Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2020:4243

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
328186 HA ZA 17-793
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Contradictoir. papegaaien en luchtballonnen, welke luchtballon heeft de schade veroorzaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/328186 / HA ZA 17-793

Vonnis van 2 september 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. A.M. van Schaick te Tilburg,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.G. Krüger te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 februari 2019;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 29 augustus 2019;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 21 januari 2020;

  • -

    de conclusie na getuigenverhoor van de zijde van [eiser] ;

  • -

    de antwoordconclusie na getuigenverhoor van de zijde van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank verwijst naar de eerder gewezen tussenvonnissen 21 februari 2018, 12 september 2018, 28 november 2018 en 20 februari 2019 en handhaaft de daarin opgenomen overwegingen en beslissingen.

Bewijsopdracht.

2.2.

Bij tussenvonnis van 20 februari 2020 heeft de rechtbank overwogen dat geen duidelijkheid is verkregen over de route en hoogte van de ballonvaarders en dat evenmin duidelijk is geworden in hoeverre de overige over- of voorbijvarende luchtballonnen hoorbaar zijn geweest voor de papegaaien. De rechtbank heeft [eiser] vervolgens, overeenkomstig zijn bewijsaanbod, in de gelegenheid gesteld (aanvullend) bewijs te leveren.

De rechtbank heeft [eiser] opgedragen feiten en omstandigheden te bewijzen op grond waarvan kan worden aangenomen dat de drie papegaaien zijn overleden ten gevolge van het op zaterdag 11 maart 2017 in de nabijheid van het perceel van [eiser] overvaren van de luchtballon van [gedaagde] .

2.3.

[eiser] heeft in eerste instantie op 29 augustus 2018 vier getuigen laten horen, te weten:

  • -

    zichzelf (partij-getuige);

  • -

    de heer [A] , ballonvaarder, hierna te noemen [A] ;

  • -

    mevrouw [B] , partner van [eiser] , hierna te noemen [B] ;

  • -

    de heer [C] , zoon van [eiser] , hierna te noemen de zoon.

Vervolgens heeft [eiser] op 21 januari 2020 nog één getuige laten horen, te weten:

- de heer [D] , betrokken als “scoorder” (degene die de punten uitdeelt) bij de onderhavige ballonvaartwedstrijd, hierna te noemen [D] .

2.4.

Van de zijde van [gedaagde] zijn in contra-enquête drie getuigen gehoord, te weten:

  • -

    de heer [gedaagde] (gedaagde partij);

  • -

    de heer [E] , directeur van een heteluchtballonbedrijf, hierna te noemen [E] ;

  • -

    de heer [F] , passagier in de luchtballon van [gedaagde] .

2.5.

Daarna heeft [eiser] een conclusie na getuigenverhoor genomen en daarbij twee producties gevoegd. [gedaagde] heeft een antwoord-conclusie na getuigenverhoor genomen en daarbij één productie gevoegd.

2.6.

Vervolgens hebben beide partijen de rechtbank gevraagd vonnis te wijzen.

2.7.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.8.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van de bewijsmiddelen voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 164 Rv een verklaring van een partijgetuige over door deze partijgetuige te bewijzen feiten geen bewijs in zijn of haar voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs.

2.9.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] is geslaagd in de aan hem gegeven bewijsopdracht en overweegt daarover het volgende.

Tijdstip, hoogte en route.

2.10.

Voor de beantwoording van de vraag of de drie papegaaien zijn overleden ten gevolge van het op zaterdag 11 maart 2017 in de nabijheid van het perceel van [eiser] overvaren van de luchtballon van [gedaagde] is allereerst van belang om vast te stellen welke luchtballonnen die betreffende zaterdagochtend op welk tijdstip, op welke hoogte en op welke route in de nabijheid van het perceel van [eiser] voorbijgevaren zijn.

De rechtbank heeft dit kunnen vaststellen aan de hand van de verklaring van getuige [D] in combinatie met een aantal overgelegde schriftelijke stukken, te weten routekaartjes en hoogtetabellen.

[D] was bij de wedstrijd op zaterdag 11 maart 2017 betrokken als “scoorder”. Dit houdt in, zo heeft [D] verklaard, dat hij de punten uitdeelt aan de deelnemers van de ballonvaartwedstrijd. Hij doet dit aan de hand van de trackgegevens van de deelnemers aan de ballonvaartwedstrijd, over welke gegevens hij beschikte. Om oneigenlijke beïnvloeding te voorkomen, worden de deelnemers door hem met een nummer aangeduid.

De advocaat van [eiser] heeft tijdens het getuigenverhoor aan [D] productie 15 bij de dagvaarding laten zien. Deze productie bestaat uit een aantal routekaartjes van zes deelnemers aan de wedstrijd.

De rechtbank overweegt dat deze routekaartjes tijdens de mondelinge behandeling op 26 juni 2018 zijn besproken en dat niet in geschil is dat op de kaartjes onder meer het perceel van [eiser] is te zien, met daarop de locatie van de papegaaienkooien waarin de overleden papegaaien zaten. Op elk kaartje staat een rode lijn, waarmee de route van een ballonvaarder wordt weergegeven. De advocaat van [eiser] heeft handmatig de routekaartjes genummerd met de nummers 6, 15, 18, 19, 20 en 22. Volgens [eiser] worden met deze nummers de volgende ballonvaarders aangeduid:

- nr. 6: de heer [G] ;

- nr. 15: de heer [H] ;

- nr. 18: [gedaagde] ;

- nr. 19: mevrouw [I] ;

- nr. 20: de heer [J] ;

- nr. 22: de heer [K] .

[D] heeft als getuige bevestigd dat de door de advocaat van [eiser] genoteerde nummers correct zijn en betrekking hebben op de hiervoor genoemde ballonvaarders. Ook heeft [D] bevestigd dat de als productie 1 bij de akte van 10 oktober 2018 weergegeven routekaartjes en hoogtetabellen (genummerd als 1b, 1c, 1d, 1e, 1f en 1g) betrekking hebben op de hiervoor genoemde ballonvaarders met nummers 6, 15, 18, 19, 20 en 22. [D] heeft deze kaartjes en tabellen, zo verklaarde hij, in zes afzonderlijke bestanden aan [A] toegezonden, die deze bestanden, zo volgt uit de getuigenverklaring van [A] in combinatie met de e-mail van 9 oktober 2018 (productie 1 bij akte van 10 oktober 2018), aan [eiser] heeft doorgestuurd.

Op de vraag hoe [D] zo zeker weet op welke ballonvaarders de routekaartjes en hoogtetabellen betrekking hebben, heeft hij geantwoord dat hij dat op zijn laptop heeft kunnen nakijken. [D] heeft tijdens het getuigenverhoor het betreffende programma op zijn laptop geopend en aan partijen, de advocaten en de rechter laten zien.

Deze hebben kunnen vaststellen dat de nummers van de bestanden op de laptop overeenkomen met het nummer van de foto’s van productie 15 bij de dagvaarding en overeenkomen met het nummer van de foto’s met hoogtekaartjes van productie 1 bij de akte van 10 oktober 2018.

De rechtbank zal er bij de verdere beoordeling dan ook van uitgaan dat de routekaartjes en de hoogtetabellen betrekking hebben op de ballonvaarders die [eiser] noemt.

2.11.

Dit leidt tot de volgende conclusie, waarbij de luchtballonnen worden vermeld in volgorde van voorbijkomen en waarbij hemelsbreed de kortste (door de rechtbank geschatte) afstand op de afgelegde route tussen de luchtballon en de papegaaienkooien wordt vermeld:

- nr. 20 (1f) de heer [J] ; voer ten oosten van de kooien voorbij,

in het midden van de PZ12-zone, hoogte 263 meter, tijdstip 08:00:15 uur,

hemelsbreed op ongeveer 50 meter afstand.

- nr. 15 (1c): de heer [H] ; voer ten oosten van de kooien voorbij,

in het midden van de PZ12-zone, hoogte 355 meter, tijdstip 08:00:35 uur,

hemelsbreed op ongeveer 50 meter afstand.

- nr. 6 (1b): de heer [G] ; voer ten oosten van de kooien voorbij,

aan de rand van de PZ12-zone, hoogte 200 meter, tijdstip 08:01:57 uur,

hemelsbreed op ongeveer 450 meter afstand.

- nr. 19 (1e) mevrouw [I] ; voer ten oosten van de kooien voorbij,

aan de rand van de PZ12-zone, hoogte 362 meter, tijdstip 08:03:20 uur,

hemelsbreed op ongeveer 400 meter afstand.

- nr. 18 (1d): [gedaagde] ; voer ten westen van de kooien voorbij,

in het midden van de PZ12-zone, hoogte 15 meter, tijdstip 08:13:04 uur,

hemelsbreed op ongeveer 50 meter afstand.

- nr. 22 (1g) de heer [K] ; voer ten oosten van de kooien voorbij,

aan de rand van de PZ12-zone, hoogte 77 meter, tijdstip 08:19:19 uur,

hemelsbreed op ongeveer 400 meter afstand.

De papegaaienkooien liggen westelijk van het midden van de PZ12-zone. Bij het schatten van de afstand (hemelsbreed) tussen de papegaaienkooien en de voorbijvarende luchtballonnen is uitgegaan van de lengte-aanduiding van 200 meter, die op elke kaart van productie 15 staat.

2.12.

De rechtbank merkt op dat de door of namens [eiser] ingeschakelde (partij)deskundige (rapport van [X] overgelegd als productie 12 bij de dagvaarding) tot andere hoogtes, volgordes en afstanden komt. Omdat niet duidelijk is waar deze (partij)deskundige zijn conclusies op baseert en omdat deze conclusies in ieder geval slechts ten dele volgen uit de overgelegde routekaartjes en hoogtetabellen, zal aan de bevindingen van de (partij)deskundige worden voorbij gegaan.

2.13.

Uitgaande van de overgelegde routekaartjes en hoogtetabellen komt de rechtbank tot de volgende conclusie.

Vast staat, zie r.o. 4.21 van het tussenvonnis van 12 september 2018, dat de papegaaienkooien aan de oostelijke zijde overdekt waren, zodat de luchtballonnen die aan de oostelijke zijde voorbij voeren (alle luchtballonnen behalve die van [gedaagde] ) niet zichtbaar waren voor de papegaaien. Voorts staat thans vast dat alleen de luchtballon van [gedaagde] ten westen van de papegaaienkooien is overgevaren, zodat ook vaststaat dat alleen de luchtballon van [gedaagde] zichtbaar was voor de papegaaien. [gedaagde] stelt weliswaar dat door de bomen zijn luchtballon ook niet zichtbaar was voor de papegaaien, maar alleen al uit de foto die de zoon van [eiser] heeft gemaakt, volgt dat dat niet zo was.

2.14.

Tussen partijen is discussie gevoerd over de plaats van waaruit de overgelegde foto van de luchtballon van [gedaagde] is gemaakt. De zoon heeft hierover als getuige verklaard dat hij vlakbij de woning stond, toen hij de foto maakte. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. [gedaagde] heeft gesteld dat deze foto van een andere locatie is gemaakt, maar heeft zijn stelling niet duidelijk onderbouwd.

2.15.

De rechtbank stelt voorts vast dat de luchtballon van [gedaagde] zeer laag (op 15 meter hoogte) en behoorlijk dichtbij (op circa 50 meter afstand) voorbijvoer.

Ook de luchtballonnen van de heer [H] en de heer [J] voeren op circa 50 meter afstand voorbij, maar deze luchtballonnen voeren veel hoger (op 355 meter en op 263 meter hoogte) en bovendien ten westen (dus onzichtbaar voor de papegaaien) voorbij.

Onder toepassing van de stelling van Pythagoras (a2 + b2 = c2) kan de conclusie getrokken worden dat de luchtballon van [gedaagde] een afstand tot de papegaaienkooien had van 52,2 meter, de luchtballon van [H] van 358,2 meter en de luchtballon van [J] van 267,7 meter.

2.16.

Voorts staat vast, [gedaagde] heeft dat zelf tijdens de mondelinge behandeling in juni 2018 bevestigd, dat [gedaagde] elke 5 a 10 seconden gebruik maakte van de hoofdbrander en pas nadat hij was toegeroepen door [eiser] , is overgestapt op de koeienbrander, ook wel een stille brander genoemd.

2.17.

[gedaagde] verwijst in zijn conclusie na getuigenverhoor naar productie 2 bij zijn akte van 7 november 2018 en naar de in alinea 17 e.v. van deze akte gegeven toelichting en stelt dat hij zich op het moment van wakker schrikken van [eiser] om 8.10 uur/8.11 uur, op ongeveer 450 meter van het woonhuis en bijna 500 meter van de kooien van de overleden papagaaien bevond. Hij bedoelt daarmee kennelijk te zeggen dat [eiser] en zijn huisgenoten om 8:10 uur/8.11 uur niet door het geluid van zijn luchtballon kunnen zijn wakker geworden omdat hij op dat moment nog te ver weg was.

Deze productie 2 betreft een kaart van de woning en de omgeving daarvan met daarin weergegeven de route van de luchtballon van [gedaagde] .

De op deze kaart weergegeven route van [gedaagde] komt overeen met de route van [gedaagde] op de routekaartjes van [D] . Uit beide kaarten volgt dat de luchtballon van [gedaagde] op circa 50 meter afstand voorbij de papegaaienkooien is gevaren.

Met het woord “index” op de kaart van [gedaagde] wordt, zo begrijpt de rechtbank, de locatie van de luchtballon van [gedaagde] op die weergegeven route aangeduid.

De rechtbank stelt vast dat uit deze productie 2 kan worden afgeleid dat de luchtballon van [gedaagde] om 8:10:52 uur bij index 217 van het kaartje was, op inderdaad circa 450/500 meter afstand van het woonhuis en de kooien. Hoe laat [gedaagde] precies bij het volgende op de kaart weergegeven indexpunt 251 was, volgt niet uit het schema op de tweede pagina van productie 2 (dit schema is onvolledig). Wel volgt uit dit schema dat [gedaagde] om 08:12:01 uur bij index 240 was. [gedaagde] heeft dus over de afstand tussen index 217 en index 240 1 minuut en 9 seconden gedaan (69 seconden, 23 indexpunten, 3 seconden per index). Uitgaande van een gelijkblijvende snelheid, leidt de rechtbank daaruit af dat hij over de afstand tussen index 217 en 251 dan ongeveer 102 seconden zal hebben gedaan. Tot het eerstvolgende indexpunt 296 (45 indexpunten verschil) zal dan 135 seconden zijn verstreken en tot het daaropvolgende indexpunt 320 (24 indexpunten verschil) weer 72 seconden.

Daaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde] in een tijdsbestek van 309 seconden (5 minuten en 9 seconden) de route binnen de PZ12-zone (van index 217 tot index 320 = 103 indexpunten, 3 seconden per indexpunt) heeft afgelegd.

De eerder voorbijvarende luchtballonnen hadden een voorsprong van 9 minuten en 16 seconden (540 seconden) of meer. Dat betekent dat om 8:10:52 uur de overige eerder voorbijvarende luchtballonnen, eveneens bij gebreke van andere aanknopingspunten uitgaande van een gelijke snelheid als die van [gedaagde] , al ruim voorbij indexpunt 217 waren en wel ten minste bij of voorbij index 397 (3 seconden per indexpunt, in 540 seconden 180 indexpunten verder).

Dat betekent dat deze luchtballonnen zich op dat moment, grof geschat, ten minste 900 tot 1000 meter voorbij de papegaaienkooien en ook voorbij de woning van [eiser] bevonden.

Als [eiser] en zijn huisgenoten wakker zijn geschrokken rond 8:10:52 uur, dan is het aannemelijk dat het de luchtballon van [gedaagde] was die toen aan zijn route vlakbij het perceel van [eiser] begon (en daar in een tijdsbestek van 5 minuten en 9 seconden voorbijvoer) omdat de andere eerder overgevaren luchtballonnen toen al veel verder weg waren.

2.18.

[gedaagde] heeft er nog op gewezen dat zijn luchtballon de enige was die op afstand herkenbaar was door het grote opschrift “the Phantom of the Opera” en stelt dat [eiser] en zijn huisgenoten hem om die reden als veroorzaker hebben aangewezen.

Dat [eiser] en zijn huisgenoten te kwader trouw hebben gehandeld en al eerder waren wakker geworden van lawaai van overvarende luchtballonnen en krijsende papegaaien, al buiten stonden en de foto van de luchtballon van [gedaagde] hebben gebruikt omdat deze als enige herkenbaar was, volgt echter nergens uit. Het relaas van [eiser] is vanaf de aanvang consequent geweest en wordt, in grote lijnen, ondersteund door de verklaringen van [B] , de zoon en ook [gedaagde] zelf. Voorts wordt het relaas van [eiser] ondersteund door de omstandigheid dat [gedaagde] op 15 meter hoogte en op circa 50 meter afstand zichtbaar voor de papegaaien is voorbijgevaren en, totdat hij werd toegeroepen door [eiser] , elke 5 a 10 seconden de twee hoofdbranders gebruikte.

Dat de andere luchtballonnen, die eerder voorbij waren gevaren, zo veel geluid hebben gemaakt dat hierdoor de papegaaien al eerder waren opgeschrikt, volgt nergens uit. Deze luchtballonnen voeren bovendien hoger en onzichtbaar voor de papegaaien voorbij.

2.19.

Aan de verklaring van [E] over overige luchtballonnen (zijnde luchtballonnen die niet aan de ballonvaartwedstrijd meededen) die op de betreffende ochtend rond 8.00 uur in de nabijheid van het perceel van [eiser] zouden zijn gezien gaat de rechtbank voorbij, nu deze verklaring onvoldoende gedetailleerd is.

2.20.

Voor wat betreft de na [gedaagde] overgevaren luchtballon (die van de heer [K] ), gaat [gedaagde] er aan voorbij dat deze luchtballon aan de oostzijde van de papegaaienkooien overvoer op 400 meter afstand hemelsbreed (diagonale afstand 407 meter). Ook geldt voor deze luchtballon dat het niet alleen gaat om de enkele afstand hemelsbreed, maar ook om de hoogte, de zichtbaarheid en het geproduceerde geluid.

[eiser] , [B] en de zoon verklaren alle drie dat zij deze luchtballon niet hebben gehoord of gezien. Nu deze luchtballon acht maal verder voorbijvloog dan de luchtballon van [gedaagde] en bovendien ten oosten van de papegaaienkooien, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de verklaringen van deze getuigen te twijfelen.

2.21.

Anders dan [gedaagde] acht de rechtbank het niet ongeloofwaardig dat [eiser] en de zoon enige tijd, ondanks de lage temperatuur, buiten op blote voeten hebben gelopen.

Als iemand wakker schrikt van een hels kabaal en niet weet wat er precies aan de hand is, dan ligt het voor de hand dat niet eerst rustig de tijd wordt genomen om kleren en schoenen aan te trekken.

De rechtbank ziet niet in dat de omstandigheid dat de broer van [B] ook ballonvaarder is en wellicht zondag als officieuze deelnemer een ballonvlucht heeft gemaakt op enigerlei wijze invloed heeft op de vraag of [gedaagde] aansprakelijk is voor de bij [eiser] opgetreden schade. Datzelfde geldt voor de gestelde omstandigheid dat [eiser] op de hoogte zou zijn geweest van de ballonvaartwedstrijd. Op de hoogte zijn, als daar al sprake van zou zijn geweest, houdt geen goedkeuring of afstand van recht in, terwijl [eiser] bovendien niet had hoeven te verwachten dat [gedaagde] over de (verboden) PZ12-zone zou varen.

Hetgeen overigens nog door [gedaagde] is aangevoerd (over de papegaaien in een andere kooi en de zendmast) leidt niet tot een ander oordeel.

2.22.

Dat de derde papegaai (de ara-man) zou zijn overleden ten gevolge van het overvaren van andere luchtballonnen op zondag, volgt nergens uit. [gedaagde] stelt dit, maar geeft totaal geen informatie over routes en geluidsniveaus van op zondag overvarende luchtballonnen. Dit had, gelet op de omstandigheid dat vast is komen te staan dat zijn luchtballon zeer laag en zeer dichtbij is voorbijgevaren en veel lawaai maakte, wel op zijn weg gelegen.

2.23.

De conclusie is dan ook dat [eiser] in zijn bewijslevering geslaagd is en dat er van uit zal worden gegaan dat de drie papegaaien zijn overleden ten gevolge van een schrikreactie naar aanleiding van het voorbijvaren van de luchtballon van [gedaagde] .

Het tussenvonnis van 12 september 2018.

2.24.

In het tussenvonnis van 12 september 2018 is al overwogen dat, als komt vast te staan dat de drie papegaaien zijn overleden ten gevolge van het overvaren van de luchtballon van [gedaagde] , hetgeen het geval is, dit als een onrechtmatige daad van [gedaagde] ten opzichte van [eiser] moet worden beschouwd, welke hem kan worden toegerekend.

Verder is in dit tussenvonnis met betrekking tot de door [eiser] gevorderde schadevergoeding overwogen dat:

  • -

    de waarde van het overleden koppel hyacint ara’s wordt begroot op € 40.000,00;

  • -

    de gevolgschade doordat gedurende een bepaalde periode geen jongen van een broedpaar hyacint ara’s kunnen worden verkocht wordt begroot op € 13.900,00;

  • -

    de waarde van de overleden geelnek-amazonepop door de rechtbank is begroot op € 1.250,00.

Conclusie.

2.25.

Uit het voorgaande, in samenhang met de eerdere tussenvonnissen, volgt dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 55.150,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2017, zijnde de dag van de onrechtmatige gedraging, tot aan de dag van betaling.

2.26.

De gevorderde vergoeding wegens buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zal worden toegewezen, zoals gevorderd, tot een bedrag gelijk aan twee punten van het toepasselijke liquidatietarief, met een maximum van 15% van de hoofdsom, zijnde € 2.148,00.

2.27.

De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is eveneens toewijsbaar. Deze zal, zoals gevorderd, worden toegewezen met ingang van de dag der dagvaarding, zijnde 20 november 2017.

2.28.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiser] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 101,05

- overige explootkosten 0,00

- griffierecht 1.545,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 5.907,00 (5,5 punten × tarief € 1.074,00)

Totaal € 7.553,05.

De wettelijke rente over de proceskosten zal eveneens worden toegewezen.

2.29.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten en de daarover gevorderde rente zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 55.150,00 (vijfenvijftig duizendéénhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 11 maart 2017 tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van

€ 2.148,00 (tweeduizend éénhonderd achtenveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 20 november 2017 tot de dag van betaling,

3.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 7.553,05, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van betaling,

3.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W.A. Stegeman-Kragting en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2020.