomen dat die woonwagen en dat bijgebouw op hetzelfde perceel en op korte afstand van elkaar staan. Nu de omstandigheden in de hier aan de orde zijnde zaak daarmee op één lijn kunnen worden gesteld, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester de woning en de berging (bijgebouw) als een samenhangend geheel heeft kunnen zien. De berging en de woonwagen staan immers op hetzelfde perceel in elkaars nabijheid, in de berging is een gasboiler ten behoeve van de woonwagen aanwezig en de woonwagen wordt samen met de berging door verzoekers als één geheel gehuurd. Ten aanzien van de ruimte onder de woning is de voorzieningenrechter met de burgemeester eens dat deze ruimte geen zelfstandige functie kan vervullen zonder de woning. Ook is er sprake van een functioneel geheel, omdat er diverse leidingen vanuit de woning via de ruimte onder de woning naar een put in de grond lopen. De ruimte is daardoor functioneel verbonden met de woning.

13. De voorzieningenrechter vindt daarom dat de burgemeester het gehele perceel, met daarop de woonwagen, de ruimte onder de woonwagen en de berging, als één samenhangend geheel heeft mogen aanmerken. Dat in de woning zelf, anders dan onder de woning en in de berging, geen drugs of drugs (gerelateerde) attributen zijn aangetroffen, laat onverlet dat de bevoegdheid van de burgemeester, gelet op de samenhang van het perceel, zich ook uitstrekt tot de woning van verzoekers.

14. De voorzieningenrechter wijst er verder op dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat bij de aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of meer dan 5 gram softdrugs in een woning, het in beginsel aannemelijk is dat de aangetroffen drugs deels of geheel bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362). Het is dan vervolgens bij een geringe overschrijding van die hoeveelheid voor eigen gebruik aan de rechthebbende op de woning om aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was.

15. Door verzoekers is niet betwist dat er op hun perceel een grote handelshoeveelheid softdrugs is aangetroffen. Daarbij hebben zij nagelaten om aannemelijk te maken dat de softdrugs niet voor de handel bestemd waren. Hierdoor mocht de burgemeester aannemen dat de aangetroffen handelshoeveelheid softdrugs, in totaal 1050 gram hennep, bestemd waren voor de handel en is er in beginsel dus voldoende basis om tot sluiting over te gaan. Anders dan verzoekers betogen is wetenschap of persoonlijke verwijtbaarheid met betrekking tot de aanwezige drugs niet relevant voor de vraag of de burgemeester zijn bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet.

16. Omdat de burgemeester enkel op basis van wat er op het perceel van verzoekers is aangetroffen al bevoegd is om tot sluiting over te gaan, zal de voorzieningenrechter in deze procedure geen oordeel geven over de vraag of er samenhang is met de andere percelen van het woonwagenterrein.

De noodzakelijkheid van de sluiting

17. Verzoekers betogen verder dat de sluiting van de woning niet noodzakelijk is, omdat in de woning zelf geen drugs zijn aangetroffen. Het enkele gegeven dat daar contant geld en (nep)horloges zijn aangetroffen vinden zij onvoldoende om een sluiting noodzakelijk te achten. Bovendien heeft de burgemeester ten onrechte een relatie gelegd tussen de woning van verzoekers en de druggerelateerde voorwerpen die ergens anders op het woonwagenterrein zijn aangetroffen.

18. De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in dit betoog. Op het perceel van verzoekers is een grote handelshoeveelheid softdrugs aangetroffen waardoor de burgemeester heeft mogen aannemen, gelet op de samenhang van het perceel, dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, wat op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912). In het kader van de ernst en omvang van de overtreding heeft de burgemeester in zijn beoordeling de ernst en de context van de aangetroffen attributen op het perceel van verzoekers, maar ook op de naastgelegen percelen op hetzelfde woonwagenterrein, kunnen betrekken, evenals eerdere antecedenten van verzoeker op het gebied van de Opiumwet. De burgemeester heeft bovendien kunnen meewegen dat er recent een aanslag is gepleegd met een explosief op een auto in de directe omgeving van het perceel van verzoekers. De burgemeester heeft hieruit de conclusie kunnen trekken dat de woning van verzoekers in een voor criminaliteit gevoelige omgeving ligt en dat een zichtbare sluiting noodzakelijk is om criminelen en (buurt)bewoners een signaal te geven dat er wordt opgetreden tegen drugscriminaliteit in woningen.

Sluitingsduur

19. Verzoekers vinden verder dat, als tot sluiting wordt overgegaan, de sluiting beperkt moet blijven tot drie maanden, conform het beleid van de gemeente. Ze wijzen erop dat bij hen geen wapens zijn aangetroffen of dat er sprake is van andere bijzondere omstandigheden die een langere sluiting dan drie maanden rechtvaardigen.

20. Gelet op wat hiervoor over de noodzakelijkheid van de sluiting is overwogen, heeft de burgemeester de overtreding en de situatie op en rond het perceel van verzoekers dusdanig ernstig kunnen vinden dat hij naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid van zijn beleid heeft kunnen afwijken en heeft kunnen besluiten tot een sluitingsduur van vier maanden.

Evenredigheid

21. Dat sluiting van de woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn. Verzoekers hebben betoogd dat hen geen verwijt kan worden gemaakt omdat zij niets afwisten van de drugs op hun perceel. Ze betogen dat dit door andere personen is neergelegd zonder dat zij daar weet van hebben gehad. Daarnaast stellen zij zich op het standpunt dat het besluit onevenredige (financiële) gevolgen voor hen, de drie minderjarige kinderen van verzoeker en hun pasgeboren baby [naam] met zich mee brengt.

22. De vraag of de rechthebbende een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt, kan een rol spelen bij de beoordeling van de evenredigheid van de sluiting. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De burgemeester heeft er in dit kader terecht op gewezen dat uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat van eigenaren van een woning mag worden verwacht dat zij toezicht houden op (het gebruik van) hun perceel en dat zij daartoe ook controles uitvoeren (zie onder meer de uitspraak van 28 augustus 2019 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2019:2912). Omdat verzoekers desgevraagd tijdens de zitting hebben gezegd dat zij geen controles hebben uitgevoerd, terwijl de berging en de ruimte onder de woonwagen voor een ieder toegankelijk zijn geweest, kan er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden gesproken over een situatie waarbij de verwijtbaarheid van verzoekers geheel ontbreekt.

23. De stelling van verzoekers dat zij niet de financiële middelen hebben om vervangende woonruimte te betalen, is door hen niet met gegevens of documenten inzichtelijk gemaakt. Alleen al daarom ziet de voorzieningenrechter hierin onvoldoende grond voor het oordeel dat de burgemeester niet in redelijkheid tot sluiting van de woning heeft kunnen besluiten.

24. Over de belangen van de minderjarige kinderen van verzoekers overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Anders dan verzoekers betogen, heeft de burgemeester in zijn besluitvorming voldoende rekening gehouden met de belangen van de drie minderjarige kinderen van verzoeker, die af en toe bij hem in de woning verblijven. Vaststaat dat deze kinderen niet staan ingeschreven bij verzoeker, maar dat zij hun hoofdverblijf hebben bij de ex-partner van verzoeker. De burgemeester kan er daarom van uitgaan dat de kinderen bij hun moeder kunnen verblijven gedurende de sluitingsmaatregel en dat het aan de betrokken ouders is om tijdens deze periode invulling te geven aan de omgangsregeling.

Dit is anders ten aanzien van de recent geboren dochter van verzoekers, [naam] , omdat zij wel ingeschreven staat op het adres van verzoekers. De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in beginsel de ouders van minderjarige kinderen zelf verantwoordelijk voor het vinden van vervangende woonruimte (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4046). Tijdens de zitting heeft verzoeker desgevraagd toegelicht dat hij campings heeft gebeld, maar dat daar tot eind augustus geen plek voor hen was. Recent heeft hij geen actie ondernomen om vervangende woonruimte te vinden en hij heeft ook geen gebruik gemaakt van de door de burgemeester aangeboden mogelijkheid om in gesprek te gaan en zo te kijken naar de mogelijkheden om vervangende woonruimte te regelen. De burgemeester heeft tijdens de zitting vervolgens desgevraagd toegezegd dat hij die hulp zal blijven bieden indien nodig, en dat er geen situatie zal ontstaan waarbij in ieder geval baby [naam] geen woonruimte heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester zich onder deze omstandigheden in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door verzoekers gestelde belangen van hun minderjarige kinderen niet zwaarder wegen dan de belangen van de burgemeester bij de uitvoering van zijn beleid.

Conclusie

25. Gelet op al het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het besluit naar verwachting in bezwaar in stand zal blijven. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom, gelet op alle hiervoor besproken betrokken belangen, af.

26. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski-Kelders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I. van der Wijngaart, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 22 september 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.