Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4309

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
10-09-2020
Zaaknummer
01/879918-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor 1) doodslag: het slachtoffer is met messteken om het leven gebracht.

Tevens volgt veroordeling voor:

2) diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

3) medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Eendaadse samenloop van de feiten hiervoor aangeduid als 2 en 3.

Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

Opgelegd wordt de maatregel TBS met dwangverpleging en een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest.

De eis van het OM was: TBS met dwangverpleging en een gevangenisstraf van 10 jaren met aftrek van voorarrest.

Aan de nabestaande van het overleden slachtoffer dient schade te worden vergoed. Ook aan het slachtoffer van de hiervoor aangeduide feiten onder 2 en 3 dient schade te worden vergoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0630
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummers: 01/879918-19 en 01/233546-19 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 10 september 2020

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te 's-Hertogenbosch op [1997] ,

wonende te [postcode] , [straatnaam] ,

thans gedetineerd te: P.I. Vught, PPC.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 januari 2020, 24 maart 2020, 18 mei 2020, 14 juli 2020 en 27 augustus 2020. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 17 april 2020 [parketnummer 01/879918-19] en 4 december 2019 [parketnummer 01/233546-19]. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

t.a.v. parketnummer 01/87991819

hij in of omstreeks de periode van 02 jan 2019 tot en met 03 januari 2019 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer 1] (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek/hals en/of in het hoofd en/of in het lichaam te steken;

t.a.v. parketnummer 01/233546-19

1. hij op of omstreeks 27 september 2019 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag (zestig euro), in elk geval enig goed/goederen, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreigingen met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader

- die [slachtoffer 2] is/zijn genaderd terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader een bivakmuts droeg(en) en/of

- pepperspray, althans een brandende substantie/vloeistof in/op het oog en/of gezicht van die [slachtoffer 2] heeft/hebben gespoten en/of

- die [slachtoffer 2] een mes heeft/hebben getoond en/of

- die [slachtoffer 2] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: 'Luisteren dan blijven wij rustig en dan doen wij jou ook niks, als je iets flikt moeten wij geweld gebruiken', althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 2] heeft/hebben gedwongen om op zijn buik op het bed te liggen en/of die [slachtoffer 2] op het bed heeft/hebben geduwd en/of

- (hardhandig) de handen van die [slachtoffer 2] op zijn rug heeft/hebben geduwd en/of

- die [slachtoffer 2] handboeien heeft/hebben omgedaan en/of

- die [slachtoffer 2] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: 'Wat is je pincode’;

2. hij op of omstreeks 27 september 2019 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door

- nadat die [slachtoffer 2] in de slaapkamer van de woning was pepperspray, althans een brandende substantie/vloeistof in/op het oog en/of gezicht van die [slachtoffer 2] te spuiten en/of

- aan die [slachtoffer 2] en mes te tonen en/of - dreigend tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: 'Luisteren dan blijven wij rustig en dan doen wij jou ook niks, als je iets flikt moeten wij geweld gebruiken' en/of

- die [slachtoffer 2] op het bed te duwen en/of

- (vervolgens) handboeien om te doen bij die [slachtoffer 2] en/of

- die [slachtoffer 2] tegen zijn wil in de slaapkamer vast te houden en hem aldus te beletten de woning te verlaten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, zij het met uitzondering van de voorbedachten rade ten laste gelegd onder parketnummer 01/879918-19.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van beide feiten.

Het oordeel van de rechtbank.

DE BEWIJSMIDDELEN

t.a.v. parketnummer 01/879918-19 1

  • -

    het pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood, pag. 3-74 t/m 3-90;

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 27 augustus 2020.

t.a.v. parketnummer 01/233545-19 feit 1 en feit 2 2

  • -

    de verklaring van [slachtoffer 2] [aangever], pag. 120 t/m 152;

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte, pag. 45 t/m 51.

Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt. Op grond van de inhoud van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

t.a.v. parketnummer 01/87991819

op 2 januari 2019 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer 1] meermalen met een mes in de nek/hals en in het hoofd en in het lichaam te steken;

t.a.v. parketnummer 01/233546-19

1. op 27 september 2019 te ’s-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander, een geldbedrag (zestig euro), dat aan [slachtoffer 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreigingen met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededader

- die [slachtoffer 2] is genaderd terwijl hij, verdachte, een bivakmuts droeg en

- pepperspray in/op het oog en gezicht van die [slachtoffer 2] heeft gespoten en

- die [slachtoffer 2] een mes hebben getoond en

- die [slachtoffer 2] dreigend de woorden heeft toegevoegd: 'Luisteren dan blijven wij rustig en dan doen wij jou ook niks, als je iets flikt moeten wij geweld gebruiken', en

- die [slachtoffer 2] heeft gedwongen om op zijn buik op het bed te liggen en die [slachtoffer 2] op het bed heeft geduwd en

- hardhandig de handen van die [slachtoffer 2] op zijn rug heeft geduwd en

- die [slachtoffer 2] handboeien heeft omgedaan;

2. op 27 september 2019 te ’s-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door

- nadat die [slachtoffer 2] in de slaapkamer van de woning was pepperspray in het oog en gezicht van die [slachtoffer 2] te spuiten en

- aan die [slachtoffer 2] een mes te tonen en dreigend tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: 'Luisteren dan blijven wij rustig en dan doen wij jou ook niks, als je iets flikt moeten wij geweld gebruiken' en

- die [slachtoffer 2] op het bed te duwen en

- vervolgens handboeien om te doen bij die [slachtoffer 2] en

- die [slachtoffer 2] tegen zijn wil in de slaapkamer vast te houden en hem aldus te beletten de woning te verlaten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feit 1 en feit 2 onder parketnummer 01/233546-19 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen slechts enigszins uiteenloopt.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren met aftrek van het voorarrest. Voorts vordert de officier van justitie terbeschikkingstelling van verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen opdat verdachte behandeld kan worden voor de ernstige psychische problematiek waarmee hij kampt. De verdediging bepleit daarbij om aan verdachte een kortdurende gevangenisstraf op te leggen, zodat de terbeschikkingstelling van verdachte eerder kan aanvangen en daarmee eerder aan de behandeling van de problematiek van verdachte kan worden begonnen. Uitdrukkelijk is door de verdediging benoemd dat hiermee niet gedoeld wordt op de adviesmogelijkheid van de rechtbank op basis van het bepaalde van artikel 37 b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, juist omdat dit enkel een niet in rechte afdwingbaar advies betreft en bovendien beperkend zou kunnen werken bij de behandeling.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag, een delict dat algemeen wordt beschouwd als één van de meest ernstige delicten die het Nederlandse strafrecht kent. Verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven beroofd. Hoewel verdachte en het slachtoffer elkaar al enige maanden kenden via online contact, was dit de eerste fysieke ontmoeting tussen verdachte en het slachtoffer. Verdachte en het slachtoffer spraken die avond rond 22.00 uur min of meer spontaan af om te gaan wandelen in Rosmalen. Zij hebben elkaar ontmoet en hebben al wandelend nader kennis gemaakt. Uitgaande van wat verdachte heeft verklaard zijn zij al pratend terecht gekomen op een bankje aan het water. Op enig moment heeft het slachtoffer volgens verdachte fysieke toenadering gezocht. Verdachte is vervolgens opgestaan en heeft zijn zakmes uit zijn zak gepakt en heeft met veel kracht stevig op het nog zittende slachtoffer ingestoken. Er was sprake van 17 steek- en 5 snijletsels bij het slachtoffer, zelfs vergezeld van botbreuken nabij de plekken van het steekletsel. Volgens verdachte was daarna duidelijk dat er geen hulp meer mogelijk was voor het slachtoffer.

Vervolgens heeft verdachte meteen uit zelfbehoud de keuze gemaakt om het lichaam van het slachtoffer te verbergen in het water. De verdachte is hierbij gestructureerd en planmatig te werk gegaan. Hij heeft de telefoon en sleutels van het slachtoffer uit zijn zakken gehaald, zijn eigen jas en schoenen uitgetrokken en is met het lichaam het water ingegaan. Hij heeft het lichaam onder een boomstronk in het water verborgen en de telefoon van het slachtoffer uitgezet en elders weggegooid. Het mes en de sleutels van het slachtoffer heeft hij op verschillende plaatsen in het water gegooid. Zijn eigen kleren heeft hij nog diezelfde nacht verbrand. Tot slot heeft hij die nacht nog een bericht gestuurd aan het slachtoffer terwijl hij al overleden was, enkel om zo uit het zicht van de opsporingsdiensten te kunnen blijven. De volgende dag is verdachte nog terug gegaan naar het bankje om de laatste bloedsporen uit te wissen. Hieruit blijkt dat verdachte zich vanaf het steekmoment bewust was van wat hij had gedaan en uiterst doelgericht bezig was met het verkleinen van zijn pakkans.

De laatste momenten in het leven van het slachtoffer moeten onvoorstelbaar angstig voor hem zijn geweest. Verdachte heeft het slachtoffer het meest kostbare bezit, namelijk zijn leven, ontnomen. Dat verdachte daarna doelbewust en op een sluwe wijze getracht heeft zijn dood te verhullen, maakt het gebeuren zo mogelijk nog ernstiger. Hierdoor hebben de nabestaanden maandenlang in grote onzekerheid moeten leven. Pas na bijna vier maanden kwam er op zeer nare wijze een einde aan een deel van die onzekerheid. En ruim een jaar na de vermissing werd pas stukje bij beetje meer duidelijk over de omstandigheden waaronder het slachtoffer is overleden.

Verdachte moet de nabestaanden hiermee onbeschrijflijk veel leed hebben berokkend. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan en neemt de rechtbank in strafverhogende zin mee.

Ook de schok die dit door verdachte gepleegde feit in de samenleving teweeg heeft gebracht, zal bij de strafoplegging worden betrokken.

Verdachte heeft zich daarna bovendien schuldig gemaakt aan het medeplegen van een diefstal voorafgegaan en vergezeld van (bedreiging met) geweld en het medeplegen van wederechtelijke vrijheidsberoving. Het slachtoffer [slachtoffer 2] is door verdachte, samen met de medeverdachte, onder valse voorwendselen naar de woning van de medeverdachte gelokt. Daar is hij door verdachte, die op dat moment een bivakmuts droeg, belaagd met pepperspray, op zijn buik op het bed gegooid, en zijn vervolgens zijn handen hardhandig op zijn rug vastgebonden met handboeien. Verdachte en de medeverdachte hebben daarbij beiden gedreigd met een mes. Het slachtoffer stond op dat moment doodsangsten uit. Verdachte heeft helemaal geen rekening gehouden met de belangen van het slachtoffer bij het plegen van dit feit en heeft naar eigen zeggen puur gehandeld uit verveling en omdat hij op zoek was naar een kick.

Uit een omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport door dr. D.J. Vinkers, psychiater, drs. mr. R.A. Sterk, psycholoog en dr. J.L.J Volders, forensisch milieuonderzoeker, van 9 juli 2020 blijkt dat de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend. Dit rapport houdt kort weergegeven in dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een autismespectrumstoornis, een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Er zijn tevens aanwijzingen gevonden voor een parafilie in de vorm van seksueel sadisme. Ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten was er sprake van voornoemde psychische problematiek. Tot slot is er een verband gevonden tussen de gepleegde feiten en de gediagnosticeerde psychische problematiek, waarin de autismespectrumstoornis, de antisociale persoonlijkheidsstoornis en de seksueel sadistische fantasieën zoals beschreven op de voorgrond staan. Geadviseerd wordt een klinische behandelsetting met een hoog beveiligingsniveau in een tbs-kliniek. De onderzoekers achten de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging het enige aangewezen kader waarbinnen verdachte behandeld kan worden teneinde het gevaarsrisico voldoende in te perken.

De rechtbank neemt de bovenstaande conclusies en adviezen over en zal de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte betrekken bij de strafmaat. Met de psycholoog, de psychiater en de forensisch milieuonderzoeker is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk maakt. Gelet op de bovengenoemde stoornis van verdachte en het hoge herhalingsgevaar is een behandeling noodzakelijk.

De rechtbank overweegt dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. De hierna te kwalificeren feiten betreffen misdrijven waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Voorts merkt de rechtbank op dat het een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

De verdediging heeft bepleit dat de gevangenisstraf verkort dient te worden zodat vroegtijdig aan de behandeling van de problematiek van verdachte kan worden begonnen. Gelet op de relatief jonge leeftijd van verdachte, de noodzaak van behandeling en het gegeven dat de kans van slagen van een tbs-behandeling afneemt naarmate een daaraan voorafgaand ten uitvoer te leggen gevangenisstraf langer duurt, is de rechtbank van oordeel dat enige matiging van een op te leggen gevangenisstraf passend is. Dat past ook bij de uitgesproken bereidheid van verdachte om mee te werken aan zijn behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling.

De rechtbank is echter tevens van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van lange duur, naast de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van verdachte, op zijn plaats. Hierbij kijkt de rechtbank vooral naar de mate van het toegepaste geweld, de beheerstheid en berekenbaarheid nadien en het daarna wederom plegen van een ernstig strafbaar feit onder min of meer gelijke omstandigheden. Ondanks de verminderde toerekeningsvatbaarheid is dit zeer laakbaar gedrag dat bestraft moet worden.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren opleggen. Voorts zal de rechtbank de verdachte ter beschikking stellen en bevelen dat verdachte van overheidswege verpleegd wordt. De rechtbank zal hierbij geen advies geven over het aanvangstijdstip van de terbeschikkingstelling vanwege de bovengenoemde redenen voor het opleggen van een gevangenisstraf.

De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, gelet op hetgeen hierboven is overwogen.

De vordering van de nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer 1] .Samen met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank de vordering (ad
€ 17.727,04, te weten € 15.000,00 affectieschade en € 2.727,04 materiële schade) in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2019 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de nabestaande, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de nabestaande bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank ten aanzien van elke betalingsverplichting bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] . De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering, te weten € 1.000,00 aan immateriële schade en € 60,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Samen met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank de post van € 60,00 (weggenomen bedrag) toewijsbaar. Omtrent de gevorderde reiskosten en verlofuren voor het bijwonen van de terechtzitting ad in totaal € 94,46 overweegt de rechtbank dat deze kosten niet als schadepost kunnen worden toegewezen, maar moeten worden geschaard onder de proceskosten. De rechtbank zal daarom die kosten toekennen als proceskosten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is volgens de rechtbank voorts voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij door het onder feiten 2 en 3 bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van de normschending de gevolgen voor déze benadeelde partij zodanig zijn geweest dat sprake is van ‘aantasting in zijn persoon op andere wijze’ in de zin van art. 6:106 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek. Rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, ziet de rechtbank aanleiding om de vordering van de benadeelde partij te matigen tot € 1.000,00.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de overige onderdelen van de vordering.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de overige kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op € 94,46. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank ten aanzien van elke betalingsverplichting bepalen dat als verdachte of zijn mededader heeft voldaan aan hun verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte of zijn mededader heeft voldaan aan hun verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 47, 55, 57, 282, 287, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert de misdrijven:

T.a.v. parketnummer 01/879918-19doodslag T.a.v. parketnummer 01/233546-19 feit 1 diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

T.a.v. parketnummer 01/233546-19 feit 2medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven enberoofd houden

feit 1 en feit 2 onder parketnummer 01/233546-19 zijn in eendaadse samenloopbegaan.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. parketnummer 01/879918-19, parketnummer 01/233546-19 feit 1 en feit 2

 Een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

T.a.v. parketnummer 01/879918-19, parketnummer 01/233546-19 feit 1 en feit 2

Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

T.a.v. parketnummer 01/879918-19

maatregel van schadevergoeding tot een bedrag van € 17.727,04.

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 17.727,04 (zegge: zeventienduizendzevenhonderdzevenentwintig euro en vier eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 123 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 15.000,00 affectieschade en € 2.727,04 materiële schade. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

T.a.v. parketnummer 01/233546-19 feit 1 en feit 2

maatregel van schadevergoeding tot een bedrag van € 1.060,00.

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van € 1.060,00 (zegge: duizendzestig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen gijzeling. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.000,00 immateriële schade en € 60,00 materiële schade. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald.

Beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer 1] [parketnummer 01/879918-19]:

wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van

€ 17.727,04 (zegge: zeventienduizendzevenhonderdzevenentwintig euro en vier eurocent), te weten € 15.000,00 affectieschade en € 2.727,04 materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

benadeelde partij [slachtoffer 2] [parketnummer 01/233546-19 feit 1 en feit 2]:

wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 1.060,00 (zegge: duizendzestig euro), te weten € 1.000,00 immateriële schade en € 60,00 materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is ten aanzien van het restant van de gevorderde immateriële schadevergoeding.

veroordeelt verdachte tevens in de overige kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op € 94,46.

veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte of zijn mededader heeft voldaan aan hun verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte of zijn mededader hebben voldaan aan hun verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Boersma, voorzitter,

mr. C.J. Sangers- de Jong en mr. A.A.M. Janssen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C. Pauw, griffier,

en is uitgesproken op 10 september 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, district ’s-Hertogenbosch, basisteam ’s-Hertogenbosch, Onderzoek Makassar / OBRAB19004. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

2 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, district ’s-Hertogenbosch, basisteam ‘s-Hertogenbosch, genummerd PL2100-2019202517, aantal pagina’s: 192. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.