Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4354

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
01/879914-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schietpartij in Empel in augustus 2019.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van poging tot moord en poging tot doodslag omdat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte de schutter was.

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte een kogelpatroon voorhanden had.

Opgelegd wordt een geldboete van EUR 250,-.

De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering nu verdachte wordt vrijgesproken.

Beslissingen mbt in beslag genomen voorwerpen.

De vordering tot tenuitvoerlegging van 78 dagen gevangenisstraf wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879914-19
Parketnummer vordering: 10/651044-17

Datum uitspraak: 15 september 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1998] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 november 2019, 18 februari 2020, 28 april 2020, 25 juni 2020 en 1 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 oktober 2019.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 18 februari 2020 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 4 augustus 2019 te Empel, gemeente 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade

van het leven te beroven,

met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg

met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal, heeft geschoten op, althans in de richting van, een (rijdende) auto waarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] zich bevond(en) (en waarbij die [slachtoffer 1] is geraakt),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 04 augustus 2019 tot en met 06 augustus 2019 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland,

munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

een kogelpatroon (van het kaliber 9x19),

voorhanden heeft gehad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 10/651044-17 is aangebracht bij vordering van 29 november 2019. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te Rotterdam d.d. 2 maart 2018. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich in haar – op schrift gestelde – requisitoir op het standpunt dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Met betrekking tot feit 1 kan worden bewezen dat verdachte degene is die heeft geschoten en dat sprake van voorbedachte raad. Volgens de officier van justitie kan daarom het meermalen plegen van poging tot moord worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw pleit primair voor vrijspraak van feit 1. Niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de schutter was. De raadsvrouw heeft – op gronden als in haar pleitnota verwoord – aangevoerd dat de verklaringen van getuigen die verdachte aanwijzen als de schutter niet betrouwbaar zijn en dat overige bewijsmiddelen in het dossier niet doorslaggevend zijn voor het bewijs. Subsidiair betoogt de raadsvrouw dat er geen bewijs voor voorbedachte raad voorhanden is.

Ten aanzien van feit 2 stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Verdachte heeft dat feit erkend.

Het oordeel van de rechtbank.

T.a.v. feit 1:

Op 4 augustus 2019 omstreeks 21:33 uur heeft er op de [straat] te ’s-Hertogenbosch, naast de woning op [huisnummer 1] en ter hoogte van [sportcentrum] , een schietincident plaatsgevonden. Een persoon op een scooter schoot op een voorbijrijdende auto, een witte Kia Picanto, met daarin vier inzittenden, te weten [slachtoffer 1] . [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Inzittende [slachtoffer 1] is daarbij net onder zijn schouderblad geraakt door een kogel en heeft daarbij een klaplong opgelopen. De overige inzittenden zijn niet gewond geraakt bij het schietincident. De politie heeft in totaal 12 hulzen op de [straat] gevonden ter hoogte van [huisnummer 1] . Diverse getuigen hebben verklaard dat de bestuurder van de scooter een grijs vest met capuchon over zijn hoofd en een zwarte broek droeg.

Kort voor het schietincident, rond 21:00 uur dezelfde avond, vond er een ruzie plaats bij de woning van [slachtoffer 1] op het adres [adres 1] te ’s-Hertogenbosch. Op dat adres waren naast [slachtoffer 1] toen ook [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] aanwezig. De bestuurder van een [leasemaatschappij] -bus was op zoek naar [slachtoffer 2] en zij kregen buiten ruzie. Volgens getuigen zou de bestuurder van de bus hebben gezegd: “Ga je een mes trekken naar mij, ik kom dadelijk terug op een motor en/of ik maak je doods. Ik snij je keel door.” Ook zou die persoon hebben gezegd dat er Amsterdamse taferelen zouden volgen en dat hij terug zou komen op een scooter. De [leasemaatschappij] -bus is omstreeks 21:17 uur bij voornoemde woning weggereden. Vlak daarna zijn [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] ingestapt in een witte Kia Picanto en ook weggereden.

Omstreeks 21:30 uur hoorde [getuige 1] , die woont op het adres [adres 2] , een scooter aan komen rijden. Zij zag een man met een scooter voor haar woning staan die een vuurwapen vasthad en dat op haar richtte. Zij zag dat de man vervolgens naar de buren op [huisnummer 2] liep en hoorde dat er hard aan de deur bij de buren werd getrokken en daarna een klap. [getuige 1] hoorde de scooter wegrijden en zag daarna bij de buren een grote ster in de ruit. Zij heeft ook de ruzie bij [adres 1] eerder op de avond gehoord en daarbij de bestuurder van de [leasemaatschappij] -bus gezien. Zij heeft verklaard dat de jongen die terugkwam op een brommer een andere jongen was dan de jongen die in de bus stapte. De jongen die voor haar stond was wel stevig gebouwd en die jongen van de bus was heel mager. In een meervoudige fotoconfrontatie wijst [getuige 1] de foto van een andere persoon dan verdachte aan als degene die terugkwam op een brommer.

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij op 4 augustus 2019 de bestuurder van de [leasemaatschappij] -bus was en dat hij die avond inderdaad aan de deur is geweest bij de [adres 1] . Hij was daar voor [slachtoffer 2] om geld op te halen voor een bekende van hem en er ontstond een ruzie. Verdachte geeft aan dat er door hem mogelijk dreigende teksten zijn geroepen en dat het kan zijn dat hij heeft gezegd dat hij terug zou komen op een scooter. Verdachte ontkent dat hij iets gezegd heeft over Amsterdamse taferelen, dat hij later is teruggekomen op een scooter en dat hij degene is geweest die op de auto heeft geschoten. De bijnaam van verdachte is [alias] .

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de persoon op de scooter is geweest die heeft geschoten.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Aangever [slachtoffer 1] en aangever/getuige [slachtoffer 3] hebben bij de politie en de rechter-commissaris verklaard dat ‘ [alias] ’ bij het eerdere conflict op de [adres 1] de bestuurder was van de [leasemaatschappij] -bus en dat zij de schutter hebben herkend als diezelfde [alias] .

Twee dagen na het schietincident is door de politie een kogelpatroon aangetroffen in een broek van verdachte op de slaapkamer waar verdachte vaak verblijft bij zijn ouders. Tevens zijn schotresten aangetroffen in het Louis Vuittontasje dat verdachte bij zich had bij zijn aanhouding.

Deze bewijsmiddelen wijzen naar het oordeel van de rechtbank weliswaar in de richting van verdachte als de schutter op de scooter, maar de rechtbank is er om de hiernavolgende redenen niet van overtuigd dat verdachte de schutter was.

De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] met betrekking tot de herkenning van [alias] als de schutter, van onvoldoende gewicht om daar in de kern de bewezenverklaring op te doen steunen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] hebben de persoon op de scooter slechts heel korte tijd gezien vanuit een (rijdende) auto. [slachtoffer 1] zat rechts achterin en [slachtoffer 3] links achterin, hetgeen het zicht moet hebben bemoeilijkt. [slachtoffer 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij, toen hij de schutter zag, gelijk zijn gezicht beschermde. Hij zag de schutter het eerst op het moment dat hij schoot en dook daarna weg. [slachtoffer 3] verklaarde bij de rechter-commissaris dat hij bleef kijken tot het moment van schieten. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij niet ging kijken naar de schutter terwijl hij op hen schoot en dat hij gelijk heeft gedoken. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij [alias] een paar dagen voor het schietincident voor het eerst heeft gezien bij hem aan de deur en dat [alias] toen kort met [slachtoffer 2] heeft gesproken. [slachtoffer 3] had verdachte nooit eerder gezien voor die avond op 4 augustus 2019 en alleen op afstand tijdens de ruzie voor de woning van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 3] heeft bij de rechter-commissaris stellig verklaard dat de schutter een helm op had, terwijl hij bij de politie meermalen heeft verklaard over een capuchon. De getuigenverklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] bevatten teveel ongerijmdheden en zijn niet congruent en consistent met betrekking tot de vraag hoe of waaraan ze [alias] herkennen. Bovendien is niet uit te sluiten dat de waarnemingen van deze getuigen zijn gekleurd door het incident daarvoor met verdachte als bestuurder van de [leasemaatschappij] -bus op de [adres 1] .

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er op grond van het dossier twijfel om uit te gaan van het scenario dat de persoon die [getuige 1] bij haar woning aan de [adres 2] heeft bedreigd met een vuurwapen en de ruit van de woning aan de [huisnummer 2] heeft vernield, dezelfde is als de schutter op de scooter en dat die persoon verdachte was. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij gewicht toekent aan de verklaring van de onafhankelijke [getuige 1] die expliciet verklaard heeft dat de persoon die haar heeft bedreigd met een vuurwapen een andere persoon was dan degene die de bestuurder van de [leasemaatschappij] -bus was. Zij herkent verdachte ook niet tijdens een meervoudige fotoconfrontatie.

Daarbij komt dat het in dit scenario (verdachte was de schutter en heeft voorafgaand aan het schietincident [getuige 1] bedreigd en de ruit vernield) niet voor de hand ligt dat verdachte, die nog geen half uur tevoren bij de woning van [slachtoffer 1] ( [adres 1] ) was geweest, bij terugkomst op een motor/scooter zich tot twee keer toe zou hebben vergist in het huisnummer van de bedreiging ( [adres 2] ) en van de vernieling ( [huisnummer 2] ), terwijl hij een conflict had op [adres 1] . De rechtbank kan aan deze ongerijmdheid, tegen de achtergrond van de verklaring van [getuige 1] , wier verklaring aangaande het postuur van de scooterrijder, steun vindt in de verklaring van [getuige 2] , niet voorbij gaan. In het scenario dat de persoon die [getuige 1] bedreigde ook de schutter was, zou dat tot de conclusie leiden dat verdachte niet de schutter was.

Een ander scenario is dat de persoon die [getuige 1] bedreigde een andere persoon was dan de schutter. Bij repliek heeft de officier van justitie dat scenario open gelaten. Dat scenario zou echter impliceren dat er een tweede persoon in het spel was die kort na de ruzie met de bestuurder van de [leasemaatschappij] -bus ter plaatse komt, gewapend met een vuurwapen. Vanwege die implicatie leidt ook dat scenario tot twijfel over het daderschap van verdachte.

De overige bewijsmiddelen zijn volgens de rechtbank onvoldoende redengevend voor het bewijs dat verdachte de schutter was, ook niet in onderlinge samenhang bezien.

De bij hem aangetroffen kogelpatroon heeft dezelfde bodemstempel (merk, kaliber en productiejaar) als 10 van de 12 op de plaats delict aangetroffen hulzen. Dit is echter onvoldoende onderscheidend om bij te dragen aan het bewijs dat verdachte de schutter was.

Van de schotresten die zijn aangetroffen in het Louis Vuitton-tasje dat verdachte bij zich had ten tijde van zijn aanhouding, kan het NFI geen uitsluitsel geven dat die dezelfde bron van herkomst hebben als de aangetroffen hulzen. De enkele aanwezigheid van, niet naar dit schietincident te herleiden, schotresten in het Louis Vuitton-tasje hebben slechts beperkte bewijswaarde en maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.

De grijze hoodie en zwarte broeken die bij verdachte in de slaapkamer zijn aangetroffen zijn ook onvoldoende onderscheidend om bij te dragen aan het bewijs tegen verdachte.

Uit de onderzoeken naar de telefoongegevens van de telefoon van verdachte door de politie en KPN blijkt dat geen antwoord kan worden gegeven op de vraag of de telefoon van verdachte op 4 augustus 2019 om 21:35 uur op de [straat] te ’s-Hertogenbosch is geweest omdat er geen verbinding is gestart voor of kort na 21:35 uur ten tijde van het schietincident. Met de telefoon van verdachte is op 4 augustus 2019 een verbinding gestart om 21:22 uur en 21:43 uur middels het hetzelfde buur-basisstation van de plaats delict.

Hieruit kan alleen worden afgeleid dat de telefoon van verdachte in de buurt was, maar kan niet worden geconcludeerd waar de telefoon van verdachte zich bevond ten tijde van het schietincident. Volgens het OM leveren de gegevens van de telefoon van verdachte geen belastend, maar ook geen ontlastend bewijs op voor daderschap van verdachte.

De rechtbank is op grond van bovenstaande overwegingen van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de schutter was. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 1.

T.a.v. feit 2:

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt dat sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359 lid 3, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, terwijl namens de verdediging geen vrijspraak is bepleit.

De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring van dit feit hebben geleid:

- proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname, p. 31-321;

- proces-verbaal onderzoek wapen, p. 1-22;

- bekennende verklaring verdachte ter terechtzitting van 1 september 2020.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

2. op 06 augustus 2019 te 's-Hertogenbosch, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een kogelpatroon (van het kaliber 9x19), voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist, bij een vordering tot bewezenverklaring van feit 1 en 2, een gevangenisstraf van 15 jaar met aftrek van voorarrest.

Van de inbeslaggenomen voorwerpen kunnen de kleding en de schoenen worden teruggegeven aan verdachte en de scooter aan de rechthebbende. De hulzen/kogels, het Louis Vuitton-tasje en de ploertendoder dienen vernietigd te worden.

Daarnaast eist de officier van justitie de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling, te weten een gevangenisstraf van 78 dagen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw pleit, in geval de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde toch bewezen verklaart, voor het opleggen van een gevangenisstraf van ten hoogste 5 jaar op grond van de door haar aangehaalde jurisprudentie. De gevaarzetting is volgens haar beperkt gebleven. Het incident vond niet plaats op klaarlichte dag en ook niet in de stad of een woonwijk waar de bebouwing en andere inrichting dicht op elkaar zijn gelegen. Verder is in casu naar de achterkant van de auto geschoten waarbij slechts eenmaal, onder de ruithoogte is geraakt.

Daarnaast voert de raadsvrouw aan dat de eerdere veroordeling van verdachte met betrekking tot de Wet wapens en munitie een nepwapen betreft.

De vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling van 78 dagen gevangenisstraf dient te worden afgewezen, omdat tenuitvoerlegging niet in verhouding staat tot deze zaak. Wenselijker is dat de proeftijd blijft doorlopen.

Ten aanzien van het opleggen van een eventueel gebiedsverbod merkt de raadsvouw op dat de ouders van verdachte in [woonplaats] wonen en dat dat tevens een van de hoofdverblijfplaatsen van verdachte is.

De raadsvrouw heeft geen opmerkingen over de in beslag genomen voorwerpen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder zijn draagkracht.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een kogelpatroon, zijnde munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder voor een soortgelijk feit werd veroordeeld en verdachte het onderhavige strafbare feit heeft gepleegd tijdens de proeftijd van die eerdere veroordeling.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van feit 1. De rechtbank is van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij geheel dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat een lagere immateriële schadevergoeding dient te worden toegewezen en aansluiting gezocht moet worden bij de tweede uitspraak die bij de vordering van de benadeelde partij is gevoegd. De overige twee uitspraken die bij de vordering zijn gevoegd zijn niet vergelijkbaar met deze zaak.

Beoordeling. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien verdachte wordt vrijgesproken van het feit waar de vordering op ziet.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Beslag.De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen aan verdachte dan wel aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke een strafbaar feit is begaan en deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 10/651044-17.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De rechtbank zal, hoewel verdachte het strafbare feit heeft gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling, de gevorderde tenuitvoerlegging afwijzen omdat de rechtbank toewijzing van de vordering in dit geval niet opportuun acht.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 23, 24, 24c, 27, 36b, 36c;

Wet wapens en munitie art. 26, 55.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

T.a.v. feit 1: Verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

T.a.v. feit 2:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie; verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf en maatregel:

Geldboete van EUR 250,00 subsidiair 5 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank waardeert een in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte dag op EUR 50,--.

T.a.v. feit 1: Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.

T.a.v. de inbeslaggenomen voorwerpen:

Teruggave inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte, te weten: - kleding, nummers 1547524, 1547527, 1547532, en schoenen (Nike Air max), nummer 1543035; Teruggave inbeslaggenomen voorwerpen aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, te weten: - een scooter, Piaggio C44, nummer 1011954; Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: - de hulzen, nummers 1540056, 1540330, 1540339, 1540340, 1540342, 1540347, 1540348, 1540350, 1540351, 1540353, 1540513, 1540514, en een patroon, nummer 1540811;

- Louis Vuitton tas, nummer 1543139;

- ploertendoder, nummer 1540823.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling: Afwijzing van de vordering met parketnummer 10/651044-17 van de officier van justitie d.d. 21 november 2019.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. T. Kraniotis en mr. M.I. Fedorova, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E. de Dooij, griffier,

en is uitgesproken op 15 september 2020.

mr. M.I. Fedorova is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, districtsrecherche ’s-Hertogenbosch, met zakendossiernummer 2019162513, OB1R019093 Mohave, afgesloten d.d. 29 januari 2020, aantal pagina’s: 812.

2 Aanvullend proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, afdeling specialistische ondersteuning, team forensische opsporing, met registratienummer PL2100-2019161205-63, afgesloten d.d. 17 februari 2020, aantal pagina’s: 2 + fotobijlage.