Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4492

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
SHE 19/1879
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser woont in een gebied met veel intensieve veehouderijen. Hij verzet zich daarom tegen de uitbreiding van de pluimveehouderij van de derde-partij. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder de omgevingsvergunning heeft verleend binnen het geldende wettelijke kader. Er zijn op dit moment onvoldoende aanwijzingen dat dit wettelijk kader de gezondheid van eiser onvoldoende beschermt. Het is de rechtbank ook niet bekend dat het coronavirus van pluimvee op mensen kan worden overgedragen. De rechtbank vindt het dus nu nog te vroeg voor het oordeel dat er een verband bestaat tussen een verhoogde kwetsbaarheid voor het coronavirus en een hoge fijn stofconcentratie vanwege een individuele veehouderij. Overigens was het coronavirus nog niet in Nederland vastgesteld toen de omgevingsvergunning werd verleend, zodat verweerder hier ook geen verwijt valt te maken.

Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/511
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8357
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/1879

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: ir. R. van Alebeek),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze, verweerder

(gemachtigde: S. van Hoof).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [bedrijf] , te [plaatsnaam] , vergunninghoudster,
gemachtigde: mr. N. Crooijmans.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van de pluimveehouderij aan de [adres] .

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft vragen gesteld aan partijen. Partijen hebben daarop schriftelijk geantwoord. Partijen hebben desgevraagd niet aangegeven dat zij nog prijs stellen op de behandeling van de zaak op een zitting. Daarop heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. In deze uitspraak schetst de rechtbank eerst de feiten. Daarna worden de beroepsgronden behandeld. Het wettelijk kader waarnaar wordt verwezen, staat in de bijlage bij deze uitspraak. Eiser woont in een gebied met veel intensieve veehouderijen. Hij verzet zich daarom tegen de uitbreiding van de pluimveehouderij van de derde-partij. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder de omgevingsvergunning heeft verleend binnen het geldende wettelijke kader. Er zijn op dit moment onvoldoende aanwijzingen dat dit wettelijk kader de gezondheid van eiser onvoldoende beschermt. Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard.


Feiten

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

 De derde-partij heeft een pluimveehouderij aan de [adres] .

 Eiser woont aan de [adres] , in het buitengebied tussen Vorstenbosch en Loosbroek op een afstand van ongeveer 750 meter van de pluimveehouderij.

 Aan de derde-partij is in 2005 een revisievergunning op basis van de Wet milieubeheer verleend. Het bedrijf is daarna enkele malen gewijzigd. Het bedrijf valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer als inrichting type B en omvat
5 stallen waarin 39.985 stuks pluimvee worden gehouden. De derde-partij heeft op
31 augustus 2018 verzocht om een omgevingsvergunning voor de activiteiten milieu (artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, verder Wabo) en gebiedsbescherming (artikel 2.1 aanhef, eerste lid, onder i, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 2.2aa onder a van het Besluit omgevingsrecht). Er is een omgevingsvergunning aangevraagd voor drie mogelijke varianten van de werking van de inrichting, namelijk het houden van 43.595 ouderdieren, dan wel het houden van 42.030 mini-ouderdieren van vleeskuikens, of het houden van 42.030 (groot) ouderdieren van legkippen. In alle drie de situaties worden er meer dan 40.000 ouderdieren binnen de inrichting gehouden. De stallen zijn al gerealiseerd en de installaties hoeven niet te worden gewijzigd.

 Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant heeft een verklaring van geen bedenkingen gegeven voor het onderdeel gebiedsbescherming.

 Het ontwerpbesluit heeft ter inzage gelegen. Eiser heeft binnen de gestelde termijn zienswijzen ingediend tegen het onderdeel ‘milieu’.

Beoordeling van de zaak

3. De rechtbank heeft zich uit eigen beweging (ambtshalve) afgevraagd of eiser wel een rechtstreeks betrokken belang heeft bij het bestreden besluit. Weliswaar woont eiser op een afstand van ongeveer 750 m van de locatie, maar gelet op de aard en omvang en de ruimtelijke uitstraling van de pluimveehouderij, is in dit geval niet uitgesloten dat hij daarvan op deze afstand feitelijke gevolgen kan ondervinden. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:620.

4.1

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte een omgevingsvergunning heeft verleend omdat door de hoge concentratie dieren in het gebied waar hij woont de belasting als gevolg van de uitstoot van ammoniak en fijn stof het hoogst is van Nederland. De ammoniakuitstoot per oppervlak is in de gemeente Bernheze zelfs het hoogst van alle gemeenten in Nederland. Op grond daarvan is eiser van mening dat er geen ruimte is voor de bouw van nog meer stallen. Eiser ondervindt gezondheidsklachten waaronder kortademigheid. Dit komt volgens hem door de slechte luchtkwaliteit. Deze slechte luchtkwaliteit wordt veroorzaakt door de vele veehouderijen, waaronder de [adres] .

4.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet onderbouwt waarom het besluit onjuist is of waarom niet zou worden voldaan aan wet- en regelgeving.

4.3

De rechtbank stelt voorop dat dit besluit niet de bouw van een extra stal mogelijk maakt. Op basis van zijn reactie op vragen van de rechtbank gaat de rechtbank er vanuit, dat eiser zich verzet tegen iedere toename van de emissies van fijn stof en ammoniak die het bestreden besluit mogelijk maakt.

4.4

Bij een omgevingsvergunning voor het wijzigen van de werking van een inrichting moeten op basis van artikel 2.14, eerste lid, onder a, van de Wabo de milieugevolgen van die inrichting worden betrokken bij de beslissing op de aanvraag. De milieugevolgen van andere inrichtingen worden in beginsel niet betrokken bij de beslissing op de aanvraag. De milieugevolgen van alle inrichtingen in een gebied en de omgevingskwaliteit van een gebied komen aan de orde in het bestemmingsplan voor dit gebied, niet bij de omgevingsvergunning op basis van artikel 2.1 eerste lid onder e, van de Wabo. De derde-partij heeft ook geen invloed op de milieugevolgen van andere inrichtingen, dus die milieugevolgen kunnen niet worden tegengeworpen aan de derde-partij.

4.5

De emissie van fijnstof wordt beoordeeld op basis van hoofdstuk 5 en bijlage II paragraaf 4 van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2.14, eerste lid, onder c, van de Wabo. Dit wettelijk kader biedt geen grondslag voor de toetsing van de milieugevolgen van een groep bedrijven bij elkaar. Alleen de emissie van fijnstof van de inrichting, waarvoor de aanvraag is ingediend, wordt beoordeeld. Hetzelfde geldt voor de ammoniakemissies van de pluimveehouderij. Die worden beoordeeld aan de hand van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) en de Beleidslijn IPPC-omgevingstoets ammoniak en veehouderij. Ook deze wet biedt geen grondslag voor de toetsing van de bij elkaar opgetelde ammoniakemissies van meer bedrijven. De wet geeft verweerder niet de mogelijkheid om de aangevraagde omgevingsvergunning te weigeren vanwege de hoge fijn stofconcentraties of ammoniakemissies in het gebied. Verweerder zal wel moeten beoordelen of de fijn stofemissie en de ammoniakemissies van de pluimveehouderij zelf voldoen aan het wettelijke kader. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.1

Eiser voert verder aan dat hij vermoedt dat de luchtkwaliteit niet aan de normen voldoet omdat concentraties fijn stof boven de wettelijke normen uitkomen. Hij heeft met een apparaat nu ongeveer 3 maanden metingen uitgevoerd. Hij meet een gemiddelde concentratie van ultra fijn stof (PM 2.5) van 34 ug/ m3 terwijl volgens de normen het jaargemiddelde niet boven 25 ug/m3 mag uitkomen. De gemiddelde gemeten concentratie fijn stof (PM 10) is 48 ug/m3 terwijl volgens de normen het jaargemiddelde niet boven 40 ug/m3 mag uitkomen.

5.2

Verweerder weet niet met welke apparatuur fijnstof is gemeten en hoe betrouwbaar de resultaten zijn. Verweerder erkent dat in de leefomgeving sprake is van een hoge fijn stofconcentratie. Eiser heeft echter geen jaargemiddelde gemeten. Bovendien mag het daggemiddelde fijn stof maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De fijn stofimmissie vanwege de pluimveehouderij blijft onder de grenswaarden in paragraaf 4, bijlage II van de Wet milieubeheer.

5.3

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de metingen van eiser niet worden afgeleid dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met het wettelijk kader voor fijn stof. Eiser heeft geen jaargemiddelde gemeten. Bovendien meet eiser bij hem thuis niet alleen de fijn stof immissie van deze pluimveehouderij maar ook van alle andere veehouderijen in de buurt. Uit de metingen kan niet worden afgeleid dat de berekeningen van de fijn stofemissie onjuist zijn. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de derde-partij verplicht is om het bedrijf in werking te hebben volgens een van de drie vergunde opties met specifiek aangegeven dieraantallen en huisvestingssystemen. Als de derde-partij dit niet doet, handelt hij in strijd met artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wabo. Dat is ook het geval als een huisvestingssysteem niet werkt.

6.1

Eiser voert aan dat de emissies van de stallen slechts rekenkundig zijn vastgesteld en niet door middel van metingen. Uit een onderzoek blijkt echter dat de meeste luchtwassystemen niet voldoen aan de gestelde eisen. Hierdoor verwacht eiser dat de rekenkundig vastgestelde emissies van de stallen afwijken van de werkelijke emissies.

6.2

Verweerder wijst er op dat in dit geval geen van de luchtwassers wordt toegepast waarop de door eiser bedoelde wijziging van de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) betrekking heeft.

6.3

De rechtbank neemt aan dat eiser doelt op de wijziging van de Rgv naar aanleiding van het onderzoek “Evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen bij stallen” van Wageningen University & Research (WUR). De rechtbank stelt voorop dat dit onderzoek betrekking heeft op geurhinder. Het onderzoek heeft de verantwoordelijke minister geen aanleiding gegeven de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) aan te passen. Bovendien is niet in geschil dat de wijziging van de Rgv geen betrekking heeft op de huisvestingsystemen die zijn vergund in het bestreden besluit. De enkele omstandigheid dat uit het onderzoek van WUR naar voren is gekomen dat enkele luchtwassers niet het geurverwijderingsrendement behalen dat voorheen werd aangenomen, is geen reden om de volledige Rgv of de Rav onverbindend te verklaren.

7.1

Eiser verwijst naar een recent artikel waarin een verband wordt gelegd tussen het hoge aantal Q-koortsslachtoffers, de coronavirusslachtoffers en de fijn stofuitstoot in de regio waar zijn vader woont. Zowel bij de Q-koorts toen als bij het coronavirus nu, geldt de gemeente Bernheze als een van de epicentra in Nederland. Dit geef al aan dat er wel degelijk een fijn stofprobleem is in deze regio.

7.2

Verweerder moet de volksgezondheidsrisico’s van een bedrijf bij de beoordeling van de gevolgen voor het milieu betrekken (zie de uitspraak van deze rechtbank van 16 maart 2018 (ECLI:NL:RBOBR:2018:1195). De rechtbank stelt voorop dat voor diverse milieugevolgen die invloed kunnen hebben op de volksgezondheid wettelijke en beleidsmatige toetsingskaders zijn opgesteld. Dit gebeurt doorgaans op basis van geldende wetenschappelijke inzichten. Er is nog geen wettelijk of beleidsmatig toetsingskader voor de volksgezondheidsrisico’s vanwege het mogelijke verband tussen (de emissies van) een veehouderij en een verhoogd risico op besmetting door ziektes die van dier op mens overdraagbaar zijn, zoals Q-koorts of (vermoedelijk) het coronavirus. Dat wil nog niet zeggen dat de vergunning dus maar moet worden geweigerd vanwege een mogelijk volksgezondheidsrisico. Voordat verweerder een dergelijk besluit neemt, is het volgens de rechtbank nodig dat er wetenschappelijk gefundeerde aanwijzingen moeten zijn dat een activiteit een risico voor de volksgezondheid zou kunnen hebben. Als zo’n aanwijzing er is, dan moet het bevoegd gezag, mede gelet op het voorzorgsbeginsel, eerst zelf onderzoeken of dit aanleiding is om de vergunning te weigeren, of om de gezondheidsrisico’s te beperken door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Hierbij zijn de omstandigheden van het geval van belang, zoals de werking van de betrokken inrichting, de soort van de gehouden dieren en de aard van de omgeving.

7.3

Eiser heeft zelf geen aanwijzingen genoemd, behoudens de algemene verwijzingen in krantenartikelen over het hoge aantal Q-koorts slachtoffers en coronavirus-slachtoffers in de regio met veel veehouderijen. Voor zover de rechtbank bekend is er geen aanwijzing dat de bacterie die Q-koorts veroorzaakt van pluimvee op mensen kan worden overgedragen. Het is de rechtbank ook niet bekend dat het coronavirus van pluimvee op mensen kan worden overgedragen. De rechtbank vindt het dus nu nog te vroeg voor het oordeel dat er een verband bestaat tussen een verhoogde kwetsbaarheid voor het coronavirus en een hoge fijn stofconcentratie vanwege een individuele veehouderij. Overigens was het coronavirus nog niet in Nederland vastgesteld toen de omgevingsvergunning werd verleend, zodat verweerder hier ook geen verwijt valt te maken.

8.1

Eiser heeft in de afgelopen 30 jaar een forse afname waargenomen in de biodiversiteit in zijn directe leefomgeving, zoals een afname van het aantal insecten en een toename van planten zoals bramen en brandnetels. Hij wijt dit aan de hoge ammoniakconcentraties en hoge stikstofemissies.

8.2

De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Het perceel van eiser is zo ver weg gelegen van de pluimveehouderij dat de directe ammoniakuitstoot van het bedrijf zelf geen invloed kan hebben op de planten en bomen op zijn perceel. De gevolgen van de directe ammoniakuitstoot zijn onderzocht in het rapport Stallucht en Planten van 1 juli 1981. Hierin worden afstanden genoemd van 50 meter. Het perceel van eiser ligt hier ver vandaan. De gevolgen van stikstofemissies worden beoordeeld in het kader van de activiteit gebiedsbescherming. Eiser heeft hierover geen zienswijzen aangevoerd tegen het ontwerpbesluit. Bovendien ligt zijn woning niet zeer dichtbij een Natura 2000-gebied. De normen in de Wet natuurbescherming zijn er om dat soort gebieden te beschermen, maar niet het perceel van eiser. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen.

9. De beroepsgronden van eiser slagen daarom niet. Het bestreden besluit kan in stand blijven. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. J.H.G. van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 18 september 2020.

griffier voorzitter

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Artikel 2.14 Wabo

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:

a. betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:

1°. de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting of het mijnbouwwerk daarvoor gevolgen kan veroorzaken;

2°. de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan;

3°. de met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk en het gebied waar de inrichting of het mijnbouwwerk zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu;

4°. de voor het einde van de in artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn of de krachtens artikel 3.12, zesde lid, aangegeven termijn ingebrachte adviezen en zienswijzen;

5°. de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen;

6°. het systeem van met elkaar samenhangende technische, administratieve en organisatorische maatregelen om de gevolgen die de inrichting of het mijnbouwwerk voor het milieu veroorzaakt, te monitoren, te beheersen en, voor zover het nadelige gevolgen betreft, te verminderen, dat degene die de inrichting of het mijnbouwwerk drijft, met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk toepast, alsmede het milieubeleid dat hij met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk voert;

b. houdt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval rekening met:

1°. het voor hem geldende milieubeleidsplan;

2°. het bepaalde in de artikelen 10.14 en 10.29a van de Wet milieubeheer;

3°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 of 5.17 van de Wet milieubeheer;

c. neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht:

1°. dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast;

2°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer, is vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 van die wet, dan wel voor zover het inrichtingen betreft voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder;

3°. in afwijking van onderdeel 2°, neemt het bevoegd gezag, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, bij de beslissing op de aanvraag om een vergunning voor een inrichting, gelegen op een industrieterrein waarvoor een geluidreductieplan als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder is vastgesteld, het geldende geluidreductieplan in acht;

4°. de onderdelen van het advies, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, ten aanzien waarvan in het advies is aangegeven dat daaraan moet worden voldaan, voor zover daardoor geen strijd ontstaat met het bepaalde in de andere onderdelen van dit lid of het tweede lid, of het bepaalde bij of krachtens artikel 2.22;

d. en betrekt het bevoegd gezag bij die beslissing de bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer ter uitvoering van een EU-richtlijn of EU-verordening gestelde milieukwaliteitseisen op de bij die maatregel aangegeven wijze, voor zover de verplichting daartoe krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in die maatregel.

2 Voor zover de aanvraag om een activiteit als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een inrichting waarin stoffen behorende tot een in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie aanwezig kunnen zijn en die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat de beslissing op de aanvraag niet tot gevolg heeft dat minder dan voldoende afstand aanwezig is tussen die inrichting en een beschermd natuurmonument of gebied dat als zodanig is aangewezen krachtens artikel 10 van de Natuurbeschermingswet 1998 of een gebied dat als zodanig is aangewezen krachtens artikel 10a van die wet of dat voorlopig als zodanig is aangewezen krachtens artikel 12 van die wet. Bij de beoordeling van de afstand betrekt het bevoegd gezag de maatregelen die zijn of worden getroffen om een voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer waarbij stoffen als bedoeld in de eerste volzin zijn betrokken en waardoor ernstig gevaar voor het milieu ontstaat, in de inrichting te voorkomen of de gevolgen daarvan te beperken.

3 Voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste lid, kan de omgevingsvergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

(…)

Artikel 5.1, eerste lid Wet milieubeheer

In het belang van de bescherming van het milieu kunnen, voor zover dit van meer dan provinciaal belang is, bij algemene maatregel van bestuur eisen worden gesteld ten aanzien van de kwaliteit van onderdelen van het milieu vanaf een daarbij te bepalen tijdstip.

Paragraaf 4 bijlage II wet milieubeheer. Grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10); plandrempel, richtwaarden, grenswaarde en blootstellingsconcentratieverplichting voor zwevende deeltjes (PM2,5)

Voorschrift 4.1

Voor zwevende deeltjes (PM10) gelden de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

Voorschrift 4.2

In afwijking van voorschrift 4.1 gelden voor een of meer bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zones of agglomeraties of een gedeelte daarvan, waarvoor vrijstelling krachtens artikel 22, tweede lid, juncto vierde lid, van de EG-richtlijn luchtkwaliteit van toepassing is, tot een bij die maatregel genoemd tijdstip, doch uiterlijk tot 11 juni 2011, voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 48 microgram per m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie, en

b. 75 microgram per m3, gedefinieerd als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

Voorschrift 4.3

Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt de volgende richtwaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens, die met ingang van 1 januari 2010 voor zover mogelijk moet worden bereikt:

25 microgram per m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie.

Voorschrift 4.4

1. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 de volgende grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens: 25 microgram per m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie.

2. Tot 1 januari 2015 blijft het eerste lid buiten toepassing bij de uitoefening van een bevoegdheid of toepassing van een wettelijk voorschrift met toepassing van artikel 5.16, eerste lid, ongeacht of de desbetreffende uitoefening of toepassing ook na de genoemde datum gevolgen voor de luchtkwaliteit heeft of kan hebben.