Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4543

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
23-09-2020
Zaaknummer
05/171099-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak verdenking twee pogingen doodslag.

De rechtbank heeft niet de overtuiging dat het verdachte is geweest die de ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2020, afl. 5, p. 207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: 05.171099.[verdachte]

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 05.171099.19

Datum uitspraak: 18 september 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortejaar] 1977,

wonende te [adres]

thans gedetineerd te: P.I. Arnhem.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 oktober 2020, 15 januari 2020, 2 april 2020, 25 juni 2020 en 4 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 december 2019.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

T.a.v. feit 1 primair:

hij op of omstreeks 29 juni 2018 te Arnhem, althans in het arrondissement Oost-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet

- tegen die [slachtoffer 1] heeft geroepen: “Ik steek jullie neer”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- (vervolgens) meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een dergelijk (scherp) (steek)voorwerp, in de (linker)arm en/of (linker)schouder, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

T.a.v. feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 29 juni 2018 te Arnhem, althans in het arrondissement Oost-Nederland, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten: een grote snijwond van ongeveer 30 centimeter waarbij het spierweefsel werd blootgelegd) heeft toegebracht, door

- tegen die [slachtoffer 1] te roepen: “Ik steek jullie neer”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 1] opzettelijk meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een dergelijk (scherp) (steek)voorwerp, in de (linker)arm en/of (linker)schouder, althans het lichaam te steken en/of te snijden;

T.a.v. feit 1 meer subsidiair:

hij op of omstreeks 29 juni 2018 te Arnhem, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- tegen die [slachtoffer 1] heeft geroepen: “Ik steek jullie neer”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- (vervolgens) meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een dergelijk (scherp) (steek)voorwerp, in de (linker)arm en/of (linker)schouder, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. feit 2:

hij op of omstreeks 29 juni 2018 te Arnhem, althans in het arrondissement Oost-Nederland,

[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door tegen die [slachtoffer 2] te roepen "Ik steek jullie neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Inleiding.

Op vrijdag 28 juni 2018 omstreeks 03.30 uur is aangeefster [slachtoffer 1] op de Steenstraat in Arnhem door een haar onbekende man met een mes of scherp voorwerp in haar arm gestoken toen zij samen met aangeefster [slachtoffer 2] naar huis liep. Deze [slachtoffer 2] verklaarde dat de persoon die haar vriendin had gestoken een vermoedelijk Turkse man was van ongeveer 35 jaar oud met donker kort haar, wat dunner bovenop, brede, borstelige wenkbrauwen, een licht beige jas en donkere kleding. De man had tevens een opvallend “pinguïn”-loopje. De man had hen voor “hoer” uitgemaakt en toen aangeefster [slachtoffer 1] hierop reageerde, haar direct gestoken. Ook zei hij iets als “ik steek jullie neer”. Bij de politie en bij Meld Misdaad Anoniem komen na het incident diverse anonieme meldingen binnen waarin verdachte wordt genoemd als dader van het steekincident. Ook wordt verdachte door meerdere getuigen herkend wanneer beelden van de vermoedelijke dader worden getoond bij het televisieprogramma Opsporing Verzocht. Verdachte wordt er thans van beschuldigd dat hij heeft gepoogd [slachtoffer 1] van het leven te beroven door haar in haar linkerarm te steken (feit 1 primair) dan wel dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer 1] (feit 1 subsidiair) dan wel een poging daartoe (feit 1 meer subsidiair). Tevens wordt verdachte beschuldigd van bedreiging van aangeefster [slachtoffer 2] (feit 2).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht op grond van de bewijsmiddelen zoals deze in het door haar opgestelde bewijsmiddelenoverzicht zijn genoemd, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem onder feit 1 primair en feit 2 ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe van verdachte heeft op de gronden zoals in haar schriftelijke pleitnota verwoord vrijspraak voor beide ten laste gelegde feiten bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

Anders dan de officier van justitie en met de raadsvrouwe is de rechtbank van oordeel dat de feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Op basis van het signalement van de persoon zichtbaar op met name de camerabeelden van [pand 1] , [pand 2] en [pand 3] in combinatie met de locatie en het tijdstip van deze beelden, acht de rechtbank bewezen dat de persoon op deze beelden ook de dader van het tenlastegelegde steekincident en de tenlastegelegde bedreiging is.

De volgende vraag is of ook wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte deze dader is. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Aangeefster [slachtoffer 1] en aangeefster [slachtoffer 2] hebben beiden een signalement gegeven van de dader. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze signalementen op zich onvoldoende gedetailleerd om als basis te dienen voor het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Daar komt nog bij dat de gegeven signalementen op meerdere relevante punten niet overeen komen met het signalement van verdachte. Het gaat daarbij om de getinte huidskleur, het gezette postuur, de brede, borstelachtige wenkbrauwen en de beheersing van het Nederlands (het stoppelbaardje acht de rechtbank, anders dan de verdediging, een te veranderlijk element om enige betekenis aan te hechten). Met name op het punt van de brede, borstelige wenkbrauwen, een naar het oordeel van de rechtbank zeer specifiek detail, en het niet goed Nederlands spreken wijkt het signalement van verdachte af. Uit de foto’s van verdachte in het dossier blijkt dat verdachte, ten tijde van diens aanhouding alsmede op zijn identiteitspas d.d. maart 2018, niet over borstelige wenkbrauwen beschikt. Ter terechtzitting is verder niet gebleken dat verdachte niet goed Nederlands spreekt.

Het bewijs dat verdachte de dader van het steekincident en de bedreiging op 29 juni 2018 te Arnhem is, zou verder kunnen worden gebaseerd op, in uiteenlopende gradaties van zekerheid, herkenningen door getuigen, die verdachte aanwijzen als de persoon die te zien is op de camerabeelden getoond in het televisieprogramma Opsporing Verzocht (hierna kortweg: de beelden). De rechtbank stelt vast dat op de beelden geen gezichtskenmerken zijn te onderscheiden. Wel zijn een aantal andere kenmerken van de persoon zichtbaar. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld wat de bewijswaarde is van herkenningen van getuigen van de beelden. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

Ten aanzien van een aantal van de herkenningen constateert de rechtbank dat deze tot stand zijn gekomen nadat de desbetreffende getuige vooraf met een ander over de herkenning gesproken heeft en/of er door de desbetreffende verbalisanten bepaalde vragen zijn gesteld of voor-informatie is verschaft over de identiteit van de persoon op de beelden. Bij in ieder geval de verklaringen van getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] is dit naar het oordeel van de rechtbank zodanig dat geen sprake meer is van onbevangen verklaringen. Dit doet afbreuk aan de bewijswaarde van deze verklaringen.

Belangrijker voor de voorliggende bewijsvraag is echter het volgende. De rechtbank constateert dat, voor zover op basis van het dossier kan worden nagegaan, alle herkenningen geheel of in belangrijke mate zijn gebaseerd op het ‘loopje’, hierna: het gangbeeld, van de man zoals te zien op de beelden. Naar de overeenkomsten tussen het gangbeeld van de dader van de feiten en het gangbeeld van verdachte is ook onderzoek gedaan door deskundigen [deskundigen], verbonden aan het Universitair Medisch Centrum en de Rijksuniversiteit te Groningen. De conclusie van dit onderzoek is dat de kans op het vinden van overeenkomst in gangbeeld van de dader van het steekincident en de verdachte, uitgaand van de hypothese dat het om dezelfde persoon gaat tegenover de hypothese dat het om verschillende personen gaat 1,1 is. Deze waarde valt statistisch in de categorie ‘ongeveer even waarschijnlijk’. De conclusie van dit onderzoek op zich is daarmee, zo oordeelt de rechtbank, slechts in minimale mate belastend voor verdachte.

Dat er in het onderzoek naar het looppatroon door de deskundigen een tweetal opvallende kenmerken betreffende de houding van verdachte niet zijn meegenomen, zoals door de officier van justitie nog is aangevoerd, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Deze kenmerken zijn juist niet meegenomen, zo blijkt uit de toelichting, omdat deze onvoldoende ‘vast’ zijn. De bewijswaarde van deze kenmerken is daarmee voor de rechtbank niet vast te stellen, zodat de rechtbank deze kenmerken hier buiten beschouwing zal laten.

De conclusie van het onderzoek van de deskundigen is echter naar het oordeel van de rechtbank ook relevant voor de weging en waardering van voornoemde herkenningen door de getuigen. Het gangbeeld op de camerabeelden zoals door de deskundigen onderzocht, zo concludeert de rechtbank, is niet zodanig kenmerkend dat dit met een voldoende mate van zekerheid te koppelen is aan verdachte. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat ook aan de herkenningen van de getuigen voor zover zij dit baseren op dit gangbeeld maar een beperkte bewijswaarde toekomt.

Zeven getuigen noemen naast het gangbeeld nog andere elementen aan de hand waarvan zij menen dat op de beelden verdachte zichtbaar is. Genoemd zijn de elementen postuur, houding, kleding, een tasje en een petje. Deze andere elementen zijn, vooral vanwege de (te) weinig gedetailleerde aanduiding ervan, van onvoldoende betekenis om toch de overtuiging te krijgen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Anonieme bronnen en informatie van het Team Criminele Inlichtingen zijn voorts niet voor het bewijs te gebruiken.

Andere bewijsmiddelen op basis waarvan kan worden aangenomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zijn er niet.

Gelet op vorenstaande, bijeengenomen, heeft de rechtbank uit de inhoud van de, aanwezige, wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging gekregen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en zal verdachte dan ook hiervan vrijspreken.

Beslag.Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft verzocht om teruggaven van de inbeslaggenomen goederen aan verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave hiervan.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Nu verdachte van het hem onder feit 1 ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken, dient de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij zal worden verwezen in de kosten door de verdachte in deze strafzaak gemaakt, als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Nu verdachte van het hem onder feit 2 ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken, dient de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij zal worden verwezen in de kosten door de verdachte in deze strafzaak gemaakt, als na te melden.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Teruggave inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank gelast de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

1 paar schoenen merk Adidas, kleur blauw, goednummer PL0600-2018286575-2035085,

aan verdachte, [verdachte] .

t.a.v. feit 1 primair, feit 1 subsidiar, feit 1 meer subsidiair:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

t.a.v. feit 2:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. T. van de Woestijne, voorzitter,

mr. A.W.A. Kap-Knippels en mr. A.M.R. van Ginneken, leden,

in tegenwoordigheid van S.A. Nuyens, griffier,

en is uitgesproken op 18 september 2020.

mr. A.M.R. van Ginneken is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.