Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4541

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
C/01/353365 / HA ZA 19-773
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Eisers vorderen overdracht van fosfaatrechten. Deze rechten zijn aan gedaagden toegekend, omdat de runderen van eisers op de peildatum 2 juli 2015 op het UBN van gedaagden waren geregistreerd. Elk van partijen stelt dat zijzelf op 2 juli 2015 deze runderen heeft verzorgd/opgefokt en daarom als feitelijk houder van die dieren aangemerkt moet worden.

Of gedaagden – in het licht van wat partijen zijn overeengekomen en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid – hun medewerking moeten verlenen aan de overdracht van (een deel van) de fosfaatrechten aan eisers, hangt af van het antwoord op de vraag wie de dieren heeft opgefokt.

Vaststaat dat de dieren in 2015 gestald waren in de stal die bij het bedrijf van gedaagden hoorde. Gedaagden hielden ook de mestboekhouding bij, wat samenhing met de registratie van de dieren op het UBN van gedaagden. Eisers regelden en betaalden zowel de diergeneeskundige zorg als de mestafvoer. Ook droegen eisers de kosten van het voer. Eisers stellen dat zij daarnaast de hele dagelijkse verzorging van de dieren deden, die bestond uit het voeren van de dieren en het schoonmaken van de stal. Als ook dit komt vast te staan, dan regelden eisers dus de gehele verzorging inclusief mestafvoer, terwijl de rol van gedaagden zich beperkte tot het ter beschikking stellen van de stal en de mestboekhouding. In dat geval zijn eisers naar het oordeel van de rechtbank als opfokker van de dieren aan te merken en niet gedaagden. Bewijsopdracht aan eisers.

Aan gedaagden bewijsopdracht dat zij met eisers zijn overeengekomen dat eisers op basis van nacalculatie aan gedaagden zouden betalen voor de mest die op de grond van gedaagden is afgezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/353365 / HA ZA 19-773

Vonnis van 23 september 2020

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

[eiser 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

en haar vennoten:

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser 2],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. C.A. van Kooten-de Jong te Montfoort,

tegen

1. de maatschap

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

en haar maten:

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. M.B. Bartelds te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 29 januari 2020,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 14 juli 2020 waarvan de pleitnotities van mr. Van Kooten en mr. Bartelds deel uitmaken en waaraan de opmerkingen van mr. Bartelds op het proces-verbaal zijn gehecht,

  • -

    de e-mail van 14 juli 2020 van mr. Bartelds, waarbij zij een geanonimiseerde uitspraak van rechtbank Overijssel heeft opgestuurd,

  • -

    de akte van [eisers] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] exploiteert een veehandelsbedrijf. Zij verzorgt onder meer de export van runderen naar het buitenland.

2.2.

[gedaagden] richt zich op het opfokken en houden van jongvee bestemd voor de melkveehouderij.

2.3.

Partijen hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan [eisers] vanaf 23 juli 2014 runderen in de rundveestal van [gedaagden] heeft gestald. Partijen waren een prijs van € 1.100,00 per maand overeengekomen. Dit bedrag hoefde alleen betaald te worden als er daadwerkelijk runderen in de stal stonden. [eisers] had de runderen die bij [gedaagden] in de stal stonden op haar eigen Uniek Bedrijfsnummer (UBN) geregistreerd in het Identificatie & Registratiesysteem van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

2.4.

Bij de export van runderen naar het buitenland is het voorgeschreven dat de runderen voorafgaand een periode in quarantaine worden geplaatst. Aanvankelijk had [eisers] runderen in quarantaine in de stal van [gedaagden] gestald. In 2015 kwamen er dieren die waren bedoeld voor Senegal. Omdat de export naar Senegal niet doorging, bleven de dieren als opfokvee. Begin 2015 heeft [eisers] deze runderen geregistreerd op het UBN van [gedaagden] . Op 2 juli 2015 stonden er 59 runderen jonger dan 1 jaar en 55 runderen ouder dan 1 jaar in de stal van [gedaagden] .

2.5.

Op 1 januari 2018 is de gewijzigde Meststoffenwet met het stelstel van fosfaatrechten in werking getreden.

2.6.

Op basis van de registratie van 114 runderen op het UBN van [gedaagden] op 2 juli 2015 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in januari 2018 1.624 kg fosfaatrechten toegekend aan [gedaagden] .

2.7.

[gedaagden] heeft aan [eisers] een bedrag van € 6.096,00 in rekening gebracht bij factuur van 29 december 2017. Op deze factuur staat onder ‘omschrijving’ vermeld ’Jongveeopfok’ en onder ‘Datum levering’ staat vermeld ‘Kwartaal 4 2017’.

2.8.

In het voorjaar van 2018 heeft [eisers] haar runderen uit de stal van [gedaagden] weggehaald en is de overeenkomst tussen partijen geëindigd.

2.9.

Bij sommatie van 23 oktober 2018 heeft [eisers] [gedaagden] gesommeerd om mee te werken aan de overdracht van de fosfaatrechten.

2.10.

Vervolgens is [eisers] een kort gedingprocedure gestart. Bij vonnis van 21 december 2018 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [eisers] afgewezen.

3 De vorderingen

in conventie

3.1.

[eisers] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I te verklaren voor recht dat de 1.624 kg fosfaatrechten die zijn toegekend aan [gedaagden] vanaf 1 januari 2018 toekomen aan [eisers] op grond van artikel 23 lid 3 Meststoffenwet;

II te oordelen dat [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade van [eisers] door de weigering van [gedaagden] om de onder I genoemde fosfaatrechten over te dragen;

III [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om binnen zeven dagen na vonnisdatum 2.030 bruto (1.624 netto) kg in 2019 benutbare fosfaatrechten – indien mogelijk met terugwerkende kracht tot 1 januari 2018 – over te dragen aan [eisers] door overschrijving op een door [eisers] aan te geven landbouwer/UBN door alle vereiste handelingen daartoe, onder andere via de website van de RVO ‘mijnrvo’, te verrichten;

IV te bepalen dat [gedaagden] ieder een dwangsom verbeuren van € 25.000,00 voor iedere dag, dat zij niet voldoen aan het onder III gevorderde;

V [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

in reconventie

3.3.

[gedaagden] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eisers] te veroordelen:

I tot betaling van een bedrag van € 6.069,00, te vermeerderen met de wettelijke
handelsrente;

II tot betaling van een bedrag van € 678,45 aan buitengerechtelijke incassokosten;

III in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke
rente.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

De standpunten van partijen

4.1.

[eisers] stelt dat zij op grond van artikel 23 lid 3 Meststoffenwet recht heeft op de fosfaatrechten, omdat zij op 2 juli 2015 (feitelijk) houder was van de betreffende runderen. Verder stelt [eisers] dat [gedaagden] ongerechtvaardigd is verrijkt, omdat de fosfaatrechten op onjuiste gronden aan [gedaagden] zijn toegekend. Ook op grond van de redelijkheid en billijkheid moeten de fosfaatrechten aan [eisers] worden overdragen.

Sinds 23 juli 2014 gebruikte [eisers] de rundveestal en sleufsilo van [gedaagden] als zij runderen had die in quarantaine moesten. Er was sprake van een huurovereenkomst.

De stal was onderdeel van het bedrijf van [eisers] . [eisers] deed de volledige feitelijke verzorging van de runderen. Zij kocht en verstrekte het voer aan de dieren en verzorgde het schoonhouden van de stal. [gedaagde 2] (gedaagde sub 2) kwam wel in de stal kijken, maar had geen taak en betrokkenheid bij de verzorging.

[eisers] zag zelf toe op de diergeneeskundige verzorging van de runderen en hield zelf in de gaten of runderen tochtig waren en geïnsemineerd konden worden. Ook voldeed [eisers] de kosten van de dierenarts en het transport en de afvoer van mest. De mest van de runderen werd (deels) afgezet op de gronden van [gedaagden] . Voor de afzet van de mest heeft [gedaagden] een jaar de documenten geregeld, maar [eisers] heeft hiervoor apart betaald. Begin 2015 zijn de runderen geregistreerd op het UBN van [gedaagden] , omdat de mest van de dieren dan zonder dat deze bemonsterd hoefde te worden, afgezet kon worden op de percelen van [gedaagden] . [eisers] heeft fosfaatrechten nodig voor het houden van jongvee en melkvee. [gedaagden] is rustend veehouder en heeft alleen een financieel belang bij de fosfaatrechten. [eisers] heeft schade geleden, omdat ze de fosfaatrechten niet heeft kunnen benutten in 2018 en fosfaatrechten tekort is gekomen, met alle gevolgen van dien.

De korting die het RVO bij de overdracht van fosfaatrechten toepast, is voor rekening en risico van [gedaagden] , omdat [eisers] tijdig de medewerking van [gedaagden] heeft gevraagd en de overdracht zonder afroming in 2018 geregeld had kunnen worden.

4.2.

[gedaagden] betwist dat zij haar stal aan [eisers] heeft verhuurd. De stal is feitelijk onderdeel van (de exploitatie van) het jongveeopfokbedrijf van [gedaagden] . Binnen het bedrijf verricht [gedaagde 3] (gedaagde sub 3) het merendeel van de werkzaamheden en [gedaagde 2] assisteert hem daarbij. Partijen zijn in 2015 overeengekomen dat [gedaagden] het koppel jongvee dat in 2015 werd gebracht voor een langere tijd zou opfokken. [eisers] heeft deze dieren zelf overgeschreven op het UBN van [gedaagden] , omdat [gedaagden] als houder van de dieren (het merendeel van) de werkzaamheden verrichtte en de verantwoordelijkheid voor de dieren en de mest droeg. Het betreffende koppel was in april 2016 voldoende opgefokt om het bedrijf te verlaten. Het daarop volgende koppel werd – in december 2016 – weer op het UBN van [gedaagden] geregistreerd. Pas later in 2017 heeft [eisers] de dieren op haar eigen UBN geregistreerd.

[gedaagden] bracht maandelijks, op basis van aanwezigheid van het vee, kosten voor de jongveeopfok in rekening. Omdat de dieraantallen gedurende de opfokperiode nagenoeg gelijk bleven, bracht [gedaagden] één vast bedrag van € 1.100,00 in rekening. Dit

bedrag was berekend op een volle stal. In het bedrag van € 1.100,00 waren de kosten voor de stalling van de dieren en de arbeid van [gedaagden] inbegrepen. Kosten voor voer, water en mestafzet bracht [gedaagden] achteraf op basis van nacalculatie in rekening. [gedaagden] verzorgde het jongvee in opdracht van [eisers] . De werkzaamheden bestonden onder andere uit het voeren van de dieren, het schoonhouden van de stallen, het toezicht houden op de gezondheid en tochtigheid van de dieren en het plaatsen van de mest.

Als er problemen waren, meldde [gedaagden] dit bij [eisers] . [gedaagden] was dagelijks twee keer per dag in de stal aanwezig voor deze werkzaamheden en gebruikte daarvoor haar machines. Onderdeel van de totaalafspraak tussen partijen was dat [eisers] ook bepaalde werkzaamheden voor haar rekening nam en af en toe voer liet brengen bij [gedaagden] . Deze werkzaamheden zijn ook verdisconteerd in de 'kale' opfokprijs die partijen zijn overeengekomen. [eisers] schakelde daarvoor een ZZP-er in die [gedaagden] één tot enkele uren per week hielp, wanneer [gedaagden] zelf niet aanwezig was. Gemiddeld was de ZZP-er (naar schatting) in 2015 één tot twee uur per week op het bedrijf. [eiser 3] (eiser sub 3) kwam zelf niet of nauwelijks op het bedrijf van [gedaagden] .

[gedaagden] was ook verantwoordelijk voor de mestafzet. Zij gaf de dieren en de mest op in haar gecombineerde opgave en in haar CRV mineraal overzicht. [gedaagden] heeft nagenoeg alle mest van de dieren uitgereden op haar eigen grond. De kosten hiervoor werden op basis van nacalculatie in rekening gebracht bij [eisers] .

[eisers] houdt zelf geen melkvee waarvoor fosfaatrechten nodig zijn en zij kan het jongvee net als in 2015 nog steeds door derden laten opfokken. [eisers] heeft daarom geen fosfaatrechten nodig. [gedaagden] heeft wel een belang bij de fosfaatrechten. Zij kan zonder de fosfaatrechten haar bedrijfsvoering niet voortzetten zoals zij dat deed en haar stal niet benutten.

4.3.

De rechtbank overweegt als volgt.

De Meststoffenwet

4.4.

De fosfaatrechten zijn geregeld in de Meststoffenwet, waarin – voor zover hier van belang – het volgende is bepaald:

Art. 21b lid 1: “Het is een landbouwer verboden op zijn bedrijf in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. De productie van dierlijke meststoffen door melkvee wordt forfaitair vastgesteld overeenkomstig de regels, bedoeld in artikel 35.”

Art. 23 lid 3: “Het op het bedrijf rustende fosfaatrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het verbod, bedoeld in artikel 21b, eerste lid, wordt door Onze Minister vastgesteld en komt overeen met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en krachtens de artikelen 4, 96 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels (I&R) is geregistreerd. (…)”

Art. 25: “Een productierecht kan, onder welke titel ook, overgaan naar een ander bedrijf, overeenkomstig het bepaalde in deze paragraaf en artikel 32.”

4.5.

De Memorie van Toelichting bij de Wijziging van de Meststoffenwet in verband met de invoering van een stelsel van fosfaatrechten (Kamerstukken II 2015-2016, 34 532 nr. 3) vermeldt onder meer:

“Na inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel krijgen bedrijven met melkvee van RVO.nl een beschikking over de voor hun bedrijf vastgestelde hoeveelheid fosfaatrechten, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat. De hoeveelheid toegekende fosfaatrechten – het fosfaatrecht – rust op het bedrijf en wordt als zodanig door RVO.nl geregistreerd. Bedrijven krijgen een hoeveelheid fosfaatrechten toegekend die volgt uit het aantal gehouden stuks melkvee op 2 juli 2015 – de datum waarop de introductie van het fosfaatrechtenstelsel aan de Tweede Kamer is aangekondigd – en de op de gemiddelde melkproductie per koe gebaseerde forfaitaire fosfaatexcretie en de forfaitaire fosfaatexcretie voor jongvee, beide volgend uit de Meststoffenwet (bijlage D bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet). Groei van de veestapel die na 2 juli 2015 heeft plaatsgevonden, wordt niet vertaald in fosfaatrechten. (…)

Wat betreft het begrip «houden van dieren», dat wordt gebruikt in de verbodsbepaling, gaat het om het feitelijke houderschap, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juni 1998 (NJ 1998/714) heeft uitgemaakt met betrekking tot het destijds van kracht zijnde stelsel van productierechten. Het is van ondergeschikt belang of de houder ook de eigenaar van de dieren is. In het geval van uitgeschaarde dieren gaat het voor wat betreft de toekenning van de fosfaatrechten dus niet om wie de eigenaar was van het melkvee op de peildatum van

2 juli 2015, maar om de feitelijke houder van de dieren, wie feitelijk de dieren in zijn stal onderbracht, op zijn land weide en de verzorging op zich nam.”

4.6.

Per 1 januari 2018 is voor de melkveehouderij het stelsel van fosfaatrechten ingevoerd door middel van een wijziging van de Meststoffenwet. Voor de omvang van de aan melkveebedrijven toe te kennen fosfaatrechten zijn bepalend de aantallen stuks vee, die op 2 juli 2015 werden gehouden. Omdat de rechten zijn toegekend aan degene die bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) als houder van het vee stond geregistreerd, zijn deze aan [gedaagden] toegekend. Het toekennen van fosfaatrechten aan de houder van de dieren, en niet aan de eigenaar, is een bewuste keuze van de wetgever. Deze keuze ligt ook voor de hand, omdat het fosfaat bij de houder wordt geproduceerd.

4.7.

Uit de Meststoffenwet en de uitvoeringsregelingen volgt geen verplichting tot overdracht van fosfaatrechten bij overgang van grond, vee of gebouwen; die rechten zijn vrij overdraagbaar. De rechten worden toegekend aan degene die bij de RVO als houder van de dieren stond aangemerkt op 2 juli 2015 en ‘rusten op het bedrijf’ na de toekenning vanaf

1 januari 2018, maar die (bestuursrechtelijke) aanduidingen zeggen niets over een civielrechtelijke samenhang tussen de fosfaatrechten en het bedrijf.

4.8.

Nu uit de Meststoffenwet niet volgt dat [gedaagden] haar fosfaatrechten aan [eisers] moet overdragen, spitst het geschil zich toe op de vraag of [eisers] op grond van de overeenkomst met [gedaagden] , de redelijkheid en billijkheid of ongerechtvaardigde verrijking aanspraak heeft op overdracht van de fosfaatrechten of een deel daarvan.

Ongerechtvaardigde verrijking

4.9.

[eisers] stelt dat [gedaagden] ten koste van [eisers] is verrijkt, omdat [gedaagden] de fosfaatrechten heeft verkregen die gekoppeld zijn aan de dieren die [eisers] op de peildatum op het bedrijf van [gedaagden] had staan. Volgens [eisers] zijn deze fosfaatrechten op onjuiste gronden aan [gedaagden] toegekend.

4.10.

Dit beroep slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Voor een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking moet sprake zijn van een verrijking van de één en verarming van de ander. Daartussen dient een causaal verband te bestaan. Ten slotte moet de verrijking ongerechtvaardigd zijn, wat het geval zal zijn indien hieraan geen redelijke oorzaak ten grondslag ligt. De verarming van [eisers] bestaat volgens haar uit het missen van de fosfaatrechten die samenhangen met de 114 stuks jongvee. Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat de wetgever de fosfaatrechten met ingang van 1 januari 2018 in het leven heeft geroepen. De fosfaatrechten zijn toegekend aan [gedaagden] . [eisers] heeft de fosfaatrechten nooit gehad en is dus niet verarmd. [gedaagden] is wel verrijkt, doordat zij de fosfaatrechten heeft gekregen. Deze verrijking volgt uit een bewuste keuze van de wetgever om de rechten toe te kennen aan degene die bij de RVO als houder van het vee stond geregistreerd en is dus niet ongerechtvaardigd. Dit betekent dat niet is voldaan aan de eisen voor ongerechtvaardigde verrijking.

De overeenkomst en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid

4.11.

Partijen hebben geen afspraken gemaakt over de vraag aan wie rechten zoals de fosfaatrechten toekomen. Een overeenkomst heeft echter niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen maar ook de rechtsgevolgen die, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien en waaraan partijen zijn gebonden (artikel 6:248 lid 1 BW).

4.12.

Tussen partijen is de aard van de overeenkomst die zij (mondeling) hebben gesloten in geschil. Elk van partijen stelt dat zijzelf op 2 juli 2015 de dieren die bij [gedaagden] in de stal stonden, heeft verzorgd/opgefokt en daarom als feitelijk houder van die dieren aangemerkt moet worden.

4.13.

Uit de jurisprudentie volgt dat de fosfaatrechten in beginsel aan de opfokker toekomen. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 28 april 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:1449) geoordeeld dat een veehouder geen aanspraak kan maken op fosfaatrechten die zijn toegekend aan de opfokker van zijn jongvee. In de wet is het begrip ‘opfokken’ niet omschreven, maar in de praktijk is duidelijk dat het daarbij gaat om het verzorgen en opfokken van een jong kalf tot een melkkoe.

Of [gedaagden] – in het licht van wat partijen zijn overeengekomen en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid – haar medewerking moet verlenen aan de overdracht van (een deel van) de fosfaatrechten aan [eisers] , hangt af van het antwoord op de vraag wie de dieren in de stal bij [gedaagden] heeft opgefokt: [gedaagden] of [eisers] ? Daarbij is het volgende van belang.

UBN

Vaststaat dat de dieren in 2015 waren geregistreerd op het UBN van [gedaagden] .

De stal

Tussen partijen staat ook vast dat zij hebben afgesproken dat de dieren in de stal van [gedaagden] zouden staan. In eerste instantie ging het om dieren die daar in quarantaine zouden staan, maar omdat het transport van deze dieren naar Senegal niet doorging, bleven de dieren langer en werden ze opgefokt.

Uit de omstandigheid dat [eisers] alleen hoefde te betalen als er dieren in de stal stonden, kan worden opgemaakt dat de overeenkomst niet was gebaseerd op (het gebruik van) het gebouw, maar op de aanwezigheid van de dieren daarin. Daarnaast staat vast dat [gedaagde 2] wel eens in de stal aanwezig was, ondanks dat daarin geen dieren van hem stonden. Dit zou ongebruikelijk zijn als de stal bij het bedrijf van [eisers] zou horen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat [eisers] onvoldoende heeft onderbouwd dat de stal deel uitmaakte van haar bedrijf. De stal was ten tijde van de overeenkomst tussen partijen dus onderdeel van het bedrijf van [gedaagden] .


De mest

[gedaagden] heeft een jaar de documenten voor de afzet van de mest geregeld. Dat [eisers] het transport, de bemonstering, het mixen en het uitrijden van de mest van de dieren regelde en betaalde, heeft [eisers] onderbouwd met stukken, die door [gedaagden] niet worden betwist. Dit staat daarmee vast. Doordat de dieren op het UBN van [gedaagden] waren geregistreerd, kon de mest zonder bemonsterd te hoeven worden, worden afgezet op de percelen van [gedaagden] . Verder is tussen partijen niet in geschil dat [eisers] moest betalen voor de mestafzet op het perceel van [gedaagden] . Over de prijs zijn partijen het niet eens. De rechtbank begrijpt de stellingen van [eisers] zo dat het uitrijden van de mest over het land van [gedaagden] was inbegrepen in de prijs van

€ 1.100,00, terwijl volgens [gedaagden] mestafzet op basis van nacalculatie was afgesproken.

Diergeneeskundige verzorging

[eisers] heeft haar stelling dat zij de dierenartskosten voldeed, onderbouwd met facturen, die door [gedaagden] niet zijn betwist. Ook dit staat daarmee vast. [gedaagde 3] heeft tijdens de comparitie verklaard dat medewerkers van [eisers] de dieren schoren en vastzetten als de dierenarts kwam om bloed te tappen en dat er ook iemand van [eisers] bij kwam als er moest worden gecontroleerd op drachtigheid.

Dagelijkse verzorging

Over de dagelijks verzorging zijn partijen het niet eens. [eiser 3] heeft tijdens de comparitie verklaard dat de koeien twee keer op de dag gevoed werden en dat hij dat zelf deed met zijn medewerker. Het zuiver maken van de stal liet [eisers] doen door een bedrijf. Het dagelijkse schoonmaken van de stal duurde ongeveer een half uur en deden ze zelf, aldus [eiser 3] . Volgens [eiser 3] was [gedaagde 2] zo’n twee keer per week in de stal en verdeelde hij wel eens het voer .

[gedaagde 3] heeft bij dezelfde gelegenheid verklaard dat [eisers] 1 à 2 keer per week voer en/of hooi liet brengen, en op het laatst wel 3 à 4 keer per week. Als deze personen zagen dat het voer op was, duwden ze het wel eens naar binnen.

4.14.

Uit het voorgaande volgt dat vaststaat dat de dieren in 2015 gestald waren in de stal die bij het bedrijf van [gedaagden] hoorde. [gedaagden] hield ook de mestboekhouding bij, wat samenhing met de registratie van de dieren op het UBN van [gedaagden] . [eisers] regelde en betaalde zowel de diergeneeskundige zorg als de mestafvoer. Ook droeg [eisers] de kosten van het voer. [eisers] stelt dat zij daarnaast de hele dagelijkse verzorging van de dieren deed, die bestond uit het voeren van de dieren en het schoonmaken van de stal. Als ook dit komt vast te staan, dan regelde [eisers] dus de gehele verzorging inclusief mestafvoer, terwijl de rol van [gedaagden] zich beperkte tot het ter beschikking stellen van de stal en de boekhouding. In dat geval is [eisers] naar het oordeel van de rechtbank als opfokker van de dieren aan te merken en niet [gedaagden] .

4.15.

Door [gedaagden] wordt echter betwist dat [eisers] de hele dagelijkse verzorging van de dieren deed. Aangezien [eisers] van deze stelling de stelplicht en de bewijslast heeft en bewijs heeft aangeboden, zal [eisers] worden opgedragen dit te bewijzen. Als [eisers] in haar bewijs slaagt, dan komt naar het oordeel van de rechtbank op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (een deel van) de fosfaatrechten aan [eisers] toe. [gedaagden] zal in dat geval worden veroordeeld tot het overdragen van (een deel van) de aan haar toegekende fosfaatrechten aan [eisers] .

Als [eisers] niet in haar bewijs slaagt – en dus [gedaagden] de dagelijkse verzorging van de dieren (deels) deed – kan naar het oordeel van de rechtbank [gedaagden] als opfokker worden aangemerkt en is er geen reden om op grond van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid (een deel van) de fosfaatrechten over te dragen aan [eisers] .

4.16.

Over de uitspraak van de Rechtbank Overijssel van 27 november 2019 die

mr. Bartelds heeft overgelegd en waar zij een beroep op doet, merkt de rechtbank op dat in die zaak de feiten anders waren. In die uitspraak is onder andere meegewogen dat de gedaagde de mest afvoerde en gebruikte, wat [gedaagden] in deze zaak niet deed, maar juist [eisers] .

4.17.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

in reconventie

4.18.

[gedaagden] vordert betaling van de factuur van € 6.096,00 voor de door het opfokvee geproduceerde mest. [gedaagde 3] heeft tijdens de comparitie verklaard dat met [eiser 3] ( [eisers] ) is afgesproken dat voor de mestafzet op basis van nacalculatie betaald zou worden. Volgens hem is een eenmalige factuur opgemaakt voor alle mest van de dieren van [eisers] die op de grond van [gedaagden] is uitgereden.

[eisers] betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Haar stellingen komen erop neer dat de mestafzet op de grond van [gedaagden] was inbegrepen in het bedrag van

€ 1.100,00 dat [eisers] maandelijks aan [gedaagden] betaalde.

[gedaagden] heeft de stelplicht en de bewijslast van de door haar gestelde afspraak over de betaling voor de mest. Gelet op de gemotiveerde betwisting van die afspraak door [eisers] en het bewijsaanbod van [gedaagden] , zal [gedaagden] worden opgedragen te bewijzen dat zij met [eisers] is overeengekomen dat [eisers] op basis van nacalculatie aan [gedaagden] zou betalen voor de mest die op de grond van [gedaagden] is afgezet.

4.19.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

draagt [eisers] op te bewijzen dat zij in 2015 de hele dagelijkse verzorging van de runderen deed, die bestond uit het voeren van de dieren en het schoonmaken van de stal,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 oktober 2020 voor uitlating door [eisers] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat [eisers] , indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4.

bepaalt dat [eisers] , indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden november 2020 tot en met januari 2021 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. A. de Boer in het gerechtsgebouw te 's-Hertogenbosch aan de Leeghwaterlaan 8,

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

5.8.

draagt [gedaagden] op te bewijzen zij met [eisers] is overeengekomen dat [eisers] op basis van nacalculatie aan [gedaagden] zou betalen voor de mest die op de grond van [gedaagden] is afgezet,

5.9.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 oktober 2020 voor uitlating door [gedaagden] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.10.

bepaalt dat [gedaagden] , indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.11.

bepaalt dat [gedaagden] , indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden november 2020 tot en met januari 2021 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.12.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. A. de Boer in het gerechtsgebouw te 's-Hertogenbosch aan de Leeghwaterlaan 8,

5.13.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.14.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. de Boer en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2020.