Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4334

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
360225 KG ZA 20-386
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Is hier sprake van consumentenkoop en non-conformiteit die de ontbinding van de koopovereenkomst met betrekking tot een (sport)paard rechtvaardigt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/360225 / KG ZA 20-386

Vonnis in kort geding van 31 augustus 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. P. Bavelaar LLM. te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [woonplaats 2]

gedaagde,

advocaat mr. H.M.A. van den Boogaard te Uden.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 juli 2020 met 18 producties

  • -

    de brief van mr Van den Boogaard van 13 augustus 2020 met als bijlage de conclusie van antwoord in kort geding met 22 producties

  • -

    de door mr. Van den Boogaard per mail van 14 augustus 2020 nagezonden productie 23

  • -

    de door mr. Bavelaar bij e-mail van 17 augustus 2020 nagezonden productie 19

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser] .

1.2.

De mondelinge behandeling heeft in verband met de Covid-19 maatregelen op 17 augustus 2020 plaatsgevonden door middel van een verbinding via Skype.
[eiser] was in persoon aanwezig, bijgestaan door zijn advocaat. [gedaagde] was ter zitting vertegenwoordigd door haar bestuurder de heer [naam] en bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht en zijn over en weer in de gelegenheid gesteld op elkaars stellingen te reageren. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier aantekening gehouden.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is een (hippische) onderneming die zich onder meer toelegt op het fokken, houden en verhandelen van paarden.

2.2.

De [A] (hierna: [A] ) organiseert jaarlijks meerdere (internet)veilingen voor (veelbelovende) sportpaarden. De afstammings- en sportgegevens van de te veilen paarden worden via de website van [A] openbaar gemaakt. De te veilen paarden worden vóór de [A] -veiling door een door [A] aan te wijzen dierenarts onderzocht en het onderzoeksrapport wordt via de website van [A] gepubliceerd. Daarnaast worden op die website ook foto’s en video’s gepubliceerd van de te veilen paarden, zodat bieders en aspirant-kopers zich een beeld kunnen vormen van het te veilen paard. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om een paard waarvoor een aspirant-koper belangstelling heeft vóór de veiling te berijden.

2.3.

In mei 2020 heeft [gedaagde] haar 11-jarige hengst [X] te koop aangeboden via een (online) [A] -veiling. Kort voor de veiling is [X] klinisch en röntgenologisch onderzocht door [B] van dierenartsenpraktijk [naam dierenpraktijk] . De bevindingen van dit onderzoek zijn als productie 15 bij dagvaarding overgelegd en luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…) left front just below carpus small palpable swelling because of old tendon injury, no clinical remarks by now (…) The horse receives a normal medical risk (…)”.

2.4.

[eiser] heeft op de veiling het hoogste bod uitgebracht en daarmee [X] gekocht voor een bedrag van € 44.000,00, te vermeerderen met omzetbelasting en een aan [A] te betalen vergoeding ter zake de veilingkosten.

2.5.

[gedaagde] heeft [eiser] op 24 mei 2020 ter zake de aankoop van [X] gefactureerd voor een bedrag van € 49.280,00 (inclusief btw). [eiser] heeft deze factuur aan [A] voldaan, die op haar beurt nog moet afrekenen met [gedaagde] . De koopsom berust derhalve nog onder [A] .

2.6.

Daags voor de levering van het paard is [X] op verzoek van [gedaagde] nogmaals klinisch onderzocht, dit keer door [naam dierenarts 1] (dierenarts). De onderzoeksresultaten zijn als productie 14 bij dagvaarding overgelegd; uit de onderzoeksbevindingen blijkt dat [X] op het moment van dat onderzoek gezond was.

2.7.

Op 4 juni 2020 heeft levering van het paard plaatsgevonden doordat [eiser] [X] heeft opgehaald en vervoerd naar [naam stal] , waar [eiser] een box inclusief verzorging heeft gehuurd voor [X] .

2.8.

Op verzoek van [eiser] heeft [naam dierenarts 2] (dierenarts) op 12 juni 2020 [X] onderzocht in verband met door [eiser] tijdens het berijden van [X] daags na levering geconstateerde kreupelheid aan het linker voorbeen. De bevindingen van dit onderzoek zijn als productie 8 bij dagvaarding overgelegd en luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

“Clinical exam:

Inspection: swelling left front SDFT

Horse shows irregularity in gait left front limb on hard and soft circle.

(…)

According the anamnese the horse has been at the stable for less than a week. The view and exposure of the tendonfibers on ultrasound and the visible scar tissue in the tendon show clearly we are dealing with an older lesion which has been there for longer period of time.

Horse will not be able to compete with this lesion in near future. The estimate recovery time of suchs lesions is over a year to get horse back to work. High level showjumping is hard, if not impossible to combine with lesions like this (…)”.

2.9.

Bij brief van 16 juni 2020 (productie 9 bij dagvaarding) heeft [eiser] bij monde van zijn advocaat aan [gedaagde] meegedeeld dat de dierenarts bij [X] een ernstige peesblessure heeft geconstateerd die reeds vóór 24 mei 2020 – dus ten tijde van de levering – moet hebben bestaan. Omdat [X] een peesblessure heeft en daardoor kreupel is, bezit [X] niet de eigenschappen die [eiser] redelijkerwijs mocht verwachten. Vanwege het feit dat dit gebrek niet te repareren is, heeft [eiser] de koopovereenkomst (buitengerechtelijk) ontbonden. Daarbij heeft [eiser] er op gewezen dat sprake is van een consumentenkoop en heeft hij [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, waaronder ook vallen de kosten ter zake van [X] vanaf de datum van levering tot aan de datum waarop [gedaagde] [X] weer terugneemt. In deze brief wordt [gedaagde] tevens verzocht en gesommeerd om uiterlijk 19 juni 2020 een bedrag van € 55.242,88 (aankoopprijs vermeerderd met de commissie voor [A] ) aan [eiser] terug te betalen.

2.10.

[gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan de brief van 16 juni 2020.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij wege van voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. Primair: [gedaagde] te veroordelen om binnen drie werkdagen, te rekenen vanaf de datum waarop vonnis wordt gewezen, ervoor zorg te dragen dat op de derdengeldenrekening van Stichting Beheer Derdengelden [C] met IBAN [rekeningnummer] een bedrag is bijgeschreven van € 54.604,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf juni 2020, althans vanaf een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen datum;

2. Subsidiair: [gedaagde] te veroordelen om binnen drie werkdagen, te rekenen vanaf de datum waarop vonnis wordt gewezen, ervoor zorg te dragen dat op de derdengeldenrekening van Stichting Beheer Derdengelden [C] met IBAN [rekeningnummer] bij wijze van voorschot een bedrag is bijgeschreven van € 49.280,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf juni 2020, althans vanaf een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen datum;

3. Primair en subsidiair: [gedaagde] te veroordelen om binnen één werkdag, nadat aan de veroordeling tot betaling, zoals hiervoor is geëist, is voldaan, [X] op [naam stal] in ontvangst te nemen en voor eigen rekening en risico mee te nemen, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen dwangsom voor iedere dag, dat de termijn om [X] in ontvangst te nemen wordt overschreden;

alles met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiser] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij voorafgaand aan de koop van [X] op zoek was naar een gezond en talentvol paard, geschikt om daarmee op zeer hoog niveau te kunnen presteren. Op de veilingsite van [A] is [X] als goed en gezond springpaard aangeboden, hetgeen werd onderbouwd met video’s van een goed bewegende en goed springende [X] . Hoewel [eiser] ten tijde van de [A] -veiling wist dat [X] in november / december 2019 nog een blessure had gehad dat aanleiding gaf tot kreupelheid (welke blessure volgens de toenmalige dierenarts na een paar weken rust weer volledig zou zijn hersteld) stonden op die website ook röntgenfoto’s en het rapport van [D] van 11 mei 2020. Hieruit bleek dat [X] in het kader van een aankoopkeuring goed is bevonden. Omdat [D] verder geen klinische problemen voorzag, mocht [eiser] er dus vanuit gaan dat [X] inmiddels volledig was genezen en dat hij met de aankoop van [X] een goed en gezond springpaard zou verwerven. De beschikbare informatie, video’s en documenten hebben [eiser] er dan ook toe bewogen dit springpaard te kopen.

Kort na de levering van [X] is echter gebleken dat het paard kreupel liep en uit nader onderzoek, dat werd uitgevoerd door [E] , kwam naar voren dat [X] een ernstige beschadiging aan de pees links voor heeft, die volgens [E] reeds aanwezig moet zijn geweest voor de aankomst van [X] in [naam stal] . De geneestijd van een dergelijke beschadiging aan de pees bedraagt volgens [E] minimaal een jaar en dan is het ook nog eens zeer onwaarschijnlijk dat [X] na genezing kan deelnemen aan springwedstrijden op hoog niveau. Volgens [eiser] kan er derhalve geen enkele twijfel over bestaan dat [X] niet de eigenschappen heeft die [eiser] redelijkerwijs mocht verwachten bij de koop van een springpaard voor een bedrag van € 49.280,00. Om die reden heeft [eiser] de koopovereenkomst ontbonden bij schrijven van zijn advocaat van 16 juni 2020 op grond van non-conformiteit. [eiser] stelt verder dat er sprake is van consumentenkoop. Daarom dient te worden uitgegaan van het wettelijk bewijsvermoeden dat [X] al bij de aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde omdat het gebrek zich binnen 6 maanden heeft geopenbaard en is het aan de verkoper ( [gedaagde] ) om dit bewijsvermoeden te ontzenuwen.

Met betrekking tot het spoedeisend belang heeft [eiser] onder andere aangevoerd dat [X] nog steeds gestald staat in [naam stal] . [X] heeft niet alleen verzorging nodig, maar vanzelfsprekend dient ook de peesblessure te worden behandeld. De verzorging en het genezingstraject zijn niet alleen een zeer kostbare zaak, maar ook tijdrovend. [eiser] is tijdelijk naar Nederland gekomen om zich tijdens zijn studieonderbreking te bekwamen in de springsport en niet om een geblesseerd paard te verzorgen, terwijl hij – naast de aanzienlijke kosten – ook niet de verantwoordelijkheid van de verzorging en het genezingstraject van [X] wenst te dragen. Het kan alleen al om die reden niet van hem worden gevergd om [X] in afwachting van een uitspraak in de bodemprocedure op stal te houden en zorg te moeten dragen voor zijn welzijn, terwijl hij [X] al die tijd niet kan trainen, laat staan kan uitbrengen in de (top)sport.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1.

Omdat [eiser] in [land 1] woont en [gedaagde] is gevestigd in Nederland, heeft deze zaak een internationaal karakter. De voorzieningenrechter dient daarom eerst ambtshalve de vraag te beantwoorden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is bij de beoordeling van de vordering van [eiser] . De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen dient te worden beantwoord aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo II) die rechtstreeks verbindend en toepasselijk is in de lidstaten. Op grond van artikel 4 EEX-Vo II is [gedaagde] terecht voor de Nederlandse rechter opgeroepen. Aangezien [gedaagde] binnen dit arrondissement woonachtig is, is deze rechtbank bevoegd.

4.2.

Het onderhavige geschil vloeit voort uit een tussen partijen gesloten koopovereenkomst met betrekking tot een paard. Deze overeenkomst is gesloten in mei 2020. Het op de overeenkomst toepasselijke recht dient te worden bepaald aan de hand van de Rome I-Verordening. Dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt als bedoeld in artikel 3 van de Rome I-Verordening is niet gesteld of gebleken. Er is sprake van een overeenkomst als bedoeld in artikel 4 lid 1 aanhef en onder a) van de Rome I-Verordening, omdat de koopovereenkomst betrekking heeft op een roerende zaak als bedoeld in dat artikel. De koopovereenkomst wordt daarom in beginsel beheerst door het recht van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft. In zaken met internationale aspecten waarbij de vordering betrekking heeft op een koopovereenkomst is naar Nederlands recht het Weens Koopverdrag van toepassing, ook indien één van de contractspartijen woonachtig is in een land dat zich niet bij dat verdrag heeft aangesloten, zoals [land 1] . Aangezien artikel 2 sub b van het Weens Koopverdrag bepaalt dat het Verdrag niet van toepassing is op de koop op een openbare veiling en uit de op dit punt gelijkluidende stellingen van partijen volgt dat het paard gekocht is via een openbare (internet-)veiling mist het Verdrag in deze zaak toepassing en dient de vordering op basis van het (interne) Nederlands recht te worden beoordeeld.

Spoedeisend belang

4.3.

Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, vloeit het spoedeisend belang van het onderhavige kort geding in voldoende mate voort uit de stellingen van [eiser] die er immers toe strekken dat hij vanwege de ingeroepen buitengerechtelijke ontbinding recht heeft op nakoming van de uit die ontbinding voortvloeiende ongedaanmakingsverplichtingen te weten restitutie van de koopsom c.a. en afname van de geleverde zaak. In het licht van de toelichting van [eiser] omtrent zijn belang bij de nakoming van die verplichtingen hebben zijn vorderingen ter zake een voldoend spoedeisend karakter.

De beoordeling ten principale

4.4.

In dit kort geding moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten en de stukken die zij ter onderbouwing daarvan hebben aangedragen beoordeeld worden of de vordering van [eiser] – uitgaande van die feiten en stukken en zonder nadere bewijslevering, waarvoor de procedure in kort geding geen ruimte biedt - in een bodemprocedure zodanig aannemelijk is te achten dat het rechtens verantwoord en gezien het spoedeisend belang van eiser ook gerechtvaardigd is om daar bij de beoordeling van de gevraagde voorziening alvast op vooruit te lopen.

4.5.

[eiser] heeft gesteld dat het geleverde paard vanwege de kort na de levering geconstateerde kreupelheid niet aan de overeenkomst beantwoordt en beroept zich ter zake op het bepaalde in artikel 7:18 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW), stellende dat sprake is van een consumentenkoop op grond waarvan wordt vermoed dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoord indien – kort gezegd – het gebrek zich binnen 6 maanden na de levering manifesteert.

Consumentenkoop?

De eerste vraag die de voorzieningenrechter in dit verband dient te beantwoorden is of hier sprake is van consumentenkoop, zoals [eiser] heeft gesteld.

4.5.1.

Een consumentenkoop is een koop met betrekking tot een roerende zaak die wordt gesloten door een verkoper die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en een koper, natuurlijk persoon, die handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit, aldus artikel 7:5 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] bij de verkoop heeft gehandeld in het kader van de door [gedaagde] gedreven onderneming die zich blijkens de omschrijving in het handelsregister pleegt bezig te houden met – onder meer – de handel in sportpaarden. Vast staat eveneens dat de koopovereenkomst betrekking heeft op een roerende zaak.

Voor zijn stelling dat er sprake is van een consumentenkoop heeft [eiser] aangevoerd dat hij als consument moet worden aangemerkt, die [X] in het kader van zijn hobby, de paardenspringsport heeft aangekocht. Hij is een student, die weliswaar met veel succes aan (internationale) springwedstrijden deelneemt, maar hij drijft geen onderneming die handelt in springpaarden.

4.5.2.

De omstandigheid dat [eiser] geen onderneming drijft die zich bezig houdt met de handel in springpaarden betekent op zichzelf nog niet dat [eiser] daarmee kwalificeert als consument in de zin van artikel 7:5 lid 1 BW. Beoordeeld moet worden of [eiser] [X] heeft aangekocht voor doeleinden gelegen buiten zijn beroeps- of bedrijfsactiviteit. Deze maatstaf valt uiteen in twee onderdelen:

  1. draagt de uitoefening van de ruitersport door [eiser] een beroeps- of bedrijfsmatig karakter en

  2. zo ja: heeft de aankoop van [X] plaatsgevonden voor doeleinden buiten dat kader.

4.5.3.

ad a.

Als gesteld en erkend danwel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken kan omtrent de uitoefening van de ruitersport door [eiser] het volgende worden vastgesteld.

[eiser] (geboren [geboortedatum] ) is een fanatieke beoefenaar van de springpaardensport. Hij heeft enige tijd geleden zelfs zijn medicijnenstudie onderbroken om zich volledig te kunnen richten op de springruitersport. Hij verblijft thans in Nederland alwaar hij zich, zo stelt hij, met steun van zijn ouders (verder) bekwaamt in de springsport teneinde ervaring op te doen en deel te kunnen nemen aan springconcoursen op niveau. [eiser] doet dit in Nederland omdat dit land, zo stelt hij, de paardenspringsport op een (veel) hoger niveau wordt bedreven dan in zijn land van herkomst, [land 1] . [eiser] neemt, zo blijkt uit een door [gedaagde] overgelegd interview uit een internationaal paardensportmagazine, al zeker sedert 2017 met grote regelmaat deel aan internationale springconcoursen, onder meer in Europa maar ook in het Midden-Oosten, alwaar voor de winnaars veelal aanzienlijke prijzengelden zijn te winnen. Zo is [eiser] in de zomer van 2019 op een springconcours te [plaats 1] een (tweede) prijs gewonnen van € 10.040,- en eindigde hij in februari 2020 als eerste op een springconcours in [plaats 2] , hetgeen hem een prijs opleverde van € 41.250,-. In juli 2020 nog eindigde [eiser] als eerste op een springconcours in [plaats 3] respectievelijk als tweede op een springconcours te [plaats 4] Vóór de uitbraak van het Covid-19 virus in Europa heeft [eiser] nog deelgenomen aan een internationaal springconcours te [land 2] . [eiser] maakt verder deel uit van het ( [land 3] ) olympische team dat zich heeft gekwalificeerd voor deelname aan de olympische spelen van [plaats 5] . [eiser] beschikt zelf over meerdere springpaarden die door een vaste verzorger worden verzorgd. Hij berijdt daarnaast ook paarden van (internationale) springpaardenhouders. Tijdens de laatste vier door [eiser] gereden wedstrijden heeft hij zes paarden bereden. Uit een tweede door [gedaagde] overgelegd interview met [eiser] dat heeft plaatsgevonden na de olympische kwalificatie in oktober 2019 blijkt dat [eiser] meerdere sponsors heeft, waaronder [F] , [G] , [H] [I] . Uit het interview blijkt verder dat [eiser] ten tijde van het interview deel uitmaakt van de [J] en in dat verband bezig is om zich te kwalificeren voor deelname aan de World Cup Finals.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat op grond van hetgeen hiervoor is opgesomd omtrent de uitoefening van de paardensport door [eiser] de conclusie gerechtvaardigd is dat de uitoefening van de (spring-)paardensport door [eiser] een beroepsmatig karakter draagt en niet kan worden gezien als een vorm van vrijetijdsbesteding. [eiser] is fulltime bezig met zijn sport en heeft daartoe zelfs zijn studie onderbroken.

4.5.4.

ad b.

Vervolgens moet beoordeeld worden de vraag of de aankoop van [X] heeft plaatsgevonden in het kader van deze (beroepsmatige) uitoefening van de springruitersport. Die vraag heeft [eiser] zelf al positief beantwoord met zijn stelling dat hij [X] heeft aangekocht teneinde dit dier zelf als springruiter te kunnen gebruiken voor de (hogere) springsport. Ter zitting stelde de advocaat van [eiser] dat [X] zelfs was aangekocht met het oogmerk om met dit paard deel te nemen aan de olympische spelen in [plaats 5] .

4.5.5.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de aankoop van [X] door [eiser] niet kan worden aangemerkt als een consumentenkoop. Dit heeft tot gevolg dat [eiser] geen beroep toekomt op de specifiek voor consumentenkoop geschreven bepalingen van de kooptitel uit boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Dit heeft tot gevolg dat aan [eiser] in een eventueel te voeren bodemprocedure naar het zich laat aanzien geen beroep toekomt op het vermoeden van non-conformiteit, zoals bepaald in artikel 7:18 lid 2 BW en dat conform de regels van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de bewijslast ter zake de door [eiser] gestelde non-conformiteit op [eiser] rust.

Non-conformiteit?

4.6.

[eiser] heeft verder gesteld dat er sprake was van non-conformiteit in de zin van artikel 7:17 BW; [gedaagde] heeft deze stelling gemotiveerd betwist.

4.6.1.

Ten aanzien van de [eiser] gestelde non-conformiteit, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. [eiser] baseert zijn stelling dat er sprake is van een paard dat niet geschikt is voor het doel waarvoor het paard is aangeschaft (het op hoog niveau kunnen uitoefenen van de springsport) op het rapport van [E] . Volgens [eiser] blijkt uit dit rapport dat [X] een ernstige beschadiging aan de pees links voor heeft, die volgens [E] reeds aanwezig moet zijn geweest vóór de aankomst van [X] in [naam stal] . [eiser] wijst bovendien nog op het rapport van [naam dierenarts 1] van 14 november 2019, waaruit volgt dat [X] toen al een peesblessure had.

4.6.2.

[gedaagde] heeft deze stellingen gemotiveerd betwist. Zij heeft er allereerst op gewezen dat [X] ten behoeve van de veiling medisch is gekeurd door [D] en vervolgens nog – daags vóór de levering – door [naam dierenarts 1] . Beide dierenartsen hebben [X] goedgekeurd, althans er zijn door deze dierenartsen geen afwijkingen aan [X] gevonden die aan het gebruik van dit paard voor de springsport in de weg staan. Op grond van het voorgaande betwist [gedaagde] dan ook dat [X] een gebrek had tijdens de levering en dat hij daarvan heeft geweten en [eiser] daarover had moeten inlichten.

4.6.3.

De voorzieningenrechter wijst erop dat, gezien de niet op elkaar aansluitende verklaringen van de geraadpleegde dierenartsen in dit kort geding vooralsnog niet met voldoende mate van zekerheid valt vast te stellen of [X] ten tijde van de koop inderdaad (zoals [eiser] stelt) niet die eigenschappen bezat die noodzakelijk zijn voor het beoogde gebruik als springpaard. Er zijn zowel aanwijzingen dat het door [E] geconstateerde verband houdt met de al eerder vastgestelde en gedocumenteerde blessure c.q. ontsteking uit november/ december 2019, alsook aanwijzingen dat het paard indertijd slechts een lichte blessure had (die na drie weken lichte arbeid weer volledig zou zijn hersteld) en dat het paard daarna tot aan de levering niets mankeerde. Op dat laatste wijst met name de keuring van 11 mei 2020, alsook de keuring die op 3 juni 2020 nota bene door [naam dierenarts 1] is uitgevoerd, die vanwege zijn eerdere rapport van 14 november 2019 bekend mag worden verondersteld met de (medische) voorgeschiedenis van [X] . Gelet hierop kan voorshands niet worden aangenomen dat het paard [X] ten tijde van de levering behept was met een gebrek dat aan een normaal gebruik als springpaard in de weg stond. Om duidelijkheid te verkrijgen zal nader deskundigen- en (wellicht) getuigenbewijs nodig zijn, waarvoor in dit kort geding evenwel geen plaats is.

Dit betekent dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat [eiser] terecht en op juiste gronden buitengerechtelijk de ontbinding heeft ingeroepen van de met [gedaagde] gesloten koopovereenkomst. Dat betekent dat zijn op de uit die ingeroepen ontbinding voortspruitende vorderingen tot (een voorschot op) ongedaanmaking eveneens dient te stranden. Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd behoeft gezien het voorgaande geen bespreking meer nu dit niet tot een ander oordeel kan leidt.

4.7.

Al het voorgaande brengt mee dat de vorderingen van [eiser] afgewezen moeten worden.

4.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 2.042,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 3.022,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 3.022,00,

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Schoorlemmer en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2020.