Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4372

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
360758 KG ZA 20-430
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering ontruiming huurwoning in kort geding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/360758 / KG ZA 20-430

Vonnis in kort geding van 10 september 2020

in de zaak van

de stichting

WOONBEDRIJF SWS.HHVL,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

advocaat mr. F.P.G.F. de Moel te Eindhoven,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.H.A. De Koning te Schijndel.

Partijen zullen hierna Woonbedrijf en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 18 augustus 2020 met 16 producties

  • -

    de brief van mr. de Moel van 27 augustus 2020 met aanvullende producties 17 en 18

  • -

    de brief van mr. De Koning van 28 augustus 2020 met producties 1 tot en met 13

  • -

    de mondelinge behandeling via een skype verbinding op 31 augustus 2020

  • -

    de pleitnota van Woonbedrijf

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Woonbedrijf verhuurt vanaf 15 augustus 2017 aan [gedaagde] de woning aan de [straat] te [woonplaats 2] (hierna: de woning).

2.2.

Op 19 maart 2020 heeft de politie in de berging behorende bij de woning 64 sealverpakkingen met daarin per stuk 264 gram hennepgruis aangetroffen. De politie heeft van deze inval op 10 april 2020 een rapportage opgemaakt (productie 4 bij de dagvaarding).

2.3.

Bij brief van 20 april 2020 heeft Woonbedrijf [gedaagde] medegedeeld dat de door de politie aangetroffen handelshoeveelheid hennep voor haar aanleiding is om de huurovereenkomst te beëindigen en [gedaagde] uit de woning te ontruimen. Woonbedrijf heeft [gedaagde] gesommeerd om de huurovereenkomst binnen één week vrijwillig op te zeggen.

2.4.

[gedaagde] heeft de huurovereenkomst niet vrijwillig opgezegd.

2.5.

Bij brief van 23 april 2020 (productie 7 bij de dagvaarding) heeft de heer [schoonzoon gedaagde] (hierna: [schoonzoon gedaagde] ), de schoonzoon van [gedaagde] , gereageerd op de sommatie van Woonbedrijf. Hij geeft in zijn reactie aan dat de aangetroffen hennep, een legaal soort vezelhennep betreft, waar CBD olie van wordt gemaakt. [schoonzoon gedaagde] runt samen met zijn partner, de dochter van [gedaagde] , [dochter gedaagde] , een online supplementenbedrijf, waar zij onder andere kurkumatabletten, probiotica en CBD olie verkopen.

2.6.

In de gemeentelijke basisadministratie staat de zoon van [gedaagde] , [zoon gedaagde] , ingeschreven op het adres van de woning.

2.7.

Woonbedrijf heeft aangekondigd op 2 september 2020 de bodemprocedure jegens [gedaagde] aanhangig te maken, waarin zij de ontbinding en ontruiming van de woning zal vorderen.

3 Het geschil

3.1.

Woonbedrijf vordert samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

  1. [gedaagde] te veroordelen de woning binnen 7 dagen na betekening van het vonnis leeg en bezemschoon te ontruimen, met afgifte van de ter beschikking gestelde sleutels aan Woonbedrijf,

  2. [gedaagde] te veroordelen tot tijdige voldoening van de verschuldigde huurtermijnen ad € 590,17 per maand, vanaf 1 augustus 2020 tot aan de dag van ontruiming van de woning, dan wel de dag van beëindiging van de huurovereenkomst, bij vooruitbetaling vóór de eerste van iedere maand, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

  3. veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2.

Hieraan legt Woonbedrijf het volgende ten grondslag. Woonbedrijf vordert ontruiming van de woning op grond van de bevindingen van de politie tijdens de inval op 19 maart 2020. Gelet op de aanwezigheid van de aangetroffen hennep in de woning, is sprake van ernstige tekortkomingen in de nakoming van de verplichtingen van [gedaagde] uit de huurovereenkomst en de Algemene Huurvoorwaarden. Woonbedrijf hanteert een zero tolerance beleid ten aanzien van de aanwezigheid van softdrugs, attributen en druggerelateerde activiteiten die volgens de Opiumwet zijn verboden. Woonbedrijf heeft er groot belang bij dat zij dat beleid kan handhaven. In dit soort gevallen voert Woonbedrijf een beleid inhoudende dat zij ontruiming van de woonruimte vordert indien de huurder niet bereid is zelf vrijwillig het gehuurde te ontruimen. Woonbedrijf heeft een spoedeisend belang bij ontruiming van de woning, nu het een feit van algemene bekendheid is dat een illegale handel in hennep leidt tot mogelijke gevaar zettende situaties vanuit het criminele circuit. Verder heeft Woonbedrijf aangevoerd dat [gedaagde] stelselmatig in verzuim is ten aanzien van het tijdig betalen van de huur, dat hij zonder toestemming van Woonbedrijf zijn zoon heeft ingeschreven op het adres van de woning, dat hij de woning niet uitsluitend als woonruimte heeft gebruikt en de woning in gebruik heeft gegeven aan derden.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. De door de politie in de woning aangetroffen hennep betreft legale vezelhennep, zonder de werkzame stof THC. De gevonden vezelhennep behoort niet toe aan [gedaagde] , maar aan zijn dochter, [dochter gedaagde] ( [dochter gedaagde] ) en schoonzoon [schoonzoon gedaagde] ( [schoonzoon gedaagde] ). Zij drijven de onderneming “Leef Bewust Nederland” en zijn gespecialiseerd in holistische gezondheid, de psyche & voeding. [schoonzoon gedaagde] en [dochter gedaagde] hebben de vezelhennep besteld bij de Nederlandse webshop [A] ten behoeve van hun onderneming. Zij beschikken over aankoopbonnen en certificaten waaruit blijkt dat er geen sprake is van illegale hennep. De vezelhennep is begin januari 2020 bij [gedaagde] bezorgd aangezien [dochter gedaagde] en [schoonzoon gedaagde] op dat moment in het buitenland verbleven. Van het verhandelen, kweken, of gebruiken van hennep is dus helemaal geen sprake. Er bestaat dan ook geen grond voor ontruiming van de woning wegens een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. Voorts stelt [gedaagde] dat hij met Woonbedrijf de mondelinge afspraak heeft gemaakt dat hij de huur mag betalen zodra hij zijn uitkering heeft ontvangen. Woonbedrijf heeft er nooit eerder een probleem van gemaakt dat [gedaagde] de huur steeds een aantal dagen te laat betaalt. Ook was [gedaagde] er niet van op de hoogte dat hij Woonbedrijf toestemming moest vragen om zijn zoon in te schrijven op het adres van de woning. Hij woont gewoon zelf in de woning.

Bij dit alles komt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Het tijdsverloop is veel te groot: de inval van de politie, die kennelijk voor Woonbedrijf de aanleiding was om tot ontruiming van de woning over te gaan, vond plaats in maart 2020 en eerst op 23 juli 2020 heeft Woonbedrijf de dagvaarding in concept aan [gedaagde] toegestuurd. Woonbedrijf had in de tussentijd ook een bodemzaak kunnen beginnen.

4 De beoordeling

4.1.

In dit kort geding moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek, beoordeeld worden of de vorderingen van Woonbedrijf in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de vorderingen reeds nu gerechtvaardigd is. In het bijzonder zal beoordeeld moeten worden of [gedaagde] gedwongen kan worden de woning thans op korte termijn te ontruimen. Daarbij dient, zoals het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch onder meer heeft overwogen in zijn arrest van 3 juni 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:1645) zwaar te wegen dat een veroordeling tot ontruiming bij wijze van voorlopige voorziening veelal een definitief karakter zal hebben en aldus diep ingrijpt in het woonbelang van de huurder. Terughoudendheid van de kort gedingrechter bij de beoordeling van de vraag of een ontruiming bij wijze van voorlopige voorziening gerechtvaardigd is, is dan ook geboden. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.2.

Met [gedaagde] is de voorzieningenrechter van oordeel dat de aangevoerde feiten terzake de gestelde tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst niet kunnen leiden tot een veroordeling tot ontruiming in dit kort geding. Niet in geschil is dat de vondst van 64 sealverpakkingen hennepgruis voor Woonbedrijf de aanleiding is geweest de huurovereenkomst met [gedaagde] te beëindigen en tevens ontruiming van de woning te vorderen. [gedaagde] heeft echter gemotiveerd weersproken dat sprake is van illegaal hennep bezit. Hij stelt zich op het standpunt dat sprake is van legale vezelhennep, zonder de werkzame stof THC, bestemd voor de onderneming van zijn dochter en schoonzoon. Woonbedrijf heeft ter onderbouwing van haar stelling dat wel degelijk sprake is van een handelshoeveelheid illegale hennep verwezen naar het hennepbericht van politie van 10 april 2020. Uit dit proces-verbaal kan echter slechts worden afgeleid dat er hennepgruis in de woning is aangetroffen, niet welke samenstelling de hennep had. Tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] bieden ook de verklaringen van de hoofdagent, de heer [naam 1] en de heer [naam 2] , coördinator hennep van de politie, als weergegeven onder punt 16 van de pleitnota van Woonbedrijf, te weinig aanknopingspunten om de stelling van [gedaagde] dat sprake is van legale hennep zonder de werkzame stof THC te weerleggen. Het verweer van [gedaagde] leidt er dan ook toe dat er thans in rechte niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan criminele handelsactiviteiten vanuit de woning. Naar de vraag of [gedaagde] zodanig tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst dat ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is, is een nader onderzoek naar de feiten nodig waarvoor dit kort geding zich naar zijn aard niet leent.

4.3.

Onder deze omstandigheden is niet zodanig aannemelijk dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd is, dat vooruitlopend daarop de vordering tot ontruiming dient te worden toegewezen. Dat Woonbedrijf een spoedeisend belang heeft bij ontruiming van de woning (omdat er sprake zou zijn van bedrijfsmatige illegale handel in hennep) is daarmee evenmin aannemelijk geworden. Dit volgt ook reeds uit het handelen van Woonbedrijf zelf, nu de inval van de politie heeft plaatsgevonden op 19 maart 2020 en Woonbedrijf eerst op 23 juli 2020 de dagvaarding in concept aan [gedaagde] heeft toegestuurd. Woonbedrijf heeft weliswaar nog aangevoerd dat [gedaagde] zonder toestemming van Woonbedrijf zijn zoon op het adres van de woning heeft ingeschreven, zelf niet in de woning woont en dat [gedaagde] structureel de huur van de woning te laat betaalt, maar dit alles kan, als al moet worden aangenomen dat deze omstandigheden ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen, niet leiden tot de conclusie dat de vordering tot ontruiming in kort geding moet worden toegewezen. Daarbij geldt dat bij Woonbedrijf al langer bekend was dat [gedaagde] de huur te laat betaalt en uit het dossier niet is gebleken van een actuele huurachterstand die ontbinding van de huurovereenkomst zou kunnen rechtvaardigen, laat staan een op die ontbinding anticiperende ontruiming.

4.4.

Het voorgaande betekent dat de vorderingen van Woonbedrijf zullen worden afgewezen. Woonbedrijf zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 304,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.284,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Woonbedrijf in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.284,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2020.