Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4701

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
02-10-2020
Zaaknummer
01/860482-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994: verdachte heeft zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag vertoond waardoor het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval plaatsvond en dat het slachtoffer daarvan zwaar lichamelijk letsel (onder meer een afgezet rechter onderbeen) heeft opgelopen.

Ook wordt verdachte veroordeeld voor het verlaten van de plaats van het ongeval.

Verdachte heeft zich niet bij de politie gemeld, ook niet nadat in lokale en landelijke media naar de bestuurder van de auto werd gezocht. Verdachte heeft zelfs geprobeerd de schuld in de schoenen van de bijrijder te schuiven. Onderzoek naar middelengebruik was niet meer mogelijk terwijl daar wel aanwijzingen voor waren.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en een rijontzegging van 5 jaar.

De in beslag genomen BMW wordt verbeurd verklaard.

Aan het slachtoffer dient EUR 15.000,- immateriële schade te worden vergoed. De rechtbank heeft een bepaalde mate van eigen schuld meegewogen omdat het slachtoffer door rood was gefietst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0688
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860482-18

Datum uitspraak: 30 september 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortejaar] 1994,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 augustus 2020.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 06 januari 2018 te Eindhoven als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Eisenhouwerlaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te handelen als volgt:

verdachte heeft, rijdende met (zeer) hoge snelheid, althans aanmerkelijke snelheid, in elk geval met een hogere snelheid dan de (op dat moment) ter plaatse geldende maximum snelheid van 80 km per uur, op de Eisenhouwerlaan en/of gekomen bij de kruising van die Eisenhouwerlaan met de Wolvendijk en/of terwijl hij een overstekende fietsster reeds dicht was genaderd, niet, althans niet tijdig afgeremd, in elk geval zijn voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht binnen een afstand waarover hij die weg kon overzien en/of waarover deze vrij was en/of zijn aandacht onvoldoende heeft gehouden bij de verkeerssituatie ter plaatse, waardoor een botsing of aanrijding ontstond met/tussen/door dit door verdachte bestuurde motorrijtuig en die fietsster,

waardoor een ander (te weten die fietsster genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten breuk in rechter dijbeen en/of breuk in linkerdijbeen en/of gebroken sleutelbeen en/of een afgezet rechteronderbeen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 januari 2018 te Eindhoven als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Eisenhouwerlaan, heeft gehandeld als volgt:

verdachte heeft, rijdende met (zeer) hoge snelheid, althans aanmerkelijke snelheid, in elk geval met een hogere snelheid dan de (op dat moment) ter plaatse geldende maximum snelheid van 80 km per uur, op de Eisenhouwerlaan en/of gekomen bij de kruising van die Eisenhouwerlaan met de Wolvendijk en/of terwijl hij een overstekende fietsster reeds dicht was genaderd, niet, althans niet tijdig afgeremd, in elk geval zijn voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht binnen een afstand waarover hij die weg kon overzien en/of waarover deze vrij was en/of zijn aandacht onvoldoende heeft gehouden bij de verkeerssituatie ter plaatse, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

dat hij, als degene door wiens gedraging (al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig) een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Eindhoven op/aan de Eisenhouwerlaan, op of omstreeks 06 januari 2018 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.

Op zaterdagavond 6 januari 2018 vond in Eindhoven op de kruising van de Eisenhowerlaan met de Wolvendijk een verkeersongeval plaats waarbij een fietsster zeer ernstig letsel heeft opgelopen. De fietsster reed op het fietspad van de Wolvendijk, gaande in de richting van stadsdeel Tongelre. Bij het oversteken van de Eisenhowerlaan werd zij aangereden door een voor haar van links naderende auto. De bestuurder van de auto is na de aanrijding doorgereden en heeft zijn identiteit niet kenbaar gemaakt. De politie heeft, onder meer via opsporingsberichten in landelijke media, de bestuurder gezocht en na enkele maanden is verdachte aangemerkt als de persoon die de auto bestuurde. Uit het politieonderzoek is gebleken dat er nog een tweede auto bij het verkeersongeval betrokken is geweest.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1, primair, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Volgens de officier van justitie volgt uit het politiedossier dat verdachte de bestuurder was van de auto. Verdachte heeft als bestuurder meerdere ernstige verkeersfouten gemaakt die tezamen moeten worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en onoplettend weggedrag. Verdachte heeft vervolgens de plaats van het ongeval verlaten, zodat ook feit 2 wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit, omdat verdachte niet als bestuurder, maar als bijrijder in de auto zat. Indien de rechtbank toch tot de conclusie zou komen dat verdachte de bestuurder was, dan kunnen de gedragingen van de bestuurder volgens de raadsman niet worden gekwalificeerd als een overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW1994). Aan dat laatste standpunt heeft de raadsman ten grondslag gelegd dat geen sprake is van (ten minste) aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid en verder dat het causaal verband tussen de aanrijding en het letsel niet kan worden vastgesteld nu er een tweede auto bij het ongeval betrokken is geweest.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen.

De rechtbank baseert haar oordeel op de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen die aan dit vonnis is gehecht.

Bewijsoverwegingen.

Feit 1

Was verdachte de bestuurder van de BMW?

De rechtbank ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag wie ten tijde van de aanrijding de bestuurder was van de BMW. Op basis van het bewijs, en niet weersproken door verdachte, staat vast dat verdachte en getuige [bijrijder] op het moment van de aanrijding samen in de BMW met [kenteken 1] zaten.

[bijrijder] heeft verklaard dat verdachte ten tijde van het verkeersongeval de bestuurder van de auto was. De rechtbank acht de verklaring van [bijrijder] betrouwbaar, omdat deze op cruciale onderdelen wordt ondersteund door de onderzoeksbevindingen uit het VOA onderzoek, zoals de gereden snelheid en de exacte plaats van de aanrijding. Daarbij komt dat [bijrijder] uit zichzelf bij de politie is gaan verklaren over de aanrijding. Dat [bijrijder] deze verklaring niet direct na de aanrijding heeft afgelegd, doet hieraan niet af.

De verklaring van [bijrijder] dat verdachte ten tijde van het ongeval de BMW bestuurde, wordt verder door de volgende bewijsmiddelen ondersteund. Tijdens de aanrijding is de rechter zijspiegel van de BMW achtergebleven op de plaats van het ongeval. Op 24 januari 2018 heeft verdachte, in een verhoor voor een andere zaak, bij de politie verklaard dat hij degene is geweest die deze schade aan de BMW heeft gereden. Tijdens datzelfde verhoor heeft verdachte verklaard dat hij ook degene was die 20 minuten na de aanrijding een snelheidsovertreding heeft gepleegd waarvoor een boete van € 36,- was opgelegd. Ook getuige [getuige] heeft bij de politie verklaard dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat verdachte degene was die de BMW bestuurde. Op verzoek van de verdediging is zij als getuige gehoord bij de rechter-commissaris. Tijdens dat verhoor is zij bij haar eerdere verklaring gebleven.

Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte op het moment van de aanrijding de bestuurder was van de BMW.

Is er sprake van een overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994?

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of er sprake is van schuld aan de zijde van verdachte in de zin van artikel 6 WVW94. Daarvoor moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. In zijn algemeenheid geldt dat niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor een bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast kan niet enkel uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW94.

Op basis van de in de bewijsbijlage vermelde bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op zaterdagavond 6 januari 2018 reed verdachte als bestuurder in de BMW op de Eisenhowerlaan in Eindhoven. Bij het naderen van het kruispunt met de Wolvendijk stonden de stoplichten voor de rechtdoor gaande auto’s op groen en de stoplichten voor de op de Wolvendijk overstekende fietsers stonden op rood. Omstreeks 23.36 uur is de BMW op de kruising met de Wolvendijk in botsing gekomen met een overstekende fietsster. De fietsster kwam gezien vanuit de rijrichting van verdachte van rechts aanrijden. De BMW is met de rechtervoorzijde tegen de linkerzijde van de fietsster aangereden. De fietsster is door de botsing van haar fiets afgeworpen. Een Volkswagen Polo reed kort hierna over de fiets heen die op het wegdek lag.

De toegestane snelheid op de Eisenhowerlaan betrof 80 km/u. Uit het politieonderzoek is gebleken dat de BMW tot aan de stopstreep bij het kruispunt met de Wolvendijk minstens 134 km/u reed. Over het gehele gemeten traject op de Eisenhowerlaan heeft verdachte met een snelheid van minimaal 124 km/u gereden. Op basis van deze twee gemeten snelheden kan worden geconcludeerd dat verdachte op het moment van de aanrijding met een zéér veel hogere snelheid reed dan ter plaatse was toegestaan.

Bij het aanrijden naar de kruising met de Wolvendijk heeft verdachte zijn aandacht onvoldoende bij de verkeerssituatie gehouden. De verklaring van [bijrijder] hieromtrent wordt bevestigd door het feit dat de BMW bij het naderen van de kruising met de Wolvendijk niet op één van de twee middelste rijbanen reed, maar tussen deze rijbanen. Hieruit volgt dat verdachte bij het naderen van het kruispunt met de Wolvendijk onoplettend reed.

De rechtbank vindt dat deze gedragingen als zeer onoplettend en onvoorzichtig verkeersgedrag kunnen worden aangemerkt.

Zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank is van oordeel dat het letsel dat door de aanrijding bij het slachtoffer is ontstaan, te weten amputatie van het rechteronderbeen, een gebroken linker bovenbeen en een gebroken rechter sleutelbeen, zwaar lichamelijk letsel is in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Dit betekent dat zwaar lichamelijk letsel kan worden bewezen verklaard.

Volgens de raadsman van verdachte kan op grond van het verrichte onderzoek niet worden uitgesloten dat het ontstane letsel bij het slachtoffer niet enkel door de BMW, maar ook door toedoen van de Volkswagen Polo is veroorzaakt. De rechtbank is van oordeel dat, ook al zou de Volkswagen Polo hebben bijgedragen aan het letsel van het slachtoffer, dit niet in de weg staat aan het aannemen van een causaal verband met de aanrijding met de BMW, nu die aanrijding een voor het intreden van het zwaar lichamelijk letsel noodzakelijke factor was en dat het ingetreden letsel redelijkerwijs aan het door de verdachte veroorzaakte verkeersongeval kan worden toegerekend.

Conclusie

Op grond van al hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen, concludeert de rechtbank ten aanzien van de ten laste gelegde overtreding van artikel 6 WVW1994 dat het rijgedrag van de verdachte moet worden aangemerkt als zeer onvoorzichtig en onoplettend, waardoor het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden en dat het slachtoffer als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Dat de fietsster, zoals door de verdediging is aangevoerd, enig verwijt kan worden gemaakt doordat zij bij het oversteken van de Eisenhowerlaan door rood licht is gereden, doet aan deze conclusie niet af. De eventuele aanwezigheid van eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer staat in beginsel niet in de weg aan het aannemen van schuld van de verdachte. Dit verweer wordt dan ook verworpen.

Feit 2

Doorrijden na aanrijding en het slachtoffer in hulpeloze toestand achterlaten

Uit de in de bewijsbijlage vermelde bewijsmiddelen kan eveneens worden vastgesteld dat verdachte na de aanrijding is doorgereden, terwijl hij wist dat hij het slachtoffer in hulpeloze toestand achterliet. Verdachte wist immers dat hij met zeer hoge snelheid een aanrijding met een andere (kwetsbare) verkeersdeelnemer, namelijk een fietsster, had veroorzaakt. Dit betekent dat ook het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 6 januari 2018 te Eindhoven als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Eisenhowerlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, te handelen als volgt:

verdachte heeft, rijdende met zeer hoge snelheid, op de Eisenhowerlaan en gekomen bij de kruising van die Eisenhowerlaan met de Wolvendijk en terwijl hij een overstekende fietsster reeds dicht was genaderd, niet, althans niet tijdig afgeremd en zijn aandacht onvoldoende gehouden bij de verkeerssituatie ter plaatse, waardoor een aanrijding ontstond tussen dit door verdachte bestuurde motorrijtuig en die fietsster,

waardoor een ander, te weten die fietsster genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk in linker dijbeen en gebroken sleutelbeen en een afgezet rechter onderbeen, werd toegebracht;

2.

als degene door wiens gedraging, als bestuurder van een motorrijtuig, een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Eindhoven op de Eisenhowerlaan op 6 januari 2018, de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist, een ander, te weten [slachtoffer] , aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van vijf maanden en een rijontzegging voor de duur van 18 maanden.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman bepleit dat in strafmatigende zin moet worden meegewogen dat verdachte werd geconfronteerd met een plots overstekende fietsster. Daarnaast heeft de raadsman erop gewezen dat de documentatie van verdachte op verkeersgebied relatief beperkt is en de zaak pas na een stevig tijdsverloop op zitting staat. De raadsman heeft de rechtbank verzocht in elk geval geen zwaardere straf op te leggen dan volgt uit de oriëntatiepunten die binnen de rechtspraak worden gehanteerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft met zeer hoge snelheid in zijn auto gereden en zijn aandacht onvoldoende bij de weg gehouden waardoor hij een verkeersongeval met een overstekende fietsster heeft veroorzaakt. Deze fietsster, [slachtoffer] , heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Haar rechter been is tot boven de knie geamputeerd en haar linker dijbeen en rechter sleutelbeen waren gebroken. Het slachtoffer verkeerde direct na het ongeluk zelfs in levensgevaar.

Het ongeval heeft het leven van [slachtoffer] , en dat van haar directe naasten, voorgoed veranderd. De ingrijpende gevolgen van de aanrijding heeft zij treffend weergegeven in haar slachtofferverklaring die de voorzitter van de rechtbank tijdens de terechtzitting heeft voorgelezen. [slachtoffer] kampt nog iedere dag met vreselijke pijnen als gevolg van de aanrijding. Zij zal voor de rest van haar leven met de gevolgen van de aanrijding worden geconfronteerd.

Verdachte is na het ongeluk doorgereden zonder zich om het slachtoffer te bekommeren. Hij heeft zich vervolgens niet bij de politie gemeld, ook niet nadat in lokale en landelijke media naar de bestuurder van de auto werd gezocht. Verdachte heeft zelfs geprobeerd de schuld in de schoenen van de bijrijder te schuiven. Verdachte heeft hierbij steeds enkel en alleen aan zichzelf gedacht. Daarbij heeft verdachte het onderzoek naar het ongeval gefrustreerd door door te rijden. Daardoor kon immers niet worden onderzocht of, en zo ja, in welke mate, hij onder invloed was van alcohol en/of verdovende middelen, waarvoor gelet op de verklaring van [bijrijder] wel aanwijzingen bestaan. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

Verdachte heeft dit feit gepleegd vier maanden nadat hij bij een eerder verkeersfeit, overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (kort gezegd: gevaarzettend rijgedrag) was betrokken. Daarvoor is verdachte op 8 mei 2018 door de rechter veroordeeld en deze veroordeling is inmiddels onherroepelijk, zodat de rechtbank deze in strafverzwarende zin meeweegt.

Gelet op al hetgeen hiervoor is besproken, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval niet kan worden volstaan met een andersoortige straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden opleggen. De rechtbank zal daarnaast een aanzienlijk langere rijontzegging opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank van oordeel is dat dit gelet op de door verdachte gepleegde gedragingen passend en geboden is.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De benadeelde partij heeft gevorderd een bedrag van € 85.000,-, ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek voor dat bedrag ook de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vaststelling van de mate van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft primair gevorderd de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat hij vrijspraak bepleit. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, heeft de raadsman van verdachte eveneens niet-ontvankelijkheid van de vordering gevorderd, omdat voor de vaststelling van de aansprakelijkheid meer onderzoek moet worden verricht en dit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Beoordeling. De rechtbank is van oordeel dat kan worden vastgesteld dat, ook na meeweging van een bepaalde mate van eigen schuld doordat benadeelde zelf door rood is gefietst, in elk geval een bedrag ter hoogte van € 15.000,- aan immateriële schade is geleden door de benadeelde partij en verdachte hiervoor aansprakelijk is. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 15.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Ten aanzien van dat deel van de vordering dat het bedrag van € 15.000,- te boven gaat, dient – gelet op het beroep op eigen schuld in de zin van artikel 6:101, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek – voor de vaststelling van de aansprakelijkheid nader onderzoek te worden verricht. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat behandeling van dit gedeelte van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit gedeelte van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2018 tot de dag der algehele voldoening.

Proceskosten.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Beslag. De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen BMW zal worden verbeurdverklaard. Verder heeft hij gevorderd dat het in beslag genomen fietsstuur kan worden teruggegeven aan de rechthebbende.

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van de in beslag genomen goederen geen standpunt ingenomen.

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen BMW vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – met betrekking tot de BMW de feiten zijn begaan;

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in beslag genomen fietsstuur, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van het in beslag genomen goed. De rechtbank komt formeel tot deze beslissing, maar realiseert zich terdege dat [slachtoffer] er mogelijk geen prijs op stelt het fietsstuur terug te krijgen. De rechtbank geeft de officier van justitie daarom in overweging dit eerst aan [slachtoffer] te vragen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 33, 33a, 36f, 57, 63

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 7, 175, 176, 179.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. T.a.v. feit 2: overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen:

Gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronderbegrepen) voor de duur van 5 jaar.

Verbeurdverklaring van het in beslag genomen goed:

Verklaart verbeurd het in beslag genomen goed, te weten:

- 1 Personenauto [kenteken 2] BMW 3ER REIHE 328i 1998 Kl: Grijs, goednr. 1263949.

Teruggave inbeslaggenomen goed:

Gelast de teruggave van het in beslag genomen voorwerp, te weten:

- 1 Fietsstuur Kl: grijs, Batavus, goednr. [nummer] aan [slachtoffer] , die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Maatregel van schadevergoeding

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van EUR 15.000,00 (zegge: vijftienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 110 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van EUR 15.000,00 (zegge: vijftienduizend euro), te weten immateriële schadevergoeding. Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering (EUR 70.000,00 aan immateriële schadevergoeding) niet-ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Proceskosten

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Dit vonnis is gewezen door:

Mr. T. Kraniotis, voorzitter,

mr. C.J. Sangers-de Jong en mr. C.M. Zandbergen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,

en is uitgesproken op 30 september 2020.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.