Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4332

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
360685 KG ZA 20-425
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kort geding, overleggen stukken en geldvordering

Werknemer (eisende partij) van een B.V. houdt certificaten van aandelen in één van de B.V.’s in het concern waarvan ook de ‘werk-gevende’ B.V. deel uit maakt.

De werknemer vordert het overleggen van de dividendbesluiten van 2018 en 2019 tbv de aangifte inkomstenbelasting over deze jaren. De vordering wordt afgewezen wegens gebrek aan (spoedeisend) belang.

Een andere vordering betreft een geldvordering dan wel verrekening van een volgens eiser te ontvangen bedrag. Deze wordt afgewezen omdat de vordering onvoldoende aannemelijk is.

Tot slot de vordering tot het geven van een waardebepaling van de certificaten die eiser wil verkopen. Deze vordering wordt afgewezen omdat deze te vroeg is ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/360685 / KG ZA 20-425

Vonnis in kort geding van 8 september 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. L.P.M. van Erp te Oss,

tegen

1. de stichting

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [woonplaats 2] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] ,

gevestigd te [woonplaats 3] ,

gedaagden,

advocaat mr. J. Oerlemans te ‘s-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde 1] (gedaagde sub 1), [gedaagde 2] (gedaagde sub 2) dan wel [gedaagden] (gedaagden sub 1 en 2) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 augustus 2020 met 22 producties

  • -

    de conclusie van antwoord van 24 augustus 2020 met 13 producties

  • -

    de mondelinge behandeling die vanwege de maatregelen in verband met Covid-19 heeft plaats gevonden via Skype

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

  • -

    de pleitnota van [gedaagden] met twee bijlagen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is met ingang van 1 juni 2017 in dienst getreden van [A] (hierna: [A] ) in de functie van werkvoorbereider.

2.2.

[A] is onderdeel van het ‘ [X-concern] ’ dat is opgericht door ondernemer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [A] exploiteert een adviesbureau voor de organisatie van bouw- en grondwerken en is een dochter van [B] (hierna: [B] ). [B] houdt zich bezig met het aanleggen en monteren van kabel- en leidingwerken.

De bestuurder van [B] is [gedaagde 2] (gedaagde sub 2). [gedaagde 2] is tevens bestuurder van (gedaagde sub 1) [gedaagde 1] .

2.3.

Op 21 december 2018 heeft (eiser in deze kort gedingprocedure) [eiseres] een akte ‘Levering certificaten van aandelen’ ondertekend (productie 3 bij dagvaarding, hierna: leveringsakte). Hierbij zijn door [gedaagde 2] (verkoper) aan [eiseres] (als koper) certificaten van aandelen in het kapitaal van [B] geleverd.

Deze overeenkomst maakt deel uit van de participatieregeling van [B] waarbij drie certificaathouders, de heer [naam 2] , de heer [naam 3] en [eiseres] ieder 4,99 % (certificaten van) aandelen in het kapitaal van [B] houden. De verkoper van de certificaten, [gedaagde 2] , is houdster van 85,03% van de aandelen in het kapitaal van [B] .

2.4.

De aan de certificaten verbonden aandelen (in totaal 14,97%) worden gehouden door [gedaagde 1] .

Deze stichting heeft als doel: het verkrijgen van aandelen in het kapitaal van [B] tegen toekenning van certificaten van die aandelen; het beheren van de aandelen in het kapitaal van [B] en het uitoefenen van de financiële rechten verbonden aan die aandelen; het gebruikmaken van het vergaderrecht en het uitoefenen van alle andere rechten verbonden aan de voornoemde aandelen (zie akte [Y] , productie 3 bij dagvaarding).

2.5.

De [gedaagde 1] heeft de certificaten van de aandelen aan de drie participerende werknemers uitgegeven.

De bedoeling van het laten participeren van deze werknemers in [B] – onder wie [eiseres] – was om hen voor een langere tijd aan de onderneming te binden door hen mee te laten profiteren van de groei van de onderneming.

Omdat [naam 1] zelf de zeggenschap in de onderneming wilde behouden zijn aan de certificaten die aan de werknemers zijn uitgegeven geen vergaderrechten toegekend als bedoeld in artikel 2:227 lid 2 BW.

2.6.

De totale koopprijs voor de door [eiseres] verkregen certificaten bedroeg

€ 159.000,- waarvan [eiseres] € 20.000,- direct bij levering van de certificaten aan [gedaagde 2] heeft voldaan. Voor de resterende € 139.000,- hebben [eiseres] (als schuldenaar) en [gedaagde 2] (als schuldeiser) op 21 december 2018 een geldleningsovereenkomst gesloten (leningsakte, productie 6 bij dagvaarding).

2.7.

In de geldleningsovereenkomst is bepaald dat de geldlening (in beginsel) uiterlijk 30 juni 2023 geheel moet zijn afgelost. De aflossingen geschieden in vijf gelijke delen, voor het eerst op 30 juni 2019. De aflossingen geschieden in beginsel uit de netto-dividenduitkeringen die de schuldenaar ontvangt vanwege zijn certificaten van aandelen in het kapitaal van de vennootschap ( [B] , vrzr). Indien tijdens de looptijd van de lening niet wordt voldaan aan de aflossingsverplichting vanwege het niet-toereikend zijn van de netto-dividenduitkeringen leidt dit niet tot tussentijdse opeisbaarheid van de geldlening maar tot verlenging van de looptijd van de geldlening. De schuldenaar is 4% rente per jaar verschuldigd over de lening.

In de geldleningsovereenkomst is verder bepaald dat ter meerdere zekerheid voor de nakoming van de geldleningsovereenkomst ten behoeve van [gedaagde 2] op de aan [eiseres] verkochte certificaten van aandelen een pandrecht is gevestigd. Daartoe is op 21 december 2018 ten overstaan van de notaris een akte opgemaakt.

2.8.

In de hiervoor onder 2.3 genoemde leveringsakte zijn – voor zover van belang – de volgende bepalingen opgenomen:

‘(…)

ARTIKEL 5. GARANTIES – VRIJWARING – VERKLARINGEN

Verkoper garandeert aan Koper:

1. (…)

(…)

6. Koper heeft de Administratievoorwaarden en de statuten van het Administratiekantoor ( [gedaagde 1] , vrzr) en de statuten van de Verkoper ( [gedaagde 2] , vrzr) ontvangen. Koper heeft van de inhoud van die stukken kennisgenomen. Wat betreft de Statuten heeft Koper in het bijzonder kennisgenomen van de bepalingen over (i) het vergaderrecht en (ii) de bijzondere verplichtingen en eisen als bedoeld in artikel 2:192 lid 1 Burgerlijk Wetboek, die op grond van de statuten van het Administratiekantoor en/of de Administratievoorwaarden werking kunnen hebben in de relatie tussen het Administratiekantoor en een certificaathouder. (…)

(…)

8. (…)

ARTIKEL 6. OP TE LEGGEN BEPALINGEN

Koper is gehouden zich te onderwerpen aan hetgeen is bepaald op 27 juli 2017 getekend participatiereglement waarvan een kopie aan deze akte is gehecht.

(…)

(…)’

2.9.

Bij het Participatiereglement zijn – naast de certificaathouders – [gedaagde 2] , [B] en [gedaagde 1] partij. In het Participatiereglement (overgelegd bij productie 3 bij dagvaarding) is – voor zover in het kader van dit geschil van belang – het volgende opgenomen:

‘(…)

Artikel 3 – Aanbieden van Certificaten

1. Aanvulling op blokkeringsregeling

Het bepaalde in dit artikel 3 geldt als aanvulling op de blokkeringsregeling opgenomen in de Statuten (van [B] , vrzr).

2. Aanvullende aanbiedingsverplichting

Onverminderd het bepaalde in de Statuten is een Certificaathouder verplicht zijn Certificaten aan te bieden aan [gedaagde 2] dan wel een door haar nader aan te wijzen partij, als ten aanzien van die Certificaathouder zich het volgende voordoet:

a. (…)

(…)

c. het dienstverband tussen een Certificaathouder en de Vennootschap ( [B] , vrzr) of tussen een Certificaathouder en/of enige andere aan de Vennootschap gelieerde vennootschap wordt opgezegd of beëindigd;

(…)

3. De Certificaten gelden als aangeboden op het moment waarop zich een hiervoor omschreven situatie ten aanzien van een Partij voordoet.

(…)

Artikel 5 – Koopprijs; prijsbepaling/betaling/rente/geldlening

1. Prijsbepaling

De prijsbepaling voor alle overdrachten door een Certificaathouder, vindt plaats op de wijze vastgesteld in de volgende leden van dit artikel, indien en voor zover daarmee wordt afgeweken van het bepaalde daarover in de Statuten en/of de Administratievoorwaarden.

(…)

2. Good leaver en prijsbepaling

Indien de overdracht van Certificaten haar oorzaak vindt in:

- (…)

- het eenzijdig beëindigen door de Certificaathouder en de Vennootschap en/of enige andere aan de Vennootschap gelieerde vennootschap van het dienstverband als bedoeld in artikel 3 lid 2 sub c na een periode van vijf jaar;

- (…)

wordt de prijs voor de Certificaten vastgesteld conform de prijsbepaling die gehanteerd is bij de bepaling van de koopprijs van de Certificaten en zoals ook is afgestemd met de Belastingdienst, blijkens het schrijven dat aan deze akte wordt gehecht van 7 april 2017. (…)

Bad leaver

Indien de overdracht van Certificaten haar oorzaak vindt in het eenzijdig beëindigen door de Certificaathouder en de Vennootschap en/of enige andere aan de Vennootschap gelieerde vennootschap dienstverband als bedoeld in artikel 3 lid 2 sub c, wordt de prijs van de Certificaten vastgesteld:

- in de eerste vijf jaren na de aankoop van de Certificaten op een bedrag dat gelijk is aan de waardering op basis van de prijsbepaling die gehanteerd is bij de bepaling van de koopprijs van de Certificaten en zoals ook is afgestemd met de Belastingdienst, blijkens het schrijven dat aan deze akte wordt gehecht van 7 april 2017. (…) Met dien verstande dat de prijs gemaximeerd is op de initiële eigen inleg van de Certificaathouder plus de door de Certificaathouder reeds betaalde aflossingen op de financiering bij [gedaagde 2] plus de op dat moment openstaande financiering bij [gedaagde 2] ;

(…)

(…)

Artikel 6 – Dividendbeleid

Winstbestemming vindt plaats in overeenstemming met het bepaalde daarover in de Statuten, met dien verstande dat geen besluit tot dividenduitkering wordt genomen indien en voor zover de Vennootschap niet in haar eigen financieringsbehoefte kan voorzien en de liquiditeiten van de Vennootschap niet toereikend zijn. (…).

De Certificaathouders dienen de rente- en aflossingsverplichtingen van de door [gedaagde 2] aan hen verstrekte leningen te voldoen uit de dividenduitkeringen. De Vennootschap wordt bij deze onherroepelijk gemachtigd om bedoelde dividenduitkeringen over te maken aan [gedaagde 2] ter voldoening van rente en aflossing als hiervoor bedoeld.

(…)’

2.10.

Bij productie 3 bij dagvaarding is tevens overgelegd de akte ‘Statutenwijziging Besloten Vennootschap’ van 27 juli 2017, waarin de statuten van [B] , zoals die per die datum luiden, zijn opgenomen (hierna: de Statuten). In de Statuten staan – voor zover thans van belang – de volgende bepalingen:

‘(…)

HOOFDSTUK 6. OVERDRACHT EN OVERGANG VAN AANDELEN

Artikel 6.1 – (…)

(…)

Artikel 6.2 – Blokkeringsregeling; aanbiedingsregeling

1. aanbiedingsverplichting

a. Een aandeelhouder die aandelen wenst over te dragen (hierna te noemen ‘de

aanbieder’) moet de betreffende aandelen aanbieden aan zijn mede-aandeelhouders

(hierna te noemen: ‘de aanbiedingsverplichting’).

(…)

b. (…)

2. aanbod

a. Als aanbod geldt de schriftelijke mededeling van de aanbieder aan het bestuur van

zijn voornemen tot overdracht onder opgave van de aandelen die hij wenst over te dragen

en, indien bekend, de naam van degene(n) aan wie de aanbieder wenst over te dragen.

b. Binnen twee weken na ontvangst van deze mededeling brengt het bestuur het aanbod

en de inhoud daarvan schriftelijk ter kennis aan de overige aandeelhouders.

3. reflectietermijn

Iedere mede-aandeelhouder die een of meer van de aangeboden aandelen wenst te kopen

deelt dat binnen vier weken na ontvangst van de kennisgeving (hierna te noemen ‘de

reflectietermijn’) schriftelijk aan het bestuur mee onder opgave van het aantal aandelen

dat hij wenst te verkrijgen, bij gebreke waarvan zijn recht van voorkeur is vervallen.

4. voorkeursrecht en toewijzing

a. (…)

(…)

e. Als de mede-aandeelhouders niet op alle aangeboden aandelen reflecteren, is de

algemene vergadering bevoegd een of meer andere gegadigden voor de (overige)

aandelen aan te wijzen. (…) De aanwijzing van een of meer andere gegadigden moet

plaatsvinden binnen zes weken na het verstrijken van de reflectietermijn.

f. Het bestuur deelt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk acht weken na het verstrijken van

de reflectietermijn, schriftelijk aan de aanbieder en aan de overige aandeelhouders mee,

de namen van degenen aan wie de aangeboden aandelen zijn toegewezen en het aantal

aandelen, dat aan ieder van hen is toegewezen.

5. prijsbepaling

a. Partijen stellen in onderling overleg de prijs van de aangeboden aandelen vast. Komen

partijen niet binnen vier weken na de verzending van de mededeling van het bestuur

bedoeld in lid 4 onder f tot overeenstemming over de prijs, dan wordt de prijs vastgesteld

door drie deskundigen, van wie ten minste één een accountant moet zijn. (…)

(…)’

2.11.

Op 31 december 2018 heeft [B] € 700.000,- aan dividend uitgekeerd. [naam 1] heeft het bedrag waarop [eiseres] op basis van zijn belang in [B] aanspraak kan maken conform artikel 6 van het Participatiereglement verrekend met de openstaande lening.

2.12.

Bij e-mailbericht van 15 maart 2019 heeft [C] (hierna: [C] ), belastingadviseur van [naam 1] informatie verstrekt aan [eiseres] omtrent het doen van aangifte inkomstenbelasting - voor zover van belang – het volgende medegedeeld:

‘(…)

Vanaf 1 maart 2019 is het mogelijk om de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2018 in te dienen. In 2018 ben je gaan participeren in [B] Ultimo 2018 heeft een dividenduitkering plaats gevonden vanuit [B] aan haar aandeelhouders. Deze dividenduitkering dient te worden verwerkt in je aangifte inkomstenbelasting 2018. In dit kader ontvang je een korte invulinstructie.

1. (…)

(…)’

2.13.

In de eerste helft van 2019 heeft [eiseres] aan [A] aangegeven dat hij zijn carrière als zelfstandig ondernemer wenst voort te zetten en dat hij (dus) van plan is uit dienst te treden. Sinds die tijd loopt er een discussie tussen [eiseres] en [gedaagden] . over hoe de arbeidsovereenkomst en de participatieovereenkomst te beëindigen. Tot op heden is [eiseres] nog werkzaam bij [A] .

2.14.

Bij e-mailbericht van 30 maart 2020 heeft [C] een invulinstructie aan [eiseres] gestuurd voor het opgeven van de waarde van de aandelenparticipatie in [B] en de daarmee samenhangende schuld ten behoeve van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2019.

In het emailbericht verwijst [C] naar de daarbij gevoegde bijlage met het verloop van de financiering.

2.15.

[eiseres] heeft bij emailbericht van 2 april 2020 gereageerd op het bericht van [C] met – voor zover van belang – de volgende inhoud:

‘(…)

(…) De invoermethode voor de IB is duidelijk, echter heb ik nog een tweetal vragen over het verloop van de financiering.

In het tabblad ‘AM 2018’ is in 2018 voorlopig dividend uitgekeerd op 31-12-2018. Daarvan is een bedrag van € 29.691,- op de lening van € 139.000,- in mindering gebracht.

(…)

Echter, het definitieve dividend van 2018 is niet verrekend in tabblad ‘AM 2018’ en vraag ik me af of deze berekening dan wel klopt ? (…)

Daarnaast de vraag of er in 2019 ook dividend is uitgekeerd? Vorig jaar heb ik dat ook moeten invullen in de aangifte IB van 2018. Dit kan ik niet terug zien in het verloop van de financiering.

(…)’

2.16.

Per e-mail bericht van 3 april 2020 reageert [C] als volgt:

‘(…)

De financiering sluit aan bij het daadwerkelijk in het jaar uitgekeerde dividend. Het in 2018 uitkeerde dividend is dus in mindering gebracht op de financiering. In het boekjaar 2019 is geen dividend uitgekeerd door [B] De financiering bedraagt derhalve € 109.462 op 1 januari 2019 en € 113.828 op 31 december 2019.

Met dit overzicht kun je derhalve je aangifte (tijdig) afronden.

(…)’

2.17.

In het boekjaar 2019 heeft [B] geen dividend vastgesteld en uitgekeerd. De uitkering van de winst van [B] over 2019 in de vorm van dividend heeft op 25 maart 2020 plaats gevonden. Op die datum is in totaal € 802.897,00 aan dividend uitgekeerd. Het (netto)bedrag waarop [eiseres] uit hoofde van zijn belangen bij [B] aanspraak maakt is in mindering gebracht op de lening.

2.18.

Op 1 juli 2020 heeft [eiseres] zijn certificaten aangeboden aan de certificaathouders en aan [gedaagden] .

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling een deel van de vordering zoals die in het petitum van de dagvaarding is weergegeven ingetrokken en vordert thans samengevat - [gedaagden] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis:

1. Primair: de definitieve dividendbesluiten van 2018 en 2019 te overleggen,

Subsidiair: de dividendbesluiten over 2018 en 2019 alsnog te nemen en alsnog te

overleggen binnen 14 dagen na de genomen besluiten;

2. Tot betaling van het aan [eiseres] toekomende dividend 2018 en 2019, binnen

twee weken na toezending van de definitieve dividendbesluiten, dan wel verrekening,

onder overlegging van een deugdelijke specificatie;

3. Tot vaststelling en overhandiging van de waardeberekening van de certificaten per 1 juli

2020 aan [eiseres] ;

4. Bovenstaande veroordelingen uit te spreken op straffe van de in de dagvaarding

genoemde dwangsom;

5. [gedaagden] te veroordelen in de kosten van deze procedure en in de nakosten.

3.2.

[eiseres] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. [gedaagden] zijn op basis van de wet en de statuten gehouden om duidelijkheid te verschaffen omtrent de vaststelling/de uitkering van het dividend van 2018 en 2019. [eiseres] heeft hier ook een spoedeisend belang bij omdat hij deze gegevens nodig heeft bij het doen van de belastingaangifte over 2019. [eiseres] heeft uitstel gevraagd voor het doen van de aangifte en heeft dit uitstel gekregen tot 1 september 2020.

[eiseres] wenst alvorens hij bij [B] uit dienst treedt tot verkoop van de certificaten over te gaan en heeft er belang bij te weten wat de waarde van de certificaten is.

3.3.

[gedaagden] voeren verweer waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden in gegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een (spoedeisend) belang heeft bij de door hem onder 1 ingestelde primaire en subsidiaire vordering.

Gelet op de inhoud van de door [gedaagden] overgelegde e-mailberichten die [C] op 15 maart 2019 en op 30 maart 2020 aan [eiseres] heeft verzonden (ten behoeve van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekering van respectievelijk de jaren 2018 en 2019) met daarin opgenomen een ‘invulinstructie’, wordt aangenomen dat [eiseres] over voldoende informatie beschikt(e) om de belastingaangifte(s) in te vullen. Dat [eiseres] over voldoende informatie beschikte wordt ook bevestigd door het feit dat hij kennelijk (zonder dividendbesluit, met behulp van de invulinstructie) de aangifte inkomstenbelasting 2018 heeft ingevuld, althans de stelling van [gedaagden] . in dit verband heeft [eiseres] niet weersproken.

Dat [eiseres] de dividendbesluiten nodig heeft voor het doen van zijn belastingaangifte(s) – zoals hij stelt ter onderbouwing van het spoedeisend belang – blijkt verder nergens uit, ook niet uit het door [eiseres] als productie 22 overgelegde e-mailbericht van 27 mei 2020 van een medewerker van de Belastingdienst, waarin enkel wordt medegedeeld dat een dividend moet worden opgenomen in de aangifte ib/pvv.

Met de tot op heden door/namens [gedaagden] . aan [eiseres] verstrekte gegevens moet [eiseres] dan ook in staat worden geacht de aangifte voor de inkomstenbelasting over 2019 tijdig te doen.

4.2.

[eiseres] zou als certificaathouder, indien in een jaar (nog) geen dividenduitkering heeft plaatsgevonden, om een andere reden belang erbij kunnen hebben dat er een dividendbesluit genomen wordt. Hij is immers schuldenaar uit hoofde van een met [gedaagde 2] aangegane geldlening waarbij het de bedoeling is dat de aflossingen geschieden uit de netto-dividenduitkeringen die [eiseres] ontvangt vanwege zijn certificaten van aandelen in het kapitaal van [B] . [eiseres] heeft er dan ook belang bij dat (na het nemen van een dividendbesluit) – voor zover mogelijk – jaarlijks dividend wordt uitgekeerd waardoor het openstaande bedrag van de geldlening vermindert, en waardoor de jaarlijkse rente berekend wordt over het (na de dividenduitkering) resterende (lagere) bedrag.

Anders dan [gedaagden] . hebben aangevoerd is [eiseres] in zo’n geval bij [gedaagde 1] wel aan het goede adres om te bewerkstelligen dat een dividendbesluit genomen wordt. De [gedaagde 1] is als aandeelhouder in het kapitaal van [B] op basis van artikel 2:220 jo 2:216 BW en op basis van artikel 4 van de Oprichtingsakte namelijk bevoegd om met gebruikmaking van haar vergaderrecht, een algemene vergadering bijeen te roepen waarin een besluit wordt genomen over bestemming/uitkering van de winst.

Nu in dit geschil vast staat dat op 31 december 2018 een dividend over 2018, en op 25 maart 2020 een dividend over 2019 aan de certificaathouders is uitgekeerd, wordt [eiseres] geacht ook in dit opzicht geen belang (meer) te hebben bij het (alsnog) nemen/overleggen van de dividendbesluiten over de jaren 2018 en 2019.

De vorderingen onder 1 worden gelet op bovenstaande overwegingen afgewezen.

4.3.

Ook de vordering onder 2 wordt afgewezen. Bij een geldvordering in kort geding wordt terughoudendheid betracht. Slechts in het geval waarin het bestaan van een geldvordering (zeer) aannemelijk is en er voorts sprake is van een voldoende spoedeisend belang, en de belangenafweging (waarin het restitutierisico wordt betrokken) in het voordeel van de eisende partij uitvalt, kan een geldvordering worden toegewezen. Aan deze voorwaarden is in dit geval niet voldaan.

[gedaagden] hebben verklaard dat het dividend over 2018 eind 2018 en het dividend over 2019 eind maart 2020 is verrekend met de door [gedaagde 2] aan [eiseres] verstrekte geldlening. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding aan te nemen dat deze verklaring van [gedaagden] . niet waar is. Deze handelwijze is conform artikel 6 van het Participatiereglement, waarin is bepaald dat [B] wordt gemachtigd om dividenduitkeringen over te maken aan [gedaagde 2] . De geldvordering strandt dus reeds op de aannemelijkheid ervan.

4.4.

[eiseres] heeft voorts gevorderd de waardeberekening van de certificaten per 1 juli 2020 vast te stellen en te overhandigen. Deze vordering houdt kennelijk verband met het feit dat [eiseres] zijn certificaten per 1 juli 2020 heeft aangeboden aan de certificaathouders en [gedaagden] .

De wijze hoe te handelen in geval een certificaathouder zijn certificaten wenst over te dragen, is opgenomen in artikel 3 van het Participatiereglement, welk artikel (volgens het eerste lid) geldt als aanvulling op de blokkeringsregeling in de Statuten. De blokkeringsregeling is opgenomen in artikel 6.2. van de Statuten.

[eiseres] heeft weliswaar aangekondigd zijn dienstverband bij [B] te gaan beëindigen, maar van een daadwerkelijke opzegging van het dienstverband is (nog) geen sprake, zodat één van de situaties zoals genoemd in artikel 3 lid 2 van het Participatiereglement zich (nog) niet voordoet. [eiseres] dient voor het aanbieden van de certificaten dan ook de procedure te volgen zoals die is opgenomen in artikel 6.2. van de Statuten.

Ingevolge dit artikel geldt de schriftelijke mededeling van [eiseres] aan [gedaagden] ., dat hij zijn certificaten wenst over te dragen als aanbod. Dit betekent dat vanaf 1 juli jl. de in artikel 6.2. lid 2 sub b genoemde termijn van twee weken is gaan lopen, en vervolgens de reflectietermijn als bedoeld in artikel 6.2 lid 3 voor de duur van vier weken. Deze laatste termijn is medio augustus 2020 verstreken. Nu geen van de mede-certificaathouders/aandeelhouders kenbaar heeft gemaakt de certificaten van [eiseres] te willen overnemen is op grond van artikel 6.2 lid 4 sub e van de Statuten, de algemene vergadering bevoegd een of meer gegadigden voor de aandelen aan te wijzen. Dit moet plaats vinden binnen zes weken na het verstrijken van de reflectietermijn. Dit betekent dat de gegadigden uiterlijk in de eerste week van oktober 2020 moeten zijn aangewezen.

Ingevolge artikel 6.2 lid 4 sub f van de Statuten deelt het bestuur zo spoedig mogelijk maar uiterlijk acht weken na het verstrijken van de reflectietermijn schriftelijk aan de aanbieder en aan de overige aandeelhouders mee de namen van degenen aan wie de aangeboden aandelen zijn toegewezen, en het aantal toegewezen aandelen. Volgens artikel 6.2 lid 5 van de Statuten wordt pas daarna de prijs vastgesteld, in overleg, dan wel, indien overleg niet leidt tot overeenstemming, door drie deskundigen.

De vordering van [eiseres] om [gedaagden] te veroordelen over te gaan tot vaststelling en overhandiging van de waardeberekening van de certificaten is gelet op de hierboven beschreven aanbiedingsprocedure die gevolgd moet worden dus ontijdig en kan daarom in kort geding niet worden toegewezen.

4.5.

Aangezien alle vorderingen worden afgewezen wordt [eiseres] als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- overige kosten € 0,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.636,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 1.636,00;

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2020.