Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4487

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
8581999 EJ VERZ 20-258
Rechtsgebieden
Civiel recht
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vernietiging ontslag op staande voet. Geen dringende reden. Overige verzoeken van werknemer ook toegewezen (inclusief wettelijke verhoging en wettelijke rente). Veroordeling in de werkelijke proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer: 8581999 EJ VERZ 20-258

Beschikking van 7 september 2020

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. M. Stegeman,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Jumbo Supermarkten B.V.,

gevestigd te Veghel,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. W. van der Boon.

Partijen worden hierna [verzoeker] en Jumbo genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

In het dossier zitten de volgende processtukken:

  1. het verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 10, ter griffie ontvangen op 15 juni 2020;

  2. het verweerschrift van 31 juli 2020 met bijlagen 1 tot en met 12;

  3. de akte vermeerdering van eis van 6 augustus 2020 met bijlagen 11 tot en met 13;

  4. e brief van Jumbo van 6 augustus 2020 met bijlagen 13 en 14;

  5. de pleitnota van mr. Stegeman (inclusief wijziging van eis).

1.2

Op 10 augustus 2020 heeft een mondelinge behandeling (zitting) plaatsgevonden. In verband met de coronamaatregelen heeft de zitting via een skypeverbinding plaatsgevonden. Aan deze zitting hebben partijen met hun gemachtigden deelgenomen. Partijen hebben tijdens de zitting nadere informatie verstrekt en hun standpunten toegelicht. Daarnaast hebben zij vragen van de kantonrechter beantwoord. Ook heeft mr. Stegeman een pleitnota voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is besproken.

1.3

De beschikking is uiteindelijk bepaald op vandaag.

2 De feiten

Om een duidelijk beeld te krijgen van de zaak, zijn de volgende feiten van belang.

2.1

Jumbo is één van de grotere supermarktketens in Nederland. Jumbo heeft ook een online food-kanaal, namelijk Smulweb. Via dit kanaal deelt Jumbo onder andere recepten.

2.2

[verzoeker] (geboren op [geboortedatum] ) is op 1 juni 2015 in dienst getreden bij Jumbo. Hij verrichtte laatstelijk werkzaamheden voor Smulweb in de functie van manager Smulweb & Smult. Hij was werkzaam op basis van een fulltime dienstverband (40 uur per week). Het laatstverdiende loon bedroeg € 8.650,42 bruto per vier weken, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en een eventuele bonus (variabel qua hoogte). De afgelopen drie jaar heeft [verzoeker] jaarlijks een bonus ontvangen, te weten: € 10.034,86 (2017), € 14.939,54 (2018) en € 19.162,41 (2019).

2.3

Op 20 januari 2020 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van het dienstverband van [verzoeker] gesloten. Deze overeenkomst is door beide partijen ondertekend en is gesloten op basis van bedrijfseconomische omstandigheden. Het onderdeel waar [verzoeker] werkte (Smulweb), werd geïntegreerd in het hoofdkantoor van Jumbo. De functie van [verzoeker] is per 1 juni 2020 komen te vervallen. Hij is tijdelijk vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden. In de vaststellingsovereenkomst staat verder en voor zover van belang het volgende vermeld:

“(…) VERKLAREN HET VOLGENDE TE ZIJN OVEREENGEKOMEN:

  1. De tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst eindigt met wederzijds goedvinden per 01 juni 2020, hierna te noemen de ‘einddatum’, waarbij 31 mei 2020 de laatste dag van het dienstverband is. (…)

  2. Tussen Partijen zijn de bepalingen uit de Sociale Begeleidingsregeling 2019-2021 (hierna te noemen: “SBR”) van toepassing behoudens voor zover in deze overeenkomst anders is aangegeven en/of zoals uit de SBR volgt.

  3. Werknemer ontvangt een eenmalige beëindigingsvergoeding van € 18.327,42 bruto overeenkomstig artikel 19 lid 2 en 3 SBR.

  4. Indien werknemer binnen tien werkdagen na ontvangst van de aangeboden beëindigingsovereenkomst deze ondertekend bij werkgever heeft ingeleverd, ontvangt werknemer conform artikel 19 lid 4 en 5 SBR een ‘tekenbonus’ ter hoogte van € 9.163,71 bruto.

  5. Indien en voor zover werknemer aanspraak kan maken op een transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW [Burgerlijk Wetboek, hierna: BW, kantonrechter], wordt deze geacht bij de hiervoor genoemde vergoeding(en) te zijn inbegrepen. (…)

9. Werknemer is vanaf 1 maart 2020 of zoveel eerder als mogelijk te beoordelen door de werkgever, tot de einddatum vrijgesteld van de verplichting werkzaamheden voor werkgever te verrichten. Werknemer zal in deze periode geen werkzaamheden elders verrichten. (…)

10. Tot de einddatum ontvangt werknemer het gebruikelijke salaris, te vermeerderen met de eventueel van toepassing zijnde vaste inkomensbestanddelen waaronder functie-, nominale, administratieve toeslag en/of ploegentoeslag en 8% vakantiebijslag. (…).

16. Werkgever zal conform artikel 15 lid 3 en 4 SBR een budget ter beschikking stellen van maximaal € 6.500 netto (te vermeerderen met btw) als tegemoetkoming in de kosten voor coaching/outplacement/opleiding danwel de kosten verband houdende met de start van een eigen bedrijf, zulks in de meest ruime zin van het woord. De betaling wordt verricht op basis van een factuur die voor de datum uitdiensttreding is ingediend. (…)

18. Werkgever zal aan Werknemer een positief geformuleerd getuigschrift verstrekken. Hierin worden concreet benoemd: de toegevoegde waarde van Werknemer (incl. voorbeelden), de inzet en mate van enthousiasme. (…)

24. Behoudens het bepaalde in artikel 7:670b BW is ontbinding van deze vaststellingsovereenkomst uitgesloten, tenzij de werknemer feiten en omstandigheden heeft verzwegen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat zij van invloed konden zijn op de invulling van deze overeenkomst, daaronder in het bijzonder begrepen de hoogte van een eventuele verstrekte vergoeding. (…)”

2.4

[verzoeker] heeft na het tekenen van de vaststellingsovereenkomst kosten gemaakt ten behoeve van het opstarten van een (eigen) vennootschap. Deze kosten zijn door Jumbo vergoed. Daarnaast heeft [verzoeker] coachingstrajecten gevolgd en heeft hij zich juridisch laten adviseren over de voorwaarden die golden bij een mogelijke participatie in een nog op te richten onderneming. Ook de hieraan verbonden kosten heeft Jumbo betaald.

2.5

Op 4 mei 2020 heeft [HR manager Jumbo] (HR Manager bij Jumbo, hierna: [HR manager Jumbo] ) [verzoeker] telefonisch en per e-mail uitgenodigd voor een gesprek op 6 mei 2020 om 13:00 uur op het kantoor van Smulweb in Amersfoort. In de daartoe verzonden e-mail staat ook vermeld dat er bij het gesprek twee onderzoekers aanwezig zullen zijn.

2.6

In reactie op voornoemde uitnodiging/e-mail heeft [verzoeker] diezelfde dag via een e-mail als volgt geantwoord:

“(…) Zoals telefonisch aangegeven wil ik graag op voorhand meer informatie over de toedracht en achtergrond van dit gesprek ontvangen.

Uiteraard werk ik mee en zal ik aanwezig zijn bij dit gesprek, ook al ben ik vrijgesteld van werk en had ik niet de verwachting nog iets voor Jumbo te moeten doen, al zeker niet zoiets.

Bij het voeren van een gesprek en het goed toepassen van hoor en wederhoor is een goede voorbereiding op zijn plaats en daarom zie ik graag het onderzoek voor dit overleg tegemoet.

Zolang ik dit niet heb ontvangen en me niet gedegen heb kunnen voorbereiden kan ik wellicht geen sluitende antwoorden geven en zal ik wellicht vragen mee terug moeten nemen of onbeantwoord moeten laten. (…)”

2.7

Vervolgens heeft [HR manager Jumbo] later die dag, dus ook op 4 mei 2020, een e-mail aan [verzoeker] gestuurd. Daarin staat, voor zover van belang, het volgende:

“(…) Zoals reeds telefonisch toegelicht is de aanleiding voor dit gesprek een onderzoek dat heeft plaatsgevonden naar het verrichten van nevenwerkzaamheden gedurende het dienstverband, meer specifiek ten behoeve van Foodned. Het onderzoeksrapport zal niet vooraf met je worden gedeeld. Wij gaan ervan uit dat jij de antwoorden op de gestelde vragen zou moeten kunnen beantwoorden. (…)”

2.8

Op 6 mei 2020 heeft [verzoeker] deelgenomen aan het gesprek. Daarbij waren onder andere twee personen van het door Jumbo ingeschakelde onderzoeksbureau (International Security Partners, hierna: ook wel aangeduid als ISP) aanwezig.

2.9

Op 7 mei 2020 heeft ISP schriftelijke vragen gestuurd aan [verzoeker] .

2.10

Op 10 mei 2020 heeft [verzoeker] een e-mail gezonden aan ISP, te weten:

“(…) Zoals ik ook al in het gesprek van woensdag 6 mei jl. heb benadrukt wens ik dit gesprek pas voort te zetten, of uw vragen te beantwoorden, nadat u mij onder meer een volledig inzicht hebt gegeven in dit onderzoek, de zogenaamde bewijslasten en duidelijk maakt welke bepaling(en) uit welke overeenkomst(en) ik volgens Jumbo zou hebben geschonden. Ik heb u tijdens ons gesprek ook al gevraagd om daar duidelijkheid over te verstrekken. Ondanks dat u in het gesprek de indruk wekte mij die duidelijk te zullen gaan verstrekken, verstrekt u mij die duidelijkheid nog steeds (bewust) niet en helaas motiveert u ook niet waarom u dat niet doet.

De wijze waarop het onderzoek nu is opgezet geeft mij vooral de indruk dat geen informatie wordt verstrekt en dat u bezig bent met een zogenaamde fishing expedition. Los van het feit dat er geen verplichting tot medewerking voor mij bestaat, kan ook in redelijkheid niet van mij worden verwacht dat ik aan een dergelijk onderzoek medewerking verleen.

Het voorgaande laat overigens onverlet dat ik, zoals ik u ook heb verteld, van mening ben geen bepaling te hebben overtreden en bereid ben om aan redelijke verzoeken te voldoen. Daar voldoet uw handelswijze op dit moment echter niet aan. (…)

Indien en voor zover u nog een rechtvaardiging zou hebben voor uw ongegronde en onrechtmatige handelswijze, verneem ik deze graag schriftelijk en uiterlijk dinsdag 12 mei a.s. vóór 12.00 uur. (…)”

2.11

Naar aanleiding daarvan heeft de heer [naam 1] (Manager afdeling Fraude & Integriteit, werkzaam bij ISP) op 11 mei 2020 als volgt gereageerd:

“(…) Bij het uitvoeren van onderzoeken staat waarheidsvinding voorop. Indien een persoon voorafgaand aan het beantwoorden van vragen inzage heeft in de onderzoeksbevindingen, zouden de antwoorden op de bevindingen afgestemd kunnen worden. Derhalve verstrekken wij geen onderzoeksbevindingen aan personen die wij in het kader van het onderzoek vragen willen stellen. Op uw vraag of u inzage kunt krijgen in de bevindingen kunnen wij dan ook kort zijn. U krijgt in dit stadium van het onderzoek geen inzage in de onderzoeksbevindingen.

De reden van het onderzoek is eerder door zowel Jumbo als ISP met u gedeeld, u kunt dit teruglezen in de vragenlijst die u vorige week heeft ontvangen. De vragen die wij u in het kader van het onderzoek stellen betreffen vragen over uw eigen handelen. Dit is een alle sinds redelijk verzoek. U bent niet verplicht om de gestelde vragen te beantwoorden. Echter indien u de vragen niet beantwoord, ontneemt u uzelf de mogelijkheid om uw kant van het verhaal te vertellen tijdens het onderzoek. (…)”

2.12

Op 15 mei 2020 heeft [verzoeker] de hiervoor genoemde schriftelijke vragen van ISP beantwoord.

2.13

Bij brief van 25 mei 2020 is [verzoeker] door Jumbo op staande voet ontslagen. De inhoud van die brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…) Arbeidsovereenkomst en afspraken inzake beëindiging

(…) Gedurende de periode van vrijstelling van werkzaamheden [1 maart tot 1 juni 2020, kantonrechter] zou je geen werkzaamheden elders verrichten aldus artikel 9 van de vaststellingsovereenkomst. In de vaststellingsovereenkomst is in artikel 24 opgenomen dat je ten tijde van het sluiten van de overeenkomst geen feiten en omstandigheden hebt verzwegen, waarvan je redelijkerwijs duidelijk zou moeten zijn dat zij van invloed konden zijn op de invulling van de vaststellingsovereenkomst.

Onderzoek

Wij hebben in verband met een vermoeden omtrent het verrichten van nevenactiviteiten tijdens dienstverband, door een collega van jou, een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek is uitgevoerd door International Security Partners (ISP), een extern, onafhankelijk onderzoeksbureau dat gespecialiseerd is in fraude en integriteitsonderzoeken. In dit onderzoek zijn documenten, e-mails en afspraken naar voren gekomen op grond waarvan ook jouw gekoppeld kan worden aan Foodned, een met Jumbo/Smulweb concurrerende organisatie. Het onderzoek heeft zich daarom vervolgens ook op jouw handelen rondom Foodned toegespitst.

Gesprek omtrent hoor en wederhoor

(…) In het gesprek van 6 mei jl. heb je aangegeven dat Foodned medio april 2019 bij Jumbo/Smulweb heeft aangeklopt om te praten over een mogelijke samenwerking. Je hebt verklaard dat je naar aanleiding daarvan hebt gewerkt aan presentaties van Foodned om deze (door Foodned) beoogde samenwerking tussen Jumbo/Smulweb en Foodned vorm te geven. (…)

Je gaf (enkel) aan dat Foodned interesse had getoond in jou en [naam 2] ten aanzien van een mogelijk dienstverband. Het gesprek omtrent hoor en wederhoor heb je voortijdig beëindigd. Hierom is besloten de rest van de vragen schriftelijk aan jou te stellen. (…)

Conclusies

Werkgever is inmiddels in het bezit gesteld van de eindrapportage van ISP [opgesteld d.d. 20 mei 2020, kantonrechter]. Werkgever kan naar aanleiding van de conclusies in de eindrapportage niet anders concluderen dan dat je in de aanloop naar de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst niet eerlijk bent geweest. Als jij wel transparant was geweest over Foodned en de intentie tot samenwerking, had Jumbo de vaststellingsovereenkomst nooit gesloten, of in ieder geval nooit onder dezelfde condities. Jumbo is dan ook door jou misleid.

De mondeling door jou afgelegde verklaring is leugenachtig en strookt niet met de schriftelijk door jou verstrekte antwoorden. Ook strookt de schriftelijk verstrekte verklaring niet met de in het onderzoek gevonden documenten en de conclusies die daaraan verbonden kunnen worden.

Het onderzoek toont namelijk aan dat jij in een concept aandeelhoudersovereenkomst van 5 februari 2020 wordt genoemd als aandeelhouder van Foodned Holding B.V. Deze overeenkomst is opgesteld twee dagen vóór de oprichting van Foodned Holding B.V. Daaruit volgt dat de intentie dat je aandeelhouder zou gaan worden reeds bestond voorafgaande oprichting van Foodned Holding B.V. Je zou voor een bedrag ter grootte van € 30.000,- aan aandelen in Foodned ontvangen (15% van het totale aandelenkapitaal).

Ten eerste is het uiteraard volstrekt ongebruikelijk om een concept aandeelhoudersovereenkomst te sturen indien partijen nog in de verkennende fase zouden zitten ten aanzien van een mogelijk toekomstige samenwerking. Verder is het niet aannemelijk dat de concept aandeelhoudersovereenkomst in dit geval slechts een aanbod tot samenwerking zou betreffen. Dit volgt onder meer uit het feit dat er in de concept overeenkomst door een advocaat diverse opmerkingen in de kantlijn zijn geplaatst inzake de in de overeenkomst opgenomen bedingen. (…).

Bovendien volgt uit het onderzoek dat in het pdf document “FOODNED investor deck short [nummer] ”, gedateerd op 1 november 2019 een pagina is opgenomen waarin het Foodned team staat weergegeven. Hierin wordt je gepresenteerd als CEO van Foodned.

Uit onderzochte e-mailcorrespondentie volgt dat je onder werktijd e-mails hebt verzonden dan wel ontvangen waarin gesproken wordt over Foodned. De presentatie Roadmap to Succes heb je zelfs al in oktober 2019 verzonden aan [naam 2] met het verzoek of ook hij naar deze presentatie kon kijken.

Er heeft communicatie plaatsgevonden en er zijn documenten geraadpleegd, bewerkt, geopend dan wel opgeslagen op werkdagen. Ook zijn er agenda afspraken en/of is er communicatie aangetroffen over afspraken inzake Foodned welke afspraken niet gelinkt kunnen worden aan je werkzaamheden ten behoeve van werkgever.

Dringende reden

Het is dan ook duidelijk geworden dat je vanaf je account van werkgever nevenactiviteiten heb uitgevoerd tijdens dienstverband welke nevenactiviteiten bovendien concurrerend waren met je werkzaamheden ten behoeve van werkgever. (…)

Gelet op alle omstandigheden kan niet langer van Jumbo worden gevergd worden het dienstverband met jou te laten voortduren. Jouw persoonlijke omstandigheden en de verklaring, zowel mondeling als schriftelijk door jou afgelegd, maken dat niet anders. (…)”

2.14

[verzoeker] heeft voor het eerst van het door ISP opgestelde onderzoekrapport kennis kunnen nemen op 31 juli 2020 (indiening verweerschrift Jumbo).

2.15

Bij brief van 6 augustus 2020 heeft Jumbo toegezegd dat zij uiterlijk op 12 augustus 2020 een aantal vergoedingen, dat wil zeggen vergoedingen waarvan zij al in het verweerschrift heeft erkend dat zij deze aan [verzoeker] is verschuldigd (waaronder achterstallig loon), aan [verzoeker] zal betalen. Ten tijde van de zitting op 10 augustus 2020 had [verzoeker] nog niets ontvangen.

3 Het verzoek van [verzoeker]

3.1

verzoekt de kantonrechter, na twee wijzigingen van het verzoek en samengevat weergegeven, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair (voor zover het ontslag op staande voet onterecht is gegeven):

  1. het ontslag op staande voet te vernietigen;

  2. Jumbo te veroordelen tot betaling van:

loon, vakantietoeslag en pensioenverplichtingen:

  1. € 2.243,70 bruto aan loon van 25 mei 2020 tot 1 juni 2020;

  2. € 179,50 bruto aan vakantietoeslag tot 1 juni 2020;

  3. en nakoming van de pensioenverplichtingen tot 1 juni 2020;

vergoedingen vaststellingsovereenkomst:

€ 19.544,25 bruto aan beëindigingsvergoeding (transitievergoeding);

€ 9.772,12 bruto aan tekenbonus;

€ 3.778,96 netto aan niet opgenomen vakantie dagen;

€ 726,00 netto aan vergoeding juridische kosten;

€ 5.241,00 netto aan declaraties;

overige declaraties:

i. € 35,35 netto aan voorgeschoten bedragen;

3. Jumbo te veroordelen om aan [verzoeker] te verstrekken:

  1. een deugdelijke loonstrook van de betalingen zoals toegewezen in deze procedure, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een door de kantonrechter te bepalen maximum;

  2. het positieve getuigschrift, conform artikel 18 van de vaststellingsovereenkomst, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een door de kantonrechter te bepalen maximum;

4. Jumbo te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% over het loon, het vakantiegeld en uitbetaling van de niet genoten vakantiedagen;

5. Jumbo te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over alle hiervoor genoemde bedragen, vanaf 1 juni 2020 tot aan dag van volledige betaling;

6. Jumbo primair te veroordelen tot betaling van de werkelijke advocaatkosten en subsidiair Jumbo te veroordelen in de kosten van deze procedure conform de geldende tarieven, tevens in de nakosten van deze procedure;

subsidiair (voor zover het ontslag op staande voet terecht is gegeven):

  1. Jumbo te veroordelen tot betaling van de hiervoor bij het primaire verzoek genoemde bedragen onder 2.d. (transitievergoeding), 2.e. (tekenbonus), 2.f. (niet opgenomen vakantiedagen), 2.g. (vergoeding juridische kosten), 2.h. (declaraties) en 2.i. (voorgeschoten bedragen);

  2. Jumbo te veroordelen om aan [verzoeker] te verstrekken een deugdelijke loonstrook en positief getuigschrift, één en ander zoals hiervoor bij het primaire verzoek onder 3.a. en 3.b. is weergegeven;

  3. Jumbo te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% over de niet genoten vakantiedagen;

  4. Jumbo te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over alle hiervoor genoemde bedragen, vanaf 1 juni 2020 tot aan dag van volledige betaling;

  5. Jumbo te veroordelen in de kosten van deze procedure en in de nakosten.

3.2

Aan dit verzoek legt [verzoeker] ten grondslag dat het ontslag op staande voet onterecht is gegeven, omdat er geen sprake is van een dringende reden. Ook is het aan hem verleende ontslag niet onverwijld gegeven. Het ontslag op staande voet is dus niet rechtsgeldig. Hij licht dit als volgt toe.

3.3

[verzoeker] betwist de juistheid van de door Jumbo aan hem gemaakte verwijten. In de kern zien deze verwijten op de (beweerdelijke) betrokkenheid van [verzoeker] bij Foodned voorafgaande, tijdens en na het tekenen van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst op 20 januari 2020. Ten eerste heeft [verzoeker] niet gelogen bij het opstellen van de vaststellingsovereenkomst. Ten tweede heeft hij niet in strijd gehandeld met deze overeenkomst. Meer specifiek: hij participeert niet in Foodned, op hem rustte geen vergaande mededelingsplicht en voor zover dat wel het geval was, heeft hij die mededelingsplicht niet geschonden. Bovendien wist Jumbo dat [verzoeker] voor zichzelf wilde gaan beginnen. In dit verband ontving hij van Jumbo zelfs een vergoeding voor het opstarten van een eigen bedrijf, in de ruimste zin van het woord. Er was en is geen concurrentie- en/of relatiebeding van toepassing. Ten derde is het onjuist dat de door hem gegeven verklaringen niet consistent zouden zijn. Ten vierde betwist [verzoeker] dat hij (verboden) nevenwerkzaamheden bij Foodned heeft uitgevoerd.

3.4

Los van het feit dat de dringende reden ontbreekt, is niet voldaan aan de vereiste onverwijldheid van het ontslag. De periode tussen het beantwoorden van schriftelijke vragen (15 mei 2020) en het ontslag op staande voet (25 mei 2020) is niet meer onverwijld te noemen.

3.5

Verder heeft [verzoeker] aangevoerd dat hij op verzoek van Jumbo (op grond van bedrijfseconomische redenen) de vaststellingsovereenkomst heeft getekend, dat hij jarenlang zeer goed heeft gefunctioneerd (hij kreeg jaarlijks hoge bonussen en hij had een uitmuntende “Jumbo DNA-score”) en dat de financiële en emotionele consequenties van het onterecht gegeven ontslag op staande voet buiten proportioneel groot zijn (hij krijgt geen WW-uitkering en Jumbo houdt ten onrechte bedragen in). Daarnaast weigert Jumbo een positief getuigschrift te verstrekken en één en ander binnen haar organisatie te rectificeren, waardoor het voor [verzoeker] moeilijk is om nieuwe baan te vinden.

3.6

Daarbij komt dat de wijze waarop Jumbo het onderzoek heeft uitgevoerd, althans heeft laten uitvoeren door ISP, stuitend is. Er is een ongelijkwaardige situatie gecreëerd en Jumbo heeft [verzoeker] in die onveilige situatie onnodig laten ‘bungelen’. Van goed werkgeverschap is geen sprake. Bovendien heeft [verzoeker] het onderzoeksrapport nooit gezien, zodat hij zich daartegen niet heeft kunnen verweren. Hij verzoekt dan ook het rapport, voor zover Jumbo dit in de procedure wenst te brengen, buiten beschouwing te laten. Ook verzoekt hij - mede gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken - om Jumbo te veroordelen in zijn werkelijke proceskosten. Deze procedure was noodzakelijk om betaling te krijgen. Sterker nog, deze procedure was nodig om überhaupt reactie te krijgen van Jumbo. Dit alles brengt mee dat voldaan is aan het vereiste onrechtmatig handelen en dat Jumbo daarom veroordeeld moet worden in de betaling van de werkelijke proceskosten.

3.7

Gelet op het bovenstaande is de conclusie dat het gegeven ontslag op staande voet niet voldoet aan de wettelijke vereisten (artikel 7:677 lid 1 BW), zodat de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] door Jumbo is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Daarom verzoekt [verzoeker] primair om vernietiging van het ontslag op staande voet (artikel 7:681 lid 1 BW) en heeft hij recht op betaling van de onder 3.1 genoemde bedragen, zoals achterstallig loon en vakantiegeld. Ook heeft hij recht op afgifte van correcte loonstroken en een positief getuigschrift conform de vaststellingsovereenkomst.

3.8

Op de grondslagen van de onder 3.1 verzochte vergoedingen en overige stellingen van [verzoeker] wordt hierna - voor zover voor de beoordeling van belang - ingegaan.

4 Het verweer van Jumbo

4.1

Jumbo heeft verweer gevoerd tegen de verzochte wettelijke verhoging, wettelijke rente en de verzochte veroordeling in de werkelijke proceskosten. Voor wat betreft de verzochte vernietiging van het ontslag op staande voet, refereert zij zich aan het oordeel van de kantonrechter. Ook heeft Jumbo aangevoerd dat zij over zal gaan tot betaling van de (overige) door [verzoeker] verzochte bedragen, tot afgifte van de loonstroken en heeft Jumbo toegezegd dat zij een positief getuigschrift zal verstrekken.

4.2

Op de details van de onderdelen van het verzoek waartegen Jumbo verweer heeft gevoerd, wordt hierna - voor zover van de beoordeling relevant - ingegaan.

5 De beoordeling

Ontslag op staande voet

5.1

De belangrijkste vraag die de kantonrechter in deze zaak moet beantwoorden is of de opzegging van de arbeidsovereenkomst (het ontslag op staande voet) moet worden vernietigd. Met andere woorden: heeft Jumbo [verzoeker] op 25 mei 2020 terecht of onterecht op staande voet ontslagen?

5.2

Voordat de kantonrechter die vraag kan beantwoorden, moet de kantonrechter eerst vaststellen of [verzoeker] het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet op tijd heeft ingediend. Dat is het geval. Het verzoek is namelijk ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst (beweerdelijk) is geëindigd (artikel 7:686a lid 4 sub a BW). Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek inhoudelijk kan beoordelen.

5.3

Bij de inhoudelijke beoordeling is van belang dat Jumbo zich met betrekking tot het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet refereert aan het oordeel van de kantonrechter. Ondanks dat Jumbo tegen dat verzoek dus geen verweer voert, zal de kantonrechter hierna beoordelen of het door Jumbo aan [verzoeker] verleende ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Aan de ene kant omdat dit door [verzoeker] is verzocht en aan de andere kant omdat het antwoord op die vraag van belang is bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van de door hem verzochte vergoedingen en overige verzoeken.

5.4

Door een ontslag op staande voet wordt de arbeidsovereenkomst plotseling en onmiddellijk beëindigd. Dit heeft voor de werknemer ingrijpende gevolgen. Daarom moet een ontslag op staande voet aan strenge formele en inhoudelijke eisen voldoen. De wettelijke regels voor ontslag op staande voet staan in het BW. In dit geval gaat het om artikel 7:677 lid 1 BW. Volgens dat wetsartikel is een ontslag op staande voet alleen geldig als aan drie eisen is voldaan. De eerste eis is dat het ontslag op staande voet slechts geldig is als daarvoor een dringende reden bestaat. De tweede eis is dat er onverwijld moet worden opgezegd. De derde eis is dat de dringende reden onverwijld moet worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Partijen zijn in elk geval verdeeld over het antwoord op de vraag of in dit geval sprake is van een dringende reden.

5.5

In de wet staan voorbeelden van een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Een dringende reden kan bijvoorbeeld zijn dat een werknemer grovelijk de plichten veronachtzaamt die de arbeidsovereenkomst hem oplegt of dat de werknemer de werkgever heeft misleid door het vertonen van vervalste getuigschriften (artikel 7:681 lid 1 BW in samenhang met artikel 7:678 lid 2, onderdelen k en a, BW). Dringende redenen zijn dus redenen waardoor van de werkgever niet kan worden gevraagd om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:678 lid 1 BW). Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden bij de werkgever liggen.

5.6

De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Belangrijk is de aard en ernst van de dringende reden. Ook kunnen meespelen de duur van de dienstbetrekking en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Verder kan meewegen wat de gevolgen zijn voor de werknemer van een ontslag op staande voet. Maar ook als zo’n ontslag grote gevolgen heeft voor de werknemer, kan dat ontslag toch gerechtvaardigd zijn. Dat kan bijvoorbeeld zo zijn vanwege de aard en de ernst van de dringende reden.

5.7

Uitgangspunt bij de beoordeling is de ontslagbrief van 25 mei 2020 (welke hiervoor bij 2.13 grotendeels is weergegeven). Daarin staan immers de door Jumbo aan [verzoeker] gemaakte verwijten (redenen voor het ontslag op staande voet) vermeld. Uit deze brief volgt dat Jumbo meerdere verwijten aan [verzoeker] maakt. In essentie komen deze verwijten erop neer dat [verzoeker] volgens Jumbo niet transparant is geweest in aanloop naar de totstandkoming van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst en dat hij dat wel had moeten zijn. Als hij transparant was geweest, was de vaststellingsovereenkomst niet gesloten, dan wel was de vaststellingsovereenkomst niet onder dezelfde voorwaarden tot stand gekomen. Het ontbreken van transparantie ziet op de betrokkenheid van [verzoeker] bij Foodned en zijn intentie tot samenwerking met Foodned, aldus Jumbo. Volgens Jumbo is Foodned een concurrent van haar/Smulweb en heeft [verzoeker] werkzaamheden voor Foodned uitgevoerd tijdens zijn dienstverband bij Jumbo, terwijl dit verboden was.

5.8

De kantonrechter is met [verzoeker] van oordeel dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, omdat er (in ieder geval) geen sprake is van een dringende reden. Dit betekent dat Jumbo [verzoeker] onterecht op staande voet heeft ontslagen. Daarover wordt het volgende overwogen.

5.9

De kantonrechter stelt voorop dat hij er begrip voor heeft dat het [verzoeker] frustreert dat hij het door ISP opgestelde onderzoeksrapport d.d. 20 mei 2020 pas op 31 juli 2020 heeft ontvangen (dus pas bij indiening van het verweerschrift in deze procedure). De kantonrechter deelt ook het standpunt van [verzoeker] dat Jumbo hem (veel) eerder de beschikking had moeten geven over de inhoud van het rapport, temeer omdat [verzoeker] hierom herhaaldelijk heeft gevraagd en bovendien omdat dit op de weg van Jumbo als goed werkgever had gelegen. Niet valt in te zien waarom Jumbo niet in staat is geweest om het rapport eerder (dan wel direct of vrij snel na het ontslag op staande voet) met [verzoeker] te delen. Zij heeft hierover in elk geval geen, dan wel onvoldoende, sluitende verklaring gegeven. Los daarvan begrijpt de kantonrechter niet, ook niet nadat Jumbo hierover tijdens de zitting een korte toelichting heeft gegeven, waarom Jumbo op deze wijze onderzoek heeft laten uitvoeren. Dit alles heeft echter niet tot gevolg dat het rapport in deze procedure geheel buiten beschouwing wordt gelaten, met name niet omdat uit de op 25 mei 2020 door Jumbo verzonden ontslagbrief blijkt dat Jumbo zich ter onderbouwing van de dringende reden in belangrijke mate beroept op de bevindingen die zijn weergegeven in het door ISP op 20 mei 2020 opgestelde onderzoeksrapport en [verzoeker] er inmiddels kennis van heeft kunnen nemen. De kantonrechter tekent hierbij wel aan dat hij de inhoud van het - maar liefst 117 pagina’s tellende - rapport niet uitvoerig zal behandelen. De reden hiervoor is met name omdat Jumbo in het verweerschrift niet heeft verwezen naar bepaalde passages en/of specifieke onderdelen van het rapport en het niet de taak van de kantonrechter is om in het rapport te gaan spitten zonder dat Jumbo daarnaar expliciet heeft verwezen. Daarbij komt dat Jumbo zich wat betreft het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet refereert aan het oordeel van de kantonrechter en dus geen inhoudelijk verweer voert. Overigens constateert de kantonrechter nog dat de directe aanleiding voor Jumbo tot het instellen van een onderzoek niet veroorzaakt werd door het eventuele handelen van [verzoeker] , maar door een collega van hem, omdat bij Jumbo over die collega sterke vermoedens bestonden dat hij betrokken was bij Foodned. Pas in de loop van het onderzoek is Jumbo (lees: ISP) erachter gekomen dat [verzoeker] ook mogelijk een rol speelde bij de ontwikkelingen rondom Foodned.

5.10

Wat er verder ook zij van de inhoud van het onderzoeksrapport van ISP, vast staat dat partijen op 20 januari 2020 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten ter beëindiging van het dienstverband van [verzoeker] , omdat - kort gezegd - de functie van [verzoeker] per 1 juni 2020 bij Jumbo is komen te vervallen. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat [verzoeker] vanaf 1 maart 2020 tot 1 juni 2020 is vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden. Daarnaast blijkt uit de vaststellingsovereenkomst dat Jumbo ermee bekend was dat [verzoeker] zich aan het oriënteren was op een andere baan en dat het tot de mogelijkheden behoorde dat hij een eigen onderneming zou starten. Sterker nog, Jumbo heeft in dit kader zelfs een bedrag beschikbaar gesteld wat [verzoeker] mocht inzetten als tegemoetkoming in de kosten voor coaching/outplacement/opleiding dan wel de kosten verband houdende met de start van een eigen bedrijf, zulks in de meest ruime zin van het woord (zie artikel 16 van de vaststellingsovereenkomst). Jumbo heeft ook daadwerkelijk kosten vergoed. Tijdens de zitting heeft [verzoeker] (nogmaals) verklaard dat Foodned een onderdeel vormde van zijn oriëntatie om, nadat zijn dienstverband bij Jumbo geëindigd zou zijn, zijn carrière mogelijk te vervolgen. De kantonrechter acht het niet meer dan logisch dat [verzoeker] in de maanden maart, april en mei 2020 zich heeft georiënteerd en zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt heeft verkend. Hij was in die periode immers vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden bij Jumbo en hij wist dat zijn dienstverband daar per 1 juni 2020 zou eindigen. Niet gesteld of gebleken is dat [verzoeker] daadwerkelijk werkzaamheden voor Foodned heeft uitgevoerd en dat hij dus mogelijk in strijd heeft gehandeld met artikel 9 van de vaststellingsovereenkomst: “werknemer zal in deze periode geen werkzaamheden elders verrichten”. Weliswaar heeft [verzoeker] erkend dat hij gesproken heeft met Foodned en dat hij onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden aldaar, maar dit brengt nog niet mee dat hij een nevenactiviteitenbeding heeft overtreden, voor zover dat er al is. Indien Jumbo koste wat kost had willen voorkomen dat [verzoeker] bij een eventuele concurrent aan de slag zou gaan, had Jumbo dit uitdrukkelijk met [verzoeker] moeten overeengekomen. Niet gebleken is dat dit is gebeurd. Voor zover [verzoeker] al voor 1 maart 2020 contact heeft gehad met Foodned (Jumbo heeft in dit kader aangevoerd dat [verzoeker] dat al had in het najaar van 2019), maakt dit het voorgaande niet anders. Immers, ondanks dat de vaststellingsovereenkomst op 20 januari 2020 is gesloten, was voor beide partijen al geruime tijd (daarvoor) duidelijk dat de werkzaamheden voor [verzoeker] binnen Jumbo zouden eindigen. Het ligt niet voor de hand dat [verzoeker] pas op het laatste moment, dat wil zeggen vlak voor 1 juni 2020, op zoek gaat naar een andere baan.

5.11

Daarnaast acht de kantonrechter van belang dat Jumbo [verzoeker] op 25 mei 2020 op staande voet heeft ontslagen terwijl het dienstverband enkele dagen later, op 1 juni 2020, sowieso al zou eindigen. Dit terwijl vast staat dat [verzoeker] , goed, zo niet uitstekend, bij Jumbo functioneerde. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat hij de afgelopen drie jaar een behoorlijke bonus heeft ontvangen. Ook volgt uit artikel 18 van de vaststellingsovereenkomst dat Jumbo haar medewerking zal verlenen aan het afgeven van een positief getuigschrift. Desondanks is Jumbo overgegaan tot de meest ingrijpende manier van het beëindigen van een arbeidsovereenkomst: een ontslag op staande voet. Deze abrupte beëindiging heeft vergaande gevolgen voor [verzoeker] .

5.12

De conclusie van dit alles is dat er in dit geval geen sprake is van een dringende reden. Omdat het ontbreken van een dringende reden al leidt tot een niet rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet, kan de vraag of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven en of de dringende reden onverwijld met het ontslag op staande voet aan [verzoeker] is meegedeeld, onbesproken blijven.

Vernietiging ontslag op staande voet

5.13

Omdat het ontslag op staande voet onterecht is gegeven, moet het verzoek tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst (lees: het ontslag op staande voet) worden toegewezen. Er is immers sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW in combinatie met artikel 7:677 lid 1 BW, zodat er grond is om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW.

Gevolgen vernietiging ontslag op staande voet

5.14

Omdat de opzegging van de arbeidsovereenkomst (het ontslag op staande voet) wordt vernietigd, duurt de arbeidsovereenkomst voort, althans is de arbeidsovereenkomst niet op 25 mei 2020 geëindigd maar op 1 juni 2020 conform de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Dit brengt mee dat [verzoeker] tot 1 juni 2020 recht heeft op onder andere de betaling van loon. Aangezien Jumbo tegen het merendeel van de primaire verzoeken tot betaling (zoals hiervoor is weergegeven bij 3.1) geen (inhoudelijk) verweer heeft gevoerd, Jumbo bij brief van 6 augustus 2020 bovendien heeft gezegd over te zullen gaan tot betaling van een groot deel van de door [verzoeker] verzochte bedragen en Jumbo dit tijdens de zitting op 10 augustus 2020 ook heeft bevestigd, zal de kantonrechter Jumbo hierna - voor zover nog vereist - veroordelen tot betaling van de door [verzoeker] verzochte bedragen, waarbij het volgende in aanmerking wordt genomen.

Loon, vakantietoeslag en pensioenverplichtingen

5.15

Jumbo heeft het door [verzoeker] verzochte bedrag aan achterstallig loon van € 2.243,70 bruto erkend, zodat dit bedrag wordt toegewezen. Verder heeft [verzoeker] betaling verzocht van € 179,50 bruto aan vakantiebijslag over de periode van 25 mei 2020 tot en met 31 mei 2020. Omdat Jumbo tegen de juistheid dit bedrag geen verweer heeft gevoerd (zij heeft tijdens de zitting slechts aangevoerd dat [verzoeker] over de verzochte periode wellicht nog een kleine nabetaling dient te ontvangen), ligt ook laatstgenoemd bedrag voor toewijzing gereed. Daarnaast heeft Jumbo erkend dat zij nog aan haar pensioenverplichtingen moet voldoen ten aanzien van de laatste week van het dienstverband. Daarom wordt het verzoek ook op dit onderdeel toegewezen.

Transitievergoeding en tekenbonus

5.16

Jumbo heeft in het verweerschrift erkend dat zij de in het verzoekschrift verzochte bedragen aan transitievergoeding van € 18.327,42 bruto (conform artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst) en tekenbonus van € 9.163,71 bruto (overeenkomstig artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst), is verschuldigd. Vervolgens heeft [verzoeker] zijn verzoek ten aanzien van die onderdelen vermeerderd, te weten € 19.544,25 bruto aan transitievergoeding en € 9.772,12 bruto aan tekenbonus. In dit kader heeft hij aangevoerd dat in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat voornoemde bedragen conform artikel 19 SBR (zie onder andere artikel 2 van de vaststellingsovereenkomst) moeten worden voldaan. Ondanks het bepaalde in artikel 19 SBR, heeft Jumbo ten onrechte geen rekening gehouden met de daarin opgenomen regeling. Jumbo had gelet daarop rekening moeten houden met een loonsverhoging. Nergens blijkt uit dat partijen hebben bedoeld om van de SBR af te wijken. Tijdens de zitting heeft Jumbo bezwaar gemaakt tegen de vermeerderde bedragen.

5.17

De kantonrechter is met [verzoeker] van oordeel dat uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat partijen hebben beoogd om de beëindiging van het dienstverband af te wikkelen conform de SBR. Dit brengt mee dat de onderhavige verzochte bedragen berekend en vastgesteld moeten worden conform de SBR, en wel ten tijde van het einde van het dienstverband (dus inclusief loonsverhoging). In artikel 2 van de vaststellingsovereenkomst is immers uitdrukkelijk bepaald dat tussen partijen de bepalingen voortvloeiende uit de SBR van toepassing zijn, tenzij in de overeenkomst anders wordt aangegeven. In artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst (transitievergoeding) en artikel 4 (tekenbonus) wordt expliciet verwezen naar de toepasselijke bepalingen uit de SBR. Dat dit desondanks anders zou zijn, heeft Jumbo onvoldoende onderbouwd, zodat aan dit verweer voorbij wordt gegaan. Het voorgaande betekent dat partijen één en ander moeten afwikkelen conform de SBR. De verzochte vermeerderde bedragen worden dus toegewezen.

Verlofsaldo, juridische kosten, declaraties op basis van de vaststellingsovereenkomst en voorgeschoten reguliere bedragen

5.18

Jumbo heeft erkend dat zij het (verminderde) bedrag van € 3.778,96 netto aan verlofsaldo ten onrechte niet aan [verzoeker] heeft betaald. Daarom ligt dit bedrag voor toewijzing gereed.

5.19

[verzoeker] verzoekt verder betaling van € 726,00 netto aan juridische kosten en € 35,35 netto aan voorgeschoten reguliere bedragen. Jumbo heeft de verschuldigdheid van deze bedragen erkend, zodat voornoemde bedragen worden toegewezen.

5.20

Daarnaast verzoekt [verzoeker] betaling van een totaalbedrag van € 5.241,00 netto aan declaraties op basis van de vaststellingsovereenkomst. Hij heeft de opbouw van dit bedrag onder punt 32. en 33. van de pleitnota gespecifieerd. Jumbo heeft in dit kader alleen aangevoerd dat zij minimaal nog een bedrag van € 3.530,93 netto aan [verzoeker] dient te betalen en dat zij nog onderzoek moet doen naar het definitieve totaalbedrag. Gelet daarop en omdat het op de weg van Jumbo had gelegen om ieder geval ten tijde van de zitting op 10 augustus 2020 duidelijkheid te verschaffen over de precieze hoogte van het bedrag en zij dit niet heeft gedaan, zal Jumbo worden veroordeeld tot betaling van € 5.241,00.

Loonstrook en getuigschrift

5.21

De verzochte afgifte van een correcte loonstrook (waarop onder meer de betalingen zoals toegewezen in deze beschikking staan vermeld) zal worden toegewezen. Dit is immers een wettelijke verplichting waaraan Jumbo heeft te voldoen.

5.22

Het verzoek tot verstrekking van een positief getuigschrift zal eveneens worden toegewezen. Dit verzoek is namelijk toewijsbaar op grond van artikel 18 van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst en bovendien omdat Jumbo hiertegen geen verweer heeft gevoerd.

5.23

[verzoeker] heeft aan de afgifte van de loonstrook en het verstrekken van het getuigschrift verzocht om daar een dwangsom aan te verbinden. De kantonrechter ziet aanleiding om die dwangsom toe te wijzen als stimulans tot nakoming, met name omdat Jumbo reeds ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om aan haar verplichtingen te voldoen maar zij - ondanks meerdere toezeggingen - daartoe nog steeds niet is overgegaan. Wel zal de kantonrechter de dwangsom in omvang beperken en ook zal daaraan een maximum worden verbonden zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

Wettelijke rente

5.24

Jumbo heeft bezwaar gemaakt tegen de door [verzoeker] verzochte toewijzing van wettelijke rente, omdat zij de bedragen vrijwillig zal voldoen. Gelet daarop vraagt Jumbo op basis van artikel 6:109 BW de wettelijke rente op nihil vast te stellen dan wel te matigen.

5.25

De kantonrechter gaat hier niet in mee. Voor zover een beroep op matiging al zou kunnen slagen, doet het aanbod om de bedragen (alsnog) ‘vrijwillig’ te voldoen niet af aan het feit dat Jumbo de verzochte bedragen simpelweg te laat heeft betaald. Voor matiging is daarom geen, althans in elk geval onvoldoende, aanleiding. De wettelijke rente zal dan ook zoals verzocht worden toegewezen vanaf 1 juni 2020, met uitzondering van de wettelijke rente over de transitievergoeding. De wettelijke rente over transitievergoeding zal op grond van artikel 7:686a lid 1 BW worden toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 juli 2020.

Wettelijke verhoging

5.26

Ook verzoekt [verzoeker] betaling van wettelijke verhoging van 50% over het achterstallige loon, vakantiegeld en niet genoten vakantiedagen. Dat Jumbo deze vergoedingen niet, dan wel in elk geval te laat, heeft betaald, is haar als werkgever toe te rekenen (artikel 7:616 BW). [verzoeker] heeft daarom in beginsel aanspraak op een verhoging wegens vertraging, ook wel de wettelijke verhoging genoemd (artikel 7:625 lid 1 BW). Op grond van de slotzin van artikel 7:625 lid 1 BW kan de rechter de verhoging beperken (matigen) tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden billijk voorkomt.

5.27

Jumbo heeft op voornoemde slotzin een beroep gedaan. Zij verzoekt de kantonrechter de wettelijke verhoging te matigen tot nihil of tot een percentage wat de kantonrechter redelijk acht. Kort gezegd komt het standpunt van Jumbo erop neer dat zij een reëel motief had om nog niet de volledige bedragen uit te keren, het verlofsaldo hoeft pas te worden uitgekeerd na de eindafrekening en bovendien is er slechts een klein percentage aan wettelijke verhoging toewijsbaar omdat zij [verzoeker] al een deel van de verzochte bedragen heeft uitgekeerd.

5.28

Met [verzoeker] is de kantonrechter van oordeel dat Jumbo geen, althans onvoldoende, redelijke grond had om de betalingen niet volledig en niet tijdig te laten plaatsvinden. Dit geldt temeer omdat Jumbo al in het op 31 juli 2020 ingediende verzoekschrift heeft erkend het merendeel van de achterstallige betalingen te zullen verrichten, zij dit heeft bevestigd bij brief van 6 augustus 2020 maar er ten tijde van de zitting op 10 augustus 2020 is gebleken dat de betalingen nog steeds niet volledig op de bankrekening van [verzoeker] zijn bijgeschreven. De kantonrechter begrijpt niet waarom Jumbo niet in staat is geweest om ervoor te zorgen dat de betalingen in elk geval (ruimschoots) voor aanvang van de zitting op 10 augustus 2020 op de bankrekening van [verzoeker] zijn gestort. De kantonrechter ziet mede daarom ook niet in waarom er in dit geval reden voor matiging is. Het voorgaande betekent dat de verzochte wettelijke verhoging van 50% over het achterstallige loon, vakantiegeld en niet genoten vakantiedagen zal worden toegewezen.

Proceskosten

5.29

[verzoeker] verzoekt Jumbo te veroordelen in de werkelijke door hem gemaakte proceskosten (advocaatkosten). Hij heeft deze kosten begroot op een totaalbedrag van € 10.179,42 inclusief btw (€ 5.829,42 + € 4.350,00). Voor een nadere onderbouwing van dit verzoek wordt verwezen naar punt 12. en 13. van de akte vermeerdering van eis van 6 augustus 2020 en de daarbij gevoegde bijlage met het nummer 13. Jumbo heeft daartegen verweer gevoerd.

5.30

Veroordeling in de werkelijke proceskosten is volgens vaste jurisprudentie alleen mogelijk in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering of het doen van het verzoek of het voeren van verweer, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als een partij haar vordering c.q. verzoek of verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het voeren van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM (volgens Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828 en Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360).

5.31

De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval sprake is van de hiervoor bedoelde omstandigheden, in die zin dat Jumbo onrechtmatig jegens [verzoeker] heeft gehandeld, zodat een veroordeling in de werkelijke proceskosten aan de orde is. De kantonrechter is van oordeel dat Jumbo als werkgever laakbaar heeft gehandeld. Dit wordt als volgt toegelicht. Het was voor beide partijen al sinds het najaar van 2019 volstrekt helder dat [verzoeker] binnen afzienbare tijd op zoek zou moeten gaan naar een andere baan omdat de arbeidsovereenkomst bij Jumbo zou eindigen. Het is dan ook logisch dat [verzoeker] daarmee niet wacht tot het laatste moment en zich op de arbeidsmarkt gaat oriënteren. In dit kader speelt ook een rol dat in de arbeidsovereenkomst geen nevenactiviteitenbeding is overeengekomen en dat Jumbo er als het ware via via is achter gekomen dat [verzoeker] mogelijk betrokken is geweest bij Foodned omdat er onderzoek is gedaan naar een collega van hem (zie in dit verband ook wat hiervoor bij 5.9 tot en met 5.11 is overwogen). Daarnaast betrekt de kantonrechter in zijn oordeel dat het onbegrijpelijk is dat [verzoeker] niet deugdelijk en tijdig is geïnformeerd over het onderzoek en ook dat zij [verzoeker] lange tijd onnodig verstoken heeft gehouden van informatie over de precieze reden voor het ontslag op staande voet. Dit terwijl het ontslag op staande voet een uiterst middel is en Jumbo daartoe op 25 mei 2020 is overgegaan terwijl de arbeidsovereenkomst enkele dagen later toch al zou eindigen. Daarbij komt dat de kantonrechter niet begrijpt, zoals hiervoor ook al is overwogen, dat Jumbo niet reeds is overgegaan tot betaling van de door haar erkende bedragen terwijl zij de verschuldigdheid daarvan al bij het verweerschrift heeft erkend. Ook kan de kantonrechter zich niet aan de indruk onttrekken dat Jumbo deze procedure onnodig heeft gerekt, dan wel dat deze procedure wellicht zelfs voorkomen had kunnen worden. Daarom zal het door [verzoeker] verzochte bedrag worden toegewezen. Verder moet Jumbo het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 499,00 aan hem (terug)betalen.

Nakosten

5.32

Daarnaast zal Jumbo ook, zoals verzocht, worden veroordeeld tot betaling van de nakosten. De nakosten worden conform landelijk beleid in kantonzaken begroot op een half salarispunt, met een maximum van € 120,00. In dit geval wordt een bedrag van € 120,00 toegewezen.

Tot slot

5.33

Wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen nadere bespreking meer, omdat dit in het licht van al hetgeen in deze beschikking is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1

vernietigt het door Jumbo op 25 mei 2020 aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet;

6.2

veroordeelt Jumbo - voor zover betaling nog niet heeft plaatsgevonden - om binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoeker] te betalen:

  1. € 2.243,70 bruto aan restend loon over de periode 25 mei 2020 tot 1 juni 2020;

  2. € 179,50 bruto aan vakantiebijslag over de periode 25 mei 2020 tot 1 juni 2020;

  3. en tot nakoming van de pensioenverplichtingen tot 1 juni 2020;

  4. € 19.544,25 bruto aan transitievergoeding;

  5. € 9.772,12 bruto aan tekenbonus;

  6. € 3.778,96 netto aan niet opgenomen vakantiedagen;

  7. € 726,00 netto aan juridische kosten;

  8. € 35,35 netto aan voorgeschoten reguliere bedragen;

  9. € 5.241,00 netto aan declaraties op basis van de vaststellingsovereenkomst;

6.3

veroordeelt Jumbo tot betaling van de maximale wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW (50%) over de hiervoor genoemde bedragen aan loon (6.2 a.), de vakantiebijslag (6.2 b.) en de uitbetaling van de niet opgenomen vakantiedagen (6.2 f);

6.4

veroordeelt Jumbo tot betaling van de wettelijke rente over het hiervoor genoemde bedrag aan transitievergoeding (6.2 d.) vanaf 1 juli 2020 tot aan de dag van volledige betaling en veroordeelt Jumbo tot betaling van de wettelijke rente over alle overige onder 6.2 genoemde bedragen vanaf 1 juni 2020 tot aan de dag van volledige betaling;

6.5

veroordeelt Jumbo binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking tot het verstrekken van een deugdelijke loonstrook, waarin alle hiervoor genoemde bedragen zijn verwerkt;

6.6

veroordeelt Jumbo binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking tot afgifte van een positief getuigschrift, zoals is vermeld in artikel 18 van de eerder tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst;

6.7

veroordeelt Jumbo om aan [verzoeker] een dwangsom te betalen van € 500,00 per dag of gedeelte van de dag dat zij na betekening van deze beschikking niet (volledig) aan de in 6.5 en/of 6.6 uitgesproken veroordelingen voldoet, met een maximum van € 10.000,00;

6.8

veroordeelt Jumbo in de proceskosten, tot en met vandaag vastgesteld op € 10.678,42 (zoals hiervoor gespecificeerd bij 5.29 tot en met 5.31) en in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 120,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

6.9

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.10

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gewezen door mr. E. Loesberg, kantonrechter, en is op 7 september 2020 in het openbaar uitgesproken.