Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4365

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
18/1627
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA-zaak. Eiser ontvangt per 22 januari 2018 een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het UWV heeft deze uitkering aan eiser toegekend omdat hij eiser per die datum volledig en duurzaam arbeidsongeschikt vindt. Eiser is het niet eens met deze ingangsdatum en vindt dat hij per 28 september 2014 al volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en dat hij dus vanaf dat moment recht heeft op een IVA-uitkering. De rechtbank oordeelt dat het UWV gelijk heeft en eiser niet. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/1627

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.W. van de Wege),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: mr. W.J.C. Rademakers).

Samenvatting

Eiser ontvangt per 22 januari 2018 een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het UWV heeft deze uitkering aan eiser toegekend omdat hij eiser per die datum volledig en duurzaam arbeidsongeschikt vindt. Eiser is het niet eens met deze ingangsdatum en vindt dat hij per 28 september 2014 al volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en dat hij dus vanaf dat moment recht heeft op een IVA-uitkering. De rechtbank oordeelt dat het UWV gelijk heeft en eiser niet. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Procesverloop

Met het besluit van 14 november 2017 (het primaire besluit) heeft het UWV vastgesteld dat eiser per 15 januari 2018 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA.

Met het besluit van 26 juni 2018 (het bestreden besluit I) heeft het UWV het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Het UWV heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat de WIA-uitkering eindigt per 19 juli 2018.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft een nadere reactie ingediend en daarbij een deskundigenrapport overgelegd.

Het UWV heeft het besluit van 5 juni 2019 overgelegd waarbij eiser met ingang van 28 september 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend.

Met het besluit van 6 juni 2019 (het bestreden besluit II) heeft het UWV het bestreden besluit I gewijzigd in die zin dat aan eiser met ingang van 19 juli 2018 een IVA-uitkering wordt toegekend.

Eiser heeft een nadere reactie ingediend.

Met het besluit van 13 augustus 2019 (het bestreden besluit III) heeft het UWV het bestreden besluit I opnieuw gewijzigd in die zin dat aan eiser met ingang van 22 januari 2018 een IVA-uitkering wordt toegekend.

Eiser heeft een nadere reactie ingediend.

Het UWV heeft een nadere reactie ingediend.

De rechtbank heeft bij brief van 28 oktober 2019 de (ex-)werkgeefster van eiser, [naam] B.V., aangemerkt als derde-partij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Op 17 augustus 2020 heeft een nadere zitting plaatsgevonden. Eiser en het UWV zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

De feiten

1. De rechtbank merkt op dat in deze en een eerdere procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 20 mei 20201 diverse besluiten zijn genomen die telkens tot wijziging van de uitkeringsrechten van eiser tot gevolg hebben gehad. De rechtbank zal zich bij het vaststellen van de feiten beperken tot het benoemen van de actuele uitkeringsgegevens.

1.1.

Op 24 januari 2012 heeft eiser zich ziek gemeld wegens terugkerende rugklachten. Er wordt een rughernia vastgesteld waaraan eiser op 17 april 2013 is geopereerd. Op 27 september 2014 is de (als gevolg van een loonsanctie) verlengde wachttijd geëindigd. Met het besluit van 5 juni 2019 is aan eiser per einde wachttijd een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op basis van 100% arbeidsongeschiktheid voor de maximale wettelijke duur van 38 maanden tot 28 november 2017.

1.2.

In zijn uitspraak van 20 mei 2020 heeft de Raad geoordeeld dat het UWV terecht heeft geweigerd om eiser per einde wachttijd een IVA-uitkering toe te kennen, omdat eiser op dat moment weliswaar volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt was.

De (ex-)werkgeefster als derde-partij

2. De rechtbank kan op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een partij aanmerken als derde-partij zodat die aan de procedure deel kan nemen. Deze beslissing heeft een voorlopig karakter en de rechtbank kan daar op ieder moment, uiterlijk bij de uitspraak, op terugkomen. De rechtbank komt in deze zaak terug op de beslissing om de (ex-)werkgeefster als derde partij aan te merken en geeft daarvoor de volgende redenen. De (ex-)werkgeefster heeft niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank om als derde-partij te worden aangemerkt en heeft evenmin bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit of als derde-partij aan het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit deelgenomen.

De bestreden besluiten I en II

3. Het beroep is gericht tegen het bestreden besluit I. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is dit beroep ook gericht tegen de bestreden besluiten II en III, omdat het bestreden besluit I is gewijzigd door die besluiten.

4. De rechtbank zal het beroep voor zover dat is gericht tegen de bestreden besluit I en II niet-ontvankelijk verklaren. De reden daarvoor is dat eiser procesbelang moet hebben om een oordeel van de rechtbank te krijgen over de rechtmatigheid van een besluit. Van procesbelang is sprake als het oordeel van de rechtbank kan leiden tot de oplossing van het geschil. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener voor ogen staat door het instellen van het beroep moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis moet zijn. Gelet op de feiten en wat eiser heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat van die situatie geen sprake is voor zover het beroep zich richt tegen de bestreden besluiten I en II.

Het bestreden besluit III

5. Eiser is het niet eens met bestreden besluit III en stelt dat deskundige dr. J.P. ter Bruggen, neuroloog, in zijn medische expertise van 12 januari 2019 heeft geconcludeerd dat op 28 september 2014 al sprake was van een failed back surgery syndrome dat een neuropatisch pijnsyndroom veroorzaakte. De verzekeringsarts B&B heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij de conclusie van de deskundige niet overneemt. Ook heeft de verzekeringsarts B&B niet aangegeven welk resultaat van welke behandelingen voor eiser te verwachten is. Tijdens de zitting op 25 november 2019 stelt eiser stelt zich daarom op het standpunt dat hij per 28 september 2014 in aanmerking dient te komen voor een IVA-uitkering.

6. De verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) heeft in zijn rapport van 25 juli 2019 gemotiveerd dat per 22 januari 2018 sprake is van duurzaamheid van de beperkingen. Op die datum is vastgesteld dat sprake is van een failed back surgery syndrome. Vanaf dat moment is sprake van een eindtoestand met een chronisch pijnsyndroom, waarbij behandelingen niet meer ten doel hebben te genezen of te verbeteren maar om de klachten draaglijk te houden. Bij bestreden besluit III is eiser in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering per 22 januari 2018, omdat vanaf die datum volgens het UWV sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid van eiser.

7. In zijn rapport van 22 oktober 2019 motiveert de verzekeringsarts B&B aanvullend dat in de periode januari 2014 en 22 januari 2018 sprake was van behandelingen gericht op verbetering van de belastbaarheid. Pas op 22 januari 2018 zijn de feitelijke behandelmogelijkheden uitgeput en is er geen sprake meer van mogelijkheden voor herstel van de belastbaarheid. Vanaf die datum is er sprake van een stabiel beeld zonder behandelmogelijkheden en dus van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.

8. De rechtbank stelt voorop dat het UWV zijn besluit over de arbeidsongeschiktheid mag baseren op een rapport opgesteld door een verzekeringsarts (B&B). Dat kan anders zijn in het geval waarin de betrokkene aannemelijk maakt dat dit rapport niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, inconsequenties bevat of onvoldoende is gemotiveerd. De inhoudelijke medische beoordeling van de verzekeringsarts (B&B) kan worden aangevochten, maar niet door alleen maar te stellen dat deze niet klopt. Als eiser vindt dat hij meer beperkt is dan de verzekeringsarts (B&B) heeft aangenomen, moet hij dat standpunt dus onderbouwen, bijvoorbeeld met medische informatie.

8.1

Gelet op het bovenstaande, beoordeelt de rechtbank eerst of het onderzoek van het UWV voldoende zorgvuldig is. De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is en overweegt daartoe het volgende. De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en eiser gezien op het spreekuur van 21 september 2017. Er is een anamnese (inclusief dagverhaal) verricht en eiser is lichamelijk en psychisch onderzocht. In bezwaar heeft de verzekeringsarts B&B het dossier bestudeerd en eiser gezien op de hoorzittingen van 29 januari 2018 en 14 juni 2018. Informatie van de behandelende sector, waaronder de brieven van neurochirurg Verhagen van 22 januari 2018 en 19 september 2017 en de brief van anesthesioloog/pijnspecialist J.L. van de Minkelis van 9 juli 2015, zijn door de verzekeringsarts B&B kenbaar in zijn heroverweging betrokken. De verzekeringsarts B&B heeft in zijn rapport van 22 juni 2018 vastgesteld, dat de informatie van de behandelende sector geen nieuw licht werpt op de rugafwijkingen van eiser. In beroep heeft de verzekeringsarts B&B in zijn rapportages van 14 mei, 25 juli en 22 oktober 2019 een ander standpunt ingenomen. Hij verwijst hierbij naar het rapport van de door de Raad ingeschakelde deskundige dr. Ter Bruggen van 12 januari 2019 en naar de brief van neurochirurg Verhagen van 22 januari 2018 waarin is vastgesteld dat per die datum sprake is van een eindsituatie waarin de feitelijke behandelmogelijkheden zijn uitgeput en er geen sprake meer is van mogelijkheden voor herstel van de belastbaarheid.

8.2

Ook acht de rechtbank het verzekeringsgeneeskundige onderzoek voldoende consequent en overweegt daartoe het volgende. De rechtbank constateert dat de bevindingen van de verzekeringsarts B&B in zijn laatste rapportages op het eerste gezicht niet consistent lijken met zijn eerdere bevindingen in het rapport van 22 juni 2018, waarin onder verwijzing naar de brief van de pijnspecialist Minkelis van 9 juli 2015 is overwogen dat per die datum sprake is van een eindsituatie. De rechtbank is echter van oordeel dat de verzekeringsarts B&B afdoende heeft gemotiveerd waarom hij in de uitkomst van het onderzoek van dr. Ter Bruggen aanleiding heeft gezien om het standpunt ten aanzien van eisers belastbaarheid en de duurzaamheid daarvan te herzien. In zijn uitspraak van 20 mei 2020 heeft de Raad geoordeeld dat het UWV de uitkomsten van het onderzoek van dr. Ten Bruggen mocht gebruiken om een beslissing te nemen over het recht van eiser op een WIA-uitkering. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding anders te oordelen.

9. Dan komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vraag of het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser per 22 januari 2018 recht heeft op een IVA-uitkering.

9.1

De verzekeringsarts B&B heeft in beroep in zijn rapport van 25 juli 2019 overwogen dat uit het rapport van de door de Raad ingeschakelde deskundige blijkt dat eiser op 24 september 2014 kampt met beperkingen als gevolg van zijn rugklachten. Deze beperkingen zijn opgenomen in de Functionele mogelijkhedenlijst van juli 2018. Hij merkt daarbij op dat uit het rapport van de deskundige blijkt dat in juni-juli 2014 een expectatief beleid wordt gevoerd, omdat de klachten op dat moment niet meer hinderlijk aanwezig zijn. Vervolgens blijkt dat kennelijk nog altijd wordt gezocht naar mogelijkheden om de belastbaarheid te verbeteren. Immers, in oktober 2014 wordt aangegeven dat er geen chirurgische opties meer voorhanden zijn. Vervolgens vinden in 2014 en 2015 PRF-behandelingen plaats ter verlichting van de klachten en heeft nog een blokkade van de wortel plaatsgevonden. Vervolgens wordt in juni-augustus 2016 implantatie van een ESES (Epidurale Spinale Stimulatie) plaats. Deze dient er ook voor om de klachten te laten afnemen en de belastbaarheid te verhogen. De verzekeringsarts B&B maakt dit ook op uit de brief van anesthesioloog Minkelis van 9 juli 2015 waarin wordt opgemerkt dat niet verwacht mag worden dat de behandeling mensen volledig pijnvrij maakt en dat er altijd wel een restbeperking in functioneren zal blijven bestaan. Ook in de brief van neurochirurg Ardon van 5 januari 2016 staat dat er een reële kans is dat de klachten van cliënt met decompressie van L4-L5 zullen verbeteren. Later wordt in september 2017 een korset voorgeschreven met als doel vermindering van de klachten en verbetering van de belastbaarheid. Ten slotte volgt in januari 2018 de conclusie dat sprake is van een failed back surgery met insufficiënte ESES met rugklachten en doof gevoel van linkerbeen. Dit staat vermeld in de brief van neurochirurg Verhagen van 22 januari 2018.

9.2

De verzekeringsarts B&B concludeert dat dat het moment is waarop wordt vastgesteld dat alle behandelingen zijn mislukt en alle behandelmogelijkheden zijn uitgeput. Verbetering van de belastbaarheid is dan uitgesloten en valt ook in het eerstkomende jaar niet meer te verwachten. Er is ook geen redelijke of goede verwachting dat verbetering van de belastbaarheid zal optreden. Er is sprake van een eindsituatie met een chronisch pijnsyndroom. Het gebruik van cannaboïden naast SCS en inschakeling en begeleiding van het netwerk chronisch pijn kan zinvol zijn, maar hebben niet tot doel te genezen of verbeteren, maar om de klachten dragelijk te houden. Dit betekent dat vanaf 22 januari 2018 sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschikt en dat eiser vanaf dat moment recht heeft op een IVA-uitkering, aldus het UWV. De rechtbank volgt dit standpunt. Dat de deskundige overweegt in zijn rapport dat de beperkingen per augustus 2013, 28 september 2014 en 9 juli 2015 in essentie gelijk zijn maakt geen verschil. Het gaat om de verwachting of een behandeling herstel van de belastbaarheid kan bereiken. Uit de voorhanden informatie van behandelaas blijkt dat tot januari 2018 is gezocht naar behandelingen ter verbetering van de belastbaarheid en deze ook zijn ingezet. Pas bij brief van 22 januari 2018 is vastgesteld dat eiser is uitbehandeld qua verbetering van de belastbaarheid.

10. De rechtbank is van oordeel dat het UWV eiser op goede gronden niet eerder dan met ingang van 22 januari 2018 in aanmerking heeft gebracht voor een IVA-uitkering. Het beroep is daarom ongegrond voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit III.

Proceskosten en griffierecht

11. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt, omdat het UWV door middel van het bestreden besluit III (deels) aan de door eiser aangevoerde gronden tegemoet is gekomen.

12. De rechtbank ziet om diezelfde reden aanleiding het UWV te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.575,– (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, tweemaal 0,5 punt voor de gevraagde schriftelijke inlichtingen naar aanleiding van de bestreden besluiten II en III en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,– en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen de bestreden besluit I en II niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit III ongegrond;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 46,– aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.575,–.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C.W. Emmen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op

11 september 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 ECLI:NL:CRVB:2020:1122.