Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4470

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
362151 KG ZA 20-512
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Executiegeschil tussen een huurder en een woningstichting. Bij tussenvonnis van de kantonrechter is (op vordering in het incident van de woningstichting), naast ontruiming van het gehuurde ook een contact- en gebiedsverbod uitgesproken. Het tussenvonnis is in eerste instantie niet, maar bij herstelvonnis alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het executiegeschil richt zich tegen het in het tussenvonnis uitgesproken contact- en gebiedsverbod. Degene tegen wie dit verbod is uitgesproken heeft na de uitspraak een relatie gekregen met een vrouw die binnen de straal woont waarvoor het verbod is uitgesproken. Hij is (onder andere) van mening dat het verbod hem te zeer beperkt in zijn bewegingsvrijheid. De vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/362151 / KG ZA 20-512

Vonnis in kort geding van 9 september 2020

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres 2], in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [eiser 1] ,

3. [eiseres 3], in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [eiser 1] ,

eisers sub 2 en 3 gevestigd te [woonplaats] ,

eisers in de hoofdzaak, gedaagden in het incident,

advocaat mr. R. Janssen te Helmond,

tegen

de stichting

STICHTING WOONPARTNERS,

gevestigd te Helmond,

gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident

advocaat mr. B. Poort te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eiser 1] (eiser sub 1) dan wel [eisers] (eisers gezamenlijk) en Stichting Woonpartners genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 31 augustus 2020 met zes producties

  • -

    de bij brief van mr. Janssen van 2 september 2020 nagezonden productie 7

  • -

    de conclusie van antwoord tevens incident tot voeging ex artikel 222 jo. 220 lid 2 en 3 Rv. van de zijde van Stichting Woonpartners, met drie producties, bestaande uit meerdere bijlagen

  • -

    de mondelinge behandeling die vanwege de maatregelen in verband met Covid-19 op 8 september 2020 plaats vond via een Skype-verbinding

  • -

    de pleitnota van [eisers]

1.2.

De voorzieningenrechter heeft bepaald dat op 9 september 2020 te 16.00 uur vonnis zal worden gewezen.

2 De feiten

2.1.

[eiser 1] huurt sinds 20 mei 2019 een sociale huurwoning van Stichting Woonpartners aan de [adres 1] te [woonplaats] .

Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte d.d. 1 mei 2017 van toepassing.

2.2.

Op 27 juli 2020 heeft de kantonrechter in een procedure waarin Stichting Woonpartners de eisende partij is tegenover [eiser 1] (en de bewindvoerders) als gedaagden, tussenvonnis gewezen (zaaknummer 8550388 CV EXPL 20-3411). In het tussenvonnis is geoordeeld over de door Stichting Woonpartners ingestelde incidentele vorderingen tot het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende – kort samengevat – veroordeling van [eiser 1] tot ontruiming van het gehuurde, tot betaling van de huurachterstand, en tot het opleggen aan [eiser 1] van een contact- en een gebiedsverbod.

De kantonrechter heeft deze vorderingen toegewezen.

De beslissing in de eis in de hoofdzaak, strekkende – kort samengevat – tot het ontbinden van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, alsmede een contact- en gebiedsverbod, en tot betaling van de verschuldigde huurpenningen is aangehouden en de hoofdzaak is in het vonnis verwezen naar de rol voor een conclusie van antwoord.

2.3.

In het kader van het onderhavige kort geding is van belang dat de kantonrechter bij vonnis van 27 juli 2020 het in het incident gevorderde contact- en gebiedsverbod, heeft toegewezen als volgt:

‘6.4. verbiedt [eiser 1] om na ontruiming van het gehuurde zich (opnieuw) te begeven of aanwezig te zijn op een afstand van 200 meter ten opzichte van het gehuurde (aan [adres 1] te [woonplaats], vrzr) alsmede contact op te (laten) nemen met bewoners die wonen in de directe omgeving op een afstand van 500 meter ten opzichte van voormelde woonruimte, op straffe van een dwangsom van € 100,- per keer dat [eiser 1] hiermee in strijd handelt tot een maximum van € 5.000,-.’

2.4.

[eisers] hebben op 28 juli 2020 hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het hoger beroep had schorsende werking aangezien - anders dan in de motivering van de beslissing in het vonnis van 27 juli 2020 - in het dictum was bepaald dat het vonnis enkel voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad was.

2.5.

Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van Stichting Woonpartners heeft de kantonrechter op 13 augustus 2020 een herstelvonnis gewezen waarbij – overwegende dat sprake was van een kennelijke fout – het vonnis in het incident (alsnog volledig) uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

2.6.

Bij e-mailbericht van 25 augustus 2020 heeft [eiseres 2] (bewindvoerder van [eiser 1] en eiseres sub 2 in deze procedure) namens [eisers] de huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan [adres 1] te [woonplaats] opgezegd en medegedeeld dat [eiser 1] de woning voor 10 september 2020 vrijwillig zal verlaten.

2.7.

Stichting Woonpartners heeft de vonnissen van 27 juli 2020 en 13 augustus 2020 op 19 augustus 2020 betekend en aangekondigd dat het bij tussenvonnis van 27 juli 2020 opgelegde en bij hertstelvonnis van 13 augustus 2020 uitvoerbaar bij voorraad verklaarde contact- en gebiedsverbod op 10 september 2020 zal in gaan.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert samengevat - schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 27 juli 2020, voor zover het betreft het aan [eiser 1] opgelegde verbod om na de ontruiming van de huurwoning aan de [adres 1] te [woonplaats] zich te begeven of aanwezig te zijn op een afstand van 200 meter ten opzichte van het gehuurde, alsmede contact op te (laten) nemen met bewoners die wonen in de directe omgeving op een afstand van 500 meter ten opzichte van de genoemde huurwoning, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per keer tot een maximum van € 5.000,-.

3.2.

Aan bovenstaande vordering hebben [eisers] – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Kort na het tegen het vonnis van de kantonrechter ingestelde hoger beroep, dus na 28 juli 2020, heeft [eiser 1] een affectieve relatie gekregen met één van zijn getuigen, mevrouw. [naam] (hierna: [naam] ). [eiser 1] zal, met zijn drie zoontjes, die in het weekend bij hem zijn, met [naam] in haar woning samen wonen. In feite woont hij nu al het merendeel van de tijd bij [naam] .

Het bij vonnis van 27 juli 2020 opgelegde en bij vonnis van 13 augustus 2020 uitvoerbaar bij voorraad verklaarde contact- en gebiedsverbod belet [eiser 1] echter om uitvoering te geven aan deze (samenwoon-) plannen, omdat [naam] woont aan het adres [adres 2] te [woonplaats] . Deze woning bevindt zich binnen een straal van 500 meter van de woning die [eiser 1] huurt van Stichting Woonpartners.

Afgezien van het feit dat de kantonrechter in beginsel niet bevoegd is om een contact-gebiedsverbod uit te spreken, maakt het contact- en gebiedsverbod een onevenredige inbreuk op de grondrechten van bewegingsvrijheid en vrijheid van meningsuiting van [eiser 1] . [eiser 1] wordt verhinderd om bij zijn nieuwe vriendin te verblijven. Dit terwijl hij en [naam] van plan zijn zich officieel te laten registreren als partners zodat van rechtswege medehuurderschap zal ontstaan.

Het naar aanleiding van de incidentele vordering opgelegde contact- en gebiedsverbod moet een ordemaatregel zijn en mag geen sanctie zijn voor het gedrag dat [eiser 1] heeft vertoond. Bovendien is de situatie die tot het opleggen van dit verbod heeft geleid, ontstaan uit een ernstig meningsverschil met de bewoners van de woning naast de door [eiser 1] gehuurde woning. Met andere bewoners uit de buurt had/heeft [eiser 1] geen probleem.

Indien Stichting Woonpartners het vonnis van 27 juli 2020 ten uitvoer legt leidt dit tot een noodtoestand aan de zijde van [eiser 1] . Hij heeft de huur van zijn eigen woning per 24 augustus 2020 immers opgezegd en toegezegd dat hij de woning voor 10 september 2020 zal verlaten. Als hij niet bij zijn vriendin in de buurt in kan trekken betekent dit dat hij met zijn kinderen op straat komt staan.

3.3.

Stichting Woonpartners voert verweer waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Naar aanleiding van het verzoek van mr. Poort voorafgaand aan de mondelinge behandeling in deze kort gedingprocedure, inhoudende de onderhavige procedure te voegen met de onder zaaknummer C/01/362375 / KG ZA 20-523 bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank aanhangige kort gedingprocedure tussen partijen Stichting Woonpartners en [naam] , heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de mondelinge behandeling van beide zaken op dezelfde dag en hetzelfde tijdstip (dinsdag 8 september 2020 te 14.00 uur) plaats zal vinden omdat deze zaken naar het oordeel van de voorzieningenrechter met elkaar samenhangen. De beslissing de zaken gelijktijdig te behandelen houdt uitdrukkelijk geen (formele) voeging van de zaken in als bedoeld in artikel 222 lid 1 Rv. Het betreft een kort gedingprocedure in twee op zichzelf staande zaken waarin namens de gedaagde en eisende partij weliswaar dezelfde advocaten optreden maar die op 8 september 2020 achtereenvolgens na elkaar bij de mondelinge behandeling zijn behandeld en in beide zaken zal ook afzonderlijk vonnis worden gewezen. In zoverre wordt de incidentele vordering tot voeging dus afgewezen met veroordeling van Stichting Woonpartners in de kosten van het incident, welke worden bepaald op nihil.

4.2.

De vorderingen van [eisers] zijn gericht tegen de executie van het tussenvonnis van de kantonrechter van 27 juli 2020 dat bij herstelvonnis van 13 augustus 2020 – voor wat betreft de toegewezen incidentele vorderingen – uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. De hoofdzaak in de procedure waarin op 27 juli 2020 tussenvonnis is gewezen is nog aanhangig en [eisers] hebben hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis.

4.3.

Op basis van jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026) geldt voor de beoordeling van een executiegeschil in kort geding tegen een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis waartegen een rechtsmiddel is ingesteld of nog open staat het volgende kader.

  1. Voorkomen moet worden dat het instellen van een rechtsmiddel wordt gebruikt als een middel om uitstel van executie te verkrijgen. Dat betekent dat als uitgangspunt geldt dat een dergelijke veroordeling hangende een hogere voorziening uitvoerbaar dient te zijn en zonder voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd.

  2. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd op grond van omstandigheden die met zich brengen dat het belang van de veroordeelde bij handhaving van de status quo c.q. zekerheidstelling hangende het hoger beroep ondanks dit uitgangspunt zwaarder weegt dan het belang van degene ten gunste waarvan de veroordeling strekte bij het kunnen tenuitvoerleggen (zonder zekerheidstelling)

  3. Indien echter uit de overwegingen van het vonnis à quo blijkt dat de rechter in het kader van zijn beslissing omtrent de uitvoerbaarverklaring bij voorraad deze belangenafweging reeds heeft gemaakt, dan is – tenzij deze beslissing op een kennelijke misslag berust – slechts plaats voor een andere beslissing indien daartoe door de veroordeelde feiten en omstandigheden worden aangedragen die de rechter in eerste aanleg bij zijn beoordeling niet in aanmerking heeft kunnen nemen omdat zij zich pas na zijn uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. Indien de uitvoerbaarverklaring bij voorraad door de vorige rechter niet is gemotiveerd hoeft de veroordeelde aan zijn vordering tot schorsing van de executie geen nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag te leggen.

  4. Bij dit alles dient de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing te blijven.

  5. Dit laatste laat onverlet dat de voorzieningenrechter de (verdere) executie kan verbieden in het geval het vonnis in eerste aanleg op een kennelijke feitelijke of juridische misslag berust en de voortzetting van de tenuitvoerlegging misbruik van recht zou opleveren.

4.4.

Toegepast op de onderhavige zaak staat dus voorop het uitgangspunt dat het tussenvonnis van de kantonrechter ten uitvoer kan worden gelegd, ondanks het daartegen ingestelde hoger beroep. Beoordeeld moet worden of het belang van [eiser 1] bij opschorting van de executie hangende de behandeling van zijn hoger beroep zwaarder moet wegen dan het belang van Stichting Woonpartners om de in haar voordeel gewezen veroordeling ten uitvoer te mogen leggen.

4.5.

De kantonrechter heeft in het herstelvonnis van 13 augustus 2020 overwogen dat in het dictum van het vonnis van 27 juli 2020 ten onrechte de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad niet is opgenomen omdat in de motivering van het vonnis geen gronden zijn gegeven voor afwijzing van de uitvoerbaarheid bij voorraad. Dit is bij herstelvonnis aangemerkt als een kennelijke fout zodat ervan uit mag worden gegaan dat de uitvoerbaarheid-verklaring – als onweersproken - zonder nadere overweging is toegewezen. In zoverre is dus sprake van een niet-gemotiveerde beslissing en is er – gelet op bovenstaand arrest van de Hoge Raad – ruimte om te beoordelen of in dit concrete geval sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat het belang van [eiser 1] bij schorsing van de executie zwaarder wegen dan de belangen van Stichting Woonpartners bij voortzetting daarvan. Dit kunnen ook feiten en omstandigheden zijn die zich tijdens de procedure bij de kantonrechter al voordeden.

4.6.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat van dergelijke feiten en omstandigheden die tot een belangenafweging in het voordeel van [eiser 1] zouden moeten leiden, geen sprake is.

[eiser 1] heeft erop gewezen dat hij verliefd is geworden op [naam] die binnen een straal van 500 meter van de huurwoning woont die hij moet ontruimen en dat voor dat gebied het door de kantonrechter uitgesproken contact-en gebiedsverbod geldt. Hij wordt hierdoor te ernstig beperkt in zijn vrijheid en heeft daarom belang bij schorsing van deze veroordeling.

Daar tegenover staan de belangen van Stichting Woonpartners om de veroordeling ten uitvoer te kunnen leggen.

Dat [eiser 1] sinds ongeveer 1,5 maand een relatie heeft met [naam] met wie hij nu wenst samen te wonen, of, zo lijkt te volgen uit zijn stellingen, met wie hij reeds samen woont is geen feit dat de executie van het tussenvonnis in de weg dient te staan. De kantonrechter had namelijk naar overtuiging van de voorzieningenrechter, ook indien deze relatie ten tijde van het wijzen van het tussenvonnis aan hem bekend was geweest, geoordeeld dat het aanhoudende overlast veroorzakende en intimiderende gedrag van [eiser 1] – in het belang van Stichting Woonpartners die als verhuurder verantwoordelijk is voor het verschaffen van rustig woongenot aan haar andere huurders, onder wie de bewoners in de straat waar de huurwoning van [eiser 1] is gelegen – reden was het contact-en gebiedsverbod op te leggen.

4.7.

Verder is de omstandigheid dat [eiser 1] als hij de door hem gehuurde woning op 10 september 2020 ontruimt terwijl het gebiedsverbod van kracht is, geen alternatieve woonruimte heeft, omdat het hem niet is toegestaan bij [naam] te gaan wonen, op zichzelf onvoldoende om een noodtoestand aan te nemen. Met het uitspreken van de veroordeling tot ontruiming (die [eiser 1] thans kennelijk vrijwillig ten uitvoer gaat leggen) heeft de kantonrechter reeds mee in overweging genomen dat dit ernstige gevolgen zal hebben voor [eiser 1] en voor de omgangs-/zorgregeling met zijn kinderen. De kantonrechter heeft overwogen dat [eiser 1] dit over zichzelf heeft afgeroepen.

4.8.

Dat het tussenvonnis een kennelijke feitelijke of juridische misslag bevat waardoor sprake is van misbruik van executie, is voorts niet gebleken.

Ten aanzien van de stelling van mr. Janssen dat de kantonrechter met het uitspreken van de betreffende veroordeling buiten zijn bevoegdheid is getreden waardoor het vonnis berust op een juridische misslag, overweegt de voorzieningenrechter dat sprake is van samenhangende vorderingen als bedoeld in artikel 94 lid 2 Rv. De kantonrechter heeft conform dit artikel ten aanzien van alle voorliggende vorderingen geoordeeld en beslist.

Bovendien zou het executeren van het contact-en straatverbod, ook in het geval zou moeten worden geoordeeld dat de kantonrechter niet bevoegd was tot het uitspreken van dit verbod, naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen misbruik van executierecht opleveren omdat de kantonrechter in zijn vonnis duidelijk heeft toegelicht op basis van welke omstandigheden en overwegingen er aanleiding was dit verbod op te leggen. Gelet op de omstandigheden die tot de beslissing hebben geleid zou de vordering, ook indien deze aan de voorzieningenrechter was voorgelegd, zijn toegewezen.

4.9.

Mr. Janssen heeft verder nog aangevoerd dat het niet voor de hand ligt dat de kantonrechter in de hoofdzaak het door Stichting Woonpartners gevorderde contact- en gebiedsverbod nog zal toewijzen voor de periode na het vertrek van [eiser 1] uit de huurwoning. Van een ordemaatregel gedurende de procedure is geen sprake meer omdat de woning van [eiser 1] al ontruimd is en de huurovereenkomst opgezegd is.

Ook deze stelling treft geen doel. De procedure in de hoofdzaak is nog aanhangig en het incidentele tussenvonnis is nog van kracht. De kantonrechter zal nog oordelen over de in de hoofdzaak ingestelde vorderingen waaronder ook een contact- en gebiedsverbod.

4.10.

De overige door [eisers] tegen het verbod geuite bezwaren – zoals dat de overlastklachten waarop het verbod is gebaseerd maar van twee omwonenden afkomstig zijn, en dat hij een stuk rustiger is geworden en geen overlast meer veroorzaakt – betreffen argumenten die in de door [eisers] aanhangig gemaakte hoger beroepsprocedure, dan wel bij de behandeling van de hoofdzaak in de procedure bij de kantonrechter aan de orde kunnen worden gesteld. Deze argumenten dienen in het kader van een executiegeschil buiten beschouwing te blijven.

4.11.

Bovenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat de vorderingen van [eisers] dienen te worden afgewezen omdat voor schorsing van het in het tussenvonnis van de kantonrechter van 27 juli 2020 en het herstelvonnis van 13 augustus 2020 opgelegde contact- en verbiedsverbod geen aanleiding bestaat. Het staat Stichting Woonpartners dus vrij het tussenvonnis te executeren.

4.12.

[eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Stichting Woonpartners worden begroot op:

- griffierecht € 605,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.585,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in het incident:

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eisers] begroot op nihil,

in de hoofdzaak:

5.3.

wijst de vorderingen af,

5.4.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van Stichting Woonpartners tot op heden begroot op € 1.585,00,

5.5.

veroordeelt [eisers] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2020.