Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4471

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
362375 KG ZA 20-523
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het betreft een vordering van een woningstichting tegen een huurder, strekkende tot het aan deze huurder opleggen van een verbod haar vriend, met wie zij sinds kort een relatie heeft, toe te laten in/te laten intrekken in de door haar gehuurde woning.

Tegen de man met wie de huurder een relatie heeft is onlangs door de kantonrechter bij wijze van tussenvonnis, naast een veroordeling tot ontruiming, een contact- en gebiedsgebod uitgesproken vanwege het veroorzaken van ernstige overlast in en om de huurwoning. De woning van de huurder in dit kort geding bevindt zich binnen de straal waarvoor het contact- en gebiedsverbod is uitgesproken. De huurder heeft aan de woningstichting kenbaar gemaakt dat zij (sinds kort) een serieuze relatie heeft met de man en dat zij voornemens zijn in de door haar gehuurde woning te gaan samen wonen).

De vrouw gedraagt zich volgens de woningstichting niet als goed huurder door te faciliteren dat de man het aan hem opgelegde contact- en gebiedsverbod overtreedt door bij haar in de woning te trekken.

De vordering wordt toegewezen op straffe vaneen dwangsom. De vordering om de vrouw te veroordelen de huurwoning te ontruimen indien zij het verbod overtreedt wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/362375 / KG ZA 20-523

Vonnis in kort geding van 9 september 2020

in de zaak van

de stichting

STICHTING WOONPARTNERS,

gevestigd te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. B. Poort te Eindhoven,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. R. Janssen te Helmond.

Partijen zullen hierna Stichting Woonpartners en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 september 2020 met acht producties die bestaan uit meerdere bijlagen

  • -

    de per e-mail aan de rechtbank verzonden brief van 7 september 2020 met productie 9

  • -

    de kort voorafgaand aan de mondelinge behandeling verzonden conclusie van antwoord van de zijde van [gedaagde]

  • -

    de mondelinge behandeling die vanwege de maatregelen in verband met Covid-19 op 8 september 2020 plaats vond via een Skype-verbinding.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft bepaald dat op 9 september 2020 om 16.00 uur vonnis wordt gewezen.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] huurt vanaf februari 2019 een woning van Stichting Woonpartners aan [adres 1] te [woonplaats] . De woning is gelegen in een woonwijk waarbij de omliggende woningen ook eigendom zijn van en verhuurd worden door Stichting Woonpartners.

2.2.

[gedaagde] heeft sinds ongeveer 1,5 maand een relatie met de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) die - tot 10 september 2020 - eveneens een woning van Stichting Woonpartners huurt, welke woning – net als die van [gedaagde] – is gelegen in de straat [straat] .

2.3.

[naam 1] is bekend bij Stichting Woonpartners omdat hij gedurende geruime tijd overlast heeft veroorzaakt in en rondom de door hem gehuurde woning.

2.4.

Op 27 juli 2020 heeft de kantonrechter in een procedure waarin Stichting Woonpartners de eisende partij was tegenover [naam 1] (en zijn bewindvoerders) als gedaagden, tussenvonnis gewezen (zaaknummer 8550388 CV EXPL 20-3411). In het tussenvonnis is geoordeeld over de door Stichting Woonpartners ingestelde incidentele vorderingen tot het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende – kort samengevat – veroordeling van [naam 1] tot ontruiming van het gehuurde, tot betaling van de huurachterstand, en tot het opleggen aan [naam 1] van een contact- en een gebiedsverbod.

De kantonrechter heeft deze vorderingen toegewezen.

De beslissing in de eis in de hoofdzaak, strekkende – kort samengevat – tot het ontbinden van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, alsmede een contact- en gebiedsverbod, en tot betaling van de verschuldigde huurpenningen is aangehouden en de hoofdzaak is in het vonnis verwezen naar de rol voor een conclusie van antwoord.

2.5.

In het kader van het onderhavige kort geding is van belang dat de kantonrechter bij vonnis van 27 juli 2020 het in het incident gevorderde contact- en gebiedsverbod, heeft toegewezen als volgt:

‘6.4. verbiedt [naam 1] om na ontruiming van het gehuurde zich (opnieuw) te begeven of aanwezig te zijn op een afstand van 200 meter ten opzichte van het gehuurde (aan [adres 2] te [woonplaats], vrzr) alsmede contact op te (laten) nemen met bewoners die wonen in de directe omgeving op een afstand van 500 meter ten opzichte van voormelde woonruimte, op straffe van een dwangsom van € 100,- per keer dat [naam 1] hiermee in strijd handelt tot een maximum van € 5.000,-.’

2.6.

Bij e-mailbericht van 25 augustus 2020 gericht aan Stichting Woonpartners heeft [bewindvoerder] (bewindvoerder van [naam 1] ) namens Stichting Woonpartners de huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan [adres 2] te [woonplaats] opgezegd en medegedeeld dat [naam 1] de woning voor 10 september 2020 vrijwillig zal verlaten.

2.7.

Eveneens op 25 augustus 2020 heeft Stichting Woonpartners een brief van mr. Janssen ontvangen waarin hij namens [gedaagde] aangeeft dat [naam 1] sinds enkele weken regelmatig in haar woonruimte verblijft en zij en [naam 1] het voornemen hebben om na de ontruiming van de huurwoning van [naam 1] , definitief samen te gaan wonen in haar woning en het geregistreerd partnerschap aan te vragen zodat [naam 1] de status van mede-huurder zal krijgen.

3 Het geschil

3.1.

In de dagvaarding heeft Stichting Woonpartners tevens een incidentele vordering ingesteld. Zij vordert samengevat –:

In het incident

I. toe te staan dat de procedure jegens [gedaagde] gevoegd wordt behandeld met de

reeds door [naam 1] tegen Stichting Woonpartners aanhangig gemaakte

procedure met zaaknummer 362151 KG ZA 20-512;

in de hoofdzaak

II. [gedaagde] te verbieden om per datum van dit vonnis, althans binnen drie dagen na

betekening van dit vonnis de heer [naam 1] toe te laten tot en/of te laten

verblijven in de woonruimte te [woonplaats] aan [adres 1] op straffe van een

dwangsom van € 100,- per keer dat [gedaagde] met dit verbod in strijd handelt tot

een maximum van € 10.000,-;

III. [gedaagde] te veroordelen om, indien binnen 14 dagen na de eerste overtreding van het onder II op te leggen verbod, het verbod niet alsnog is nageleefd, binnen 14 dagen nadien, dan wel binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] te ontruimen en ontruimd te houden en ter vrije beschikking aan Stichting Woonpartners te stellen;

IV. [gedaagde] te veroordelen in de kosten en de nakosten van deze procedure.

3.2.

Aan bovenstaande vorderingen legt Stichting Woonpartners – zakelijk

weergegeven – het volgende ten grondslag.

[gedaagde] is op grond van de huurovereenkomst en de algemene huurvoorwaarden, evenals

op grond van de wet gehouden zich als goed huurder te gedragen. Nu zij [naam 1] toelaat in haar woning, terwijl aan [naam 1] een contact- en gebiedsverbod is opgelegd dat een gebied beslaat waarin zich ook de woning van [gedaagde] bevindt, handelt [gedaagde] in strijd met het goed huurderschap.

Stichting Woonpartners is als verhuurder gehouden aan haar huurders woongenot te verschaffen en op te treden tegen huurders die overlast veroorzaken. Dit heeft zij in het geval van [naam 1] ook gedaan in de tegen hem aangespannen kantongerechts-procedure. Stichting Woonpartners dient de mogelijkheid te hebben om het opgelegde contact- en gebiedsverbod te handhaven ter voorkoming van herhaling van de overlast. Nu [gedaagde] [naam 1] toe laat in haar woning dient Stichting Woonpartners ook op te kunnen treden tegen [gedaagde] .

[gedaagde] is op grond van artikel 7:219 BW verantwoordelijk voor al hetgeen er gebeurt in de door haar gehuurde woonruimte. Zij dient er als huurder voor te zorgen dat zij of bij haar inwonende personen geen overlast veroorzaken.

3.3.

[gedaagde] voert verweer waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Naar aanleiding van het verzoek van mr. Poort voorafgaand aan de mondelinge behandeling in deze kort gedingprocedure, inhoudende de onderhavige procedure te voegen met de onder zaaknummer C/01/362151 / KG ZA 20-512 bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank aanhangige kort gedingprocedure tussen partijen [naam 1] c.s. en Stichting Woonpartners, heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de mondelinge behandeling van beide zaken op dezelfde dag en hetzelfde tijdstip (dinsdag 8 september 2020 te 14.00 uur) plaats zal vinden omdat deze zaken naar het oordeel van de voorzieningenrechter met elkaar samenhangen. De beslissing de zaken gelijktijdig te behandelen houdt uitdrukkelijk geen (formele) voeging van de zaken in als bedoeld in artikel 222 lid 1 Rv. Het betreft een kort gedingprocedure in twee op zichzelf staande zaken waarin namens de gedaagde en eisende partij weliswaar dezelfde advocaten optreden maar die op 8 september 2020 achtereenvolgens na elkaar bij de mondelinge behandeling zijn behandeld en in beide zaken zal ook afzonderlijk vonnis worden gewezen. In zoverre wordt de incidentele vordering tot voeging dus afgewezen met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident, welke worden bepaald op nihil.

4.2.

Tegen het door Stichting Woonpartners gevorderde verbod om [naam 1] toe te laten en/of te laten verblijven in haar woning heeft [gedaagde] aangevoerd dat het haar vrij staat verliefd te worden en samen te gaan wonen met wie dan ook. [gedaagde] is een goed huurster en komt haar financiële verplichtingen jegens Stichting Woonpartners altijd stipt na en bezorgt niemand overlast.

De voorzieningenrechter is het eens met [gedaagde] waar zij stelt dat zij zelf bepaalt op wie zij verliefd wordt en met wie zij omgaat.

Dit neemt niet weg dat [gedaagde] zich jegens Stichting Woonpartners als een goed huurder dient te gedragen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter houdt dit ‘goed huurderschap’ tevens in dat de huurder rekening houdt met maatregelen die de verhuurder neemt ter bevordering van het woongenot van de bewoners in de buurt waar de huurder woont. Concreet betekent dit dat in dit geval van [gedaagde] verwacht kan worden dat zij geen onderdak biedt aan [naam 1] , die door de kantonrechter is veroordeeld tot ontruiming van de door hem gehuurde woning en aan wie een contact- en gebiedsverbod is opgelegd wegens het veroorzaken van langdurige overlast in en om het gehuurde.

Door [naam 1] toe te laten in haar woning verhindert [gedaagde] de executie door Stichting Woonpartners van het vonnis van de kantonrechter van 27 juli 2020.

Bovendien faciliteert [gedaagde] op deze manier dat [naam 1] het in dit vonnis opgelegde contact- en gebiedsverbod negeert en daarmee in strijd handelt. Dit klemt temeer nu [naam 1] in de andere kort gedingprocedure met zaaknummer C/01/362375 KG ZA 20-523, die gelijktijdig met de onderhavige kort gedingprocedure is behandeld, heeft verklaard dat hij de dwangsommen die hij vanwege overtreding van het verbod zou verbeuren, niet zal kunnen voldoen.

4.3.

Onder deze omstandigheden handelt [gedaagde] in strijd met het goed huurderschap en is het door Stichting Woonpartners gevorderde verbod om [naam 1] toe te laten en/of te laten verblijven in de door haar gehuurde woonruimte gerechtvaardigd.

4.4.

Hieraan doet niet af de stelling dat [naam 1] al een tijdje bij [gedaagde] woont en er tot op heden geen klachten van overlast zijn geweest.

Dat handhaving en tenuitvoerlegging van het door de kantonrechter uitgesproken contact- en gebiedsverbod tegen [naam 1] noodzakelijk is blijkt uit de door Stichting Woonpartners als productie 9 overgelegde verklaring van (voormalig) buurman [naam 2] over een confrontatie tussen hem en [naam 1] die recentelijk, op 4 september jl. heeft plaats gevonden. Blijkens de verklaring is de confrontatie ontstaan binnen de afstand waarvoor het contact- en gebiedsverbod is uitgesproken.

4.5.

Bovenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat het door Stichting Woonpartners gevorderde verbod wordt toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen om de veroordeling kracht bij te zetten.

4.6.

De vordering om [gedaagde] te veroordelen de huurwoning te ontruimen indien zij het verbod niet naleeft wordt afgewezen. De voorzieningenrechter acht het, mede gelet op het feit dat de gevorderde dwangsom wordt toegewezen, voorbarig om Stichting Woonpartners bij voorbaat een titel tot ontruiming van het door [gedaagde] van Stichting Woonpartners gehuurde te geven.

4.7.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.8.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in het incident:

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt Stichting Woonpartners in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil,

in de hoofdzaak:

5.3.

verbiedt [gedaagde] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis [naam 1] toe te laten tot en/of te laten verblijven in de woonruimte aan de [adres 1] te ([postcode]) [woonplaats] ,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] om aan Stichting Woonpartners een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere keer dat zij niet aan de in 5.3 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2020.