Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4839

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
06-10-2020
Zaaknummer
C/01/356445 / HA ZA 20-197
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Belemmert een afsluitbare poort de erfdienstbaarheid die op een gangpad rust ?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

zaaknummer / rolnummer: C/01/356445 / HA ZA 20-197

Vonnis van 30 september 2020

in de zaak van

1 [eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. wijlen [naam overledene] ,

voorheen wonende te [woonplaats] ,

eiser(s),

advocaat mr. B. van Wanrooij te Eindhoven,

tegen

de stichting STICHTING "WOONPARTNERS",

gevestigd te Helmond,

gedaagde,

advocaat mr. Y.J.K. van Nunen te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eiser] en Woonpartners genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het rolbericht d.d. 3 juni 2020 inhoudende de instructie van de rechtbank;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Inleiding

2.1.

Partijen zijn buren van elkaar. De percelen van partijen grenzen aan elkaar. [eiser] maakt gebruik van het gangpad op het perceel van Woonpartners om van de achterzijde van zijn woning te komen van en te gaan naar de openbare weg. Woonpartners heeft een afsluitbare poort in het gangpad geplaatst. Daarover hebben partijen een geschil met elkaar. [eiser] is van mening dat de poort de erfdienstbaarheid belemmert en vordert verwijdering van de poort.

3 De feiten

3.1.

[eiser] is sinds 25 mei 2007 eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] te [plaats] , kadestraal bekend als [kadastrale aanduiding] (hierna: de woning).

3.2.

Woonpartners is eigenaar van het perceel kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding] . Dit perceel is ontstaan uit perceel [kadastrale aanduiding] en dat perceel is op haar beurt ontstaan uit perceel [kadastrale aanduiding] . Woonpartners is verhuurder van de woningen gelegen op het perceel dat in haar eigendom is.

3.3.

Het gangpad aan de achterzijde van woning van [eiser] komt op de openbare weg uit tussen de woningen [adres] en [adres] . Het gangpad ligt kadastraal gezien op het perceel van Woonpartners.

3.4.

Ten behoeve van het perceel van [eiser] en ten laste van het perceel van Woonpartners is bij leveringsakte van 7 juli 1989 (ingeschreven te Eindhoven in register hypotheken [nummer] ) een erfdienstbaarheid gevestigd. Dat recht is in voornoemde akte als volgt omschreven (productie 11 bij conclusie van repliek):

"De gangen gelegen op voormeld kadastraal perceel [kadastrale aanduiding] – eigendom van verkoopster – worden voorzover mogelijk bestemd tot- en erkend

als blijvende buurpaden in de zin van artikel 719 van het Burgerlijk Wetboek, zulks om op de bestaande voet en wijze te worden gebruikt als uitpad in de vorm van voetpad naar en van de meest dichtbij gelegen openbare weg, zullende het gebruik van die buurpaden tevens inhouden het recht om kleine voertuigen, als rijwielen, bromfietsen, kruiwagens, kinderwagens, scooters, motorfietsen en dergelijke aan de hand te leiden."

3.5.

In de leveringsakte van 25 mei 2007, waarbij het eigendom van de woning aan [eiser] is geleverd, is de tekst van de hiervoor genoemde erfdienstbaarheid geciteerd.

3.6.

In 2013 heeft Woonpartners een poort geplaatst om het gangpad af te sluiten. Woonpartners heeft aan haar huurders, die gebruik maken van het gangpad, en aan [eiser] , sleutels verschaft om de poort te openen en af te sluiten.

3.7.

Bij e-mail van 20 mei 2017 heeft [eiser] schriftelijk geklaagd over de poort en Woonpartners verzocht deze te verwijderen (productie 13 bij conclusie van repliek). In de daarop volgende e-mailcorrespondentie heeft Woonpartners aangegeven de poort niet te zullen verwijderen (productie 7 bij dagvaarding).

4 Het geschil

4.1.

[eiser] vordert veroordeling van Woonpartners om de poort binnen twee weken te verwijderen, op straffe van een direct opeisbare boete van € 250,00 voor elke dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft. Ook vordert [eiser] veroordeling van Woonpartners in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de nakosten.

4.2.

[eiser] legt primair aan zijn vordering ten grondslag dat Woonpartners door plaatsing van de poort het recht van erfdienstbaarheid ten onrechte beperkt. [eiser] heeft als alleenstaande vader de zorg over zijn twee jonge kinderen. De dochter van [eiser] is 5 jaar oud en de zoon is 11 jaar. De zoon heeft last van een ontwikkelingsstoornis waarvoor hij in behandeling is geweest bij een psychiatrisch ziekenhuis. Daarom kan aan hem niet de verantwoordelijkheid worden geboden om een sleutel onder zich te houden Ook kan niet van [eiser] verwacht worden dat hij telkens de voordeur opent als zijn kinderen buiten spelen en naar binnen willen, met name omdat de hond van [eiser] dan kan ontsnappen. Bovendien was er geen sprake van overlast, zodat Woonpartners geen belang heeft bij de poort. De poort zorgt volgens [eiser] juist voor veiligheidsrisico’s, omdat daardoor het dienen als brandgang wordt belemmerd.

4.3.

Subsidiair wijst [eiser] op de brief van mevrouw [naam medewerkster Woonpartners] (productie 6 bij dagvaarding), waarin Woonpartners heeft toegezegd dat de poort wordt verwijderd als onenigheid blijft bestaan tussen de huurders en andere omwonenden. Met de brief zijn partijen volgens [eiser] in feite overeengekomen dat de poort zou worden verwijderd bij onenigheid met de verhuurders, ongeacht het bestaan van de erfdienstbaarheid. Van die onenigheid is al talloze malen sprake geweest, zodat Woonpartners volgens afspraak de poort moet verwijderen.

4.4.

Woonpartners voert verweer.

4.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

Allereerst is gebleken dat mevrouw [naam overledene] tijdens de procedure is overleden. Nu het geding niet is geschorst, zal het geding overeenkomstig artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op haar naam worden voortgezet.

Belemmering erfdienstbaarheid

5.2.

Door Woonpartners wordt niet meer betwist dat ten behoeve van het perceel van [eiser] , als heersend erf, en ten laste van het perceel van Woonpartners, als dienend erf, een erfdienstbaarheid zoals weergegeven onder punt 2.4 en 2.5 is weergegeven, is gevestigd.

5.3.

De vraag die beantwoord moet worden is of de poort die Woonpartners heeft geplaatst het recht van erfdienstbaarheid beperkt of belemmert en als gevolg daarvan in strijd is met het doel waarvoor de erfdienstbaarheid in het leven is geroepen.

5.4.

Ter beoordeling van deze vraag is van belang, dat iedere eigenaar van een erf bevoegd is om dit erf af te sluiten op grond van artikel 5:48 Burgerlijk Wetboek (BW). Indien de eigenaar van een dienend erf daartoe overgaat, zal hij daarbij rekening moeten houden en zorg moeten dragen dat de eigenaar van het heersende erf onbelemmerde toegang behoudt tot het dienend erf teneinde de erfdienstbaarheid uit te oefenen (vgl. Hoge Raad 23 juni 2006, ECLI:NL:2006:AW6598). Daarvan is in de regel sprake indien de eigenaar van het heersende erf de mogelijkheid wordt geboden zich op elk moment, en zonder telkens afhankelijk te zijn van de directe medewerking van de eigenaar van het dienende erf, de toegang tot het erf te verschaffen ter uitoefening van het recht van erfdienstbaarheid.

5.5.

De rechtbank overweegt dat Woonpartners in onderhavige kwestie op grond van artikel 5:48 BW, als eigenaar van haar erf, bevoegd is dit erf af te sluiten. Omdat zij een poort heeft geplaatst en daarbij aan de gebruikers van het gangpad, waaronder [eiser] , permanent sleutels van de poort heeft verschaft, verkrijgt daarmee ook [eiser] , als eigenaar van het heersende erf, de mogelijkheid zich toegang te verschaffen tot het dienende erf ter uitoefening van de gevestigde erfdienstbaarheid. Door middel van de sleutel kan immers gebruik worden gemaakt van het gangpad zonder dat daar telkens de medewerking van Woonpartners voor nodig is. Overwogen wordt dat daarmee in beginsel de uitoefening van het recht van erfdienstbaarheid voldoende is gewaarborgd.

5.6.

[eiser] stelt dat er desondanks sprake is van een belemmering van het recht van erfdienstbaarheid, omdat zijn kinderen geen sleutel kunnen dragen en na plaatsing van de poort niet meer zelfstandig de woning via het gangpad kunnen verlaten of binnenkomen.

5.7.

Woonpartners bestrijdt dat er sprake is van een belemmering, aangezien het de keuze van [eiser] is om zijn kinderen geen sleutel te laten dragen. Indien en voor zover de kinderen geen sleutel kunnen dragen, is dit volgens Woonpartners geen risico dat voor rekening van Woonpartners dient te komen. Bovendien kunnen de kinderen ook van de voordeur gebruikmaken als ze buitenspelen en aanbellen als ze weer naar binnen willen.

5.8.

Bij de beoordeling van de vraag of er ondanks het verschaffen van de sleutel toch sprake is van een belemmering, is van belang vast te stellen wat de inhoud van de gevestigde erfdienstbaarheid is. Op grond van artikel 5:73 van het Burgerlijk Wetboek en volgens vaste jurisprudentie komt het bij de beantwoording van die vraag aan op de in de notariële akte van vestiging tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele akte (vgl. Hoge Raad 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2397 en Hoge Raad 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2904).

5.9.

De leveringsakte van 7 juli 1989, waarin onderhavige erfdienstbaarheid is gevestigd, spreekt van "buurpaden in de zin van artikel 719 van het Burgerlijk Wetboek, zulks om op de bestaande voet en wijze te worden gebruikt als uitpad in de vorm van voetpad naar en van de meest dichtbij gelegen openbare weg", waarbij het tevens is toegestaan om daarbij "kleine voertuigen, als rijwielen, bromfietsen, kruiwagens, kinderwagens, scooters, motorfietsen en dergelijke aan de hand te leiden". Naar het oordeel van de rechtbank betreft het hier een recht van overpad om te komen van en te gaan naar de openbare weg. Dat is dus het doel waarvoor de erfdienstbaarheid is gevestigd, en daartoe is de erfdienstbaarheid beperkt. Uit de akte kan dan ook niet worden afgeleid dat partijen bij vestiging van dit recht bedoeld hebben dat dit recht tevens in zou houden dat de achteringang van de woning van het heersend erf vrij toegankelijk dient te blijven voor buiten spelende kinderen. Dit zou neerkomen op een te ruime uitleg van het hier gevestigde recht van erfdienstbaarheid.

5.10.

Het staat buiten kijf dat [eiser] een begrijpelijk, persoonlijk belang heeft bij verwijdering van de poort. In dat geval hoeven de kinderen geen sleutel bij zich te dragen als zij de achterzijde van de woning zelfstandig willen gebruiken en is de kans kleiner dat de hond weg zal lopen, omdat niet telkens de voordeur gebruikt wordt. De rechtbank vindt echter dat de wijze waarop [eiser] gebruik wil maken van de erfdienstbaarheid niet in lijn is met het doel waarvoor dit recht in het leven is geroepen, namelijk uitsluitend om te komen van en gaan naar de openbare weg vanaf de achterzijde van de woning. De poort staat niet aan dit doel en de uitoefening van de erfdienstbaarheid in de weg, nu Woonpartners aan alle gebruikers van het gangpad sleutels ter beschikking heeft gesteld, ook aan [eiser] . [eiser] kan zich dan ook niet verzetten tegen de aanwezigheid van de poort, ondanks dat de rechtbank begrijpt welk belang [eiser] bij verwijdering heeft.

5.11.

Daarbij komt dat Woonpartners een gerechtvaardigd belang heeft bij het plaatsen van de poort, namelijk om als verhuurder een veilige omgeving te creëren en overlast tegen te gaan. Het standpunt van Woonpartners, dat plaatsing van de poort een verzoek was van de meerderheid van haar huurders om de overlast tegen te gaan (productie 1 bij conclusie van dupliek) en dat enkel [eiser] tegen plaatsing van de poort was, heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd betwist. Niet gesteld of gebleken is dat ook andere omwonenden tegen plaatsing van de poort waren of dat andere omwonenden dezelfde belangen hadden bij verwijdering van de poort als [eiser] . Ook de stelling van [eiser] dat aan de poort veiligheidsrisico’s kleven in geval van een noodsituatie, heeft Woonpartners voldoende gemotiveerd betwist door aan te voeren dat de poort van binnenuit middels een draaiknop eenvoudig te openen is, zonder dat daar een sleutel voor vereist is.

5.12.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat de erfdienstbaarheid belemmerd wordt.

Brief

5.13.

Tot slot moet nog de vraag beantwoord worden, of Woonpartners op grond van de brief verplicht is de poort te verwijderen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

5.14.

In de brief van Woonpartners, waarop [eiser] zich beroept, staat het volgende (productie 6 bij dagvaarding):

"(…)Na nieuwe signalen heeft de buurtbeheerder gesprekken gevoerd met bewoners. Daaruit bleek dat de meerderheid de poort continue gesloten wil hebben. Woonpartners heeft de poort in het kader van veiligheid laten plaatsen. Het is een zelfsluitende poort en de gebruikers mogen gezamenlijk bepalen of de poort op bepaalde momenten open of gesloten is. Woonpartners wil hier geen partij in zijn. Wij gaan er dus vanuit dat u hier samen goed uitkomt. Indien dit leidt tot onenigheid of vernieling van de poort, dan wordt deze verwijderd."

5.15.

[eiser] stelt dat de huurders van Woonpartners zich niet hielden aan de tussen partijen gemaakte afspraak over het gebruik van de poort, waarna Woonpartners voornoemde brief heeft gestuurd. Dat de brief niet op briefpapier is gedrukt, doet niet af aan de authenticiteit ervan, nu deze is ondertekend door [naam medewerkster Woonpartners] , (oud)medewerkster van Woonpartners. De aanhef ontbreekt omdat Woonpartners de brief aan verschillende omwonenden heeft verstuurd. Desondanks bevat de brief een duidelijke toezegging dat Woonpartners bij blijvende onenigheid zal over gaan tot verwijdering van de poort. Omdat de onenigheid bleef voortduren, moet Woonpartners haar toezegging nakomen, volgens [eiser] .

5.16.

Naast het feit dat Woonpartners betwist dat de brief van haar hand is, vormt de brief volgens Woonpartners geen overeenkomst tussen Woonpartners en [eiser] , waaraan [eiser] rechten zou kunnen ontlenen. Bovendien is er volgens Woonpartners geen onenigheid tussen de omwonenden. Het is enkel [eiser] die heeft geweigerd de aanvraag voor het plaatsen van de poort te ondertekenen en nu meent een beroep te kunnen doen op een mededeling die in het kader van afspraken over de poort zijn gedaan.

5.17.

De rechtbank oordeelt als volgt. Zelfs als de rechtbank zou aannemen dat Woonpartners de brief heeft verstuurd en een toezegging heeft gedaan om de poort te verwijderen als er onenigheid tussen de bewoners over de poort zou blijven bestaan, kan [eiser] er geen aanspraak op maken dat de poort moet worden verwijderd. [eiser] heeft immers, tegenover de betwisting door Woonpartners, niet onderbouwd dat er sprake is van andere onenigheid tussen bewoners dan de onenigheid die door hemzelf wordt veroorzaakt, omdat hij het niet eens is met de plaatsing van de poort.

5.18.

Dit leidt tot de conclusie dat Woonpartners ook niet op grond van de brief gehouden is de poort te verwijderen. De rechtbank zal de vorderingen van [eiser] daarom afwijzen.

5.19.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Woonpartners worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat € 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.742,00

5.20.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in deze procedure toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Woonpartners tot op heden begroot op € 1.742,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

6.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van 14 dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

6.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2020.